Een onwinbare, kansloze positie

Klara Bartilsson


Gelijk hebben en gelijk krijgen: hoe zat het ook alweer? Ik heb vaak het gevoel dat ik gelijk heb, maar niet krijg. Zou iedereen dat hebben? Ondertussen kan het me geloof ik on the whole minder schelen dan vroeger om gelijk te krijgen. Ik denk eerder: goed, jullie willen de waarheid niet onder ogen zien? Prima, leef maar door met je onjuiste veronderstellingen. Fijne dag.
Het gelijk moet je gegund worden. Als je gehoor heeft bepaald dat je teveel aan het woord bent geweest, of het woord niet (meer) verdient, of om andere extra-argumentatieve redenen je de mond snoert, dan heb je een probleem. Je kunt meteen opgeven, maar dat is zwak. Als je blijft drammen, als je dwars door andere mensen die het niet met jou eens zijn heen blijft praten, wordt de stemming er niet beter op.
Iets dergelijks was gisteravond aan de hand bij de vrijdagmiddagborrel in de achtertuin. Misschien kwam het door de drank, of door het plotselinge betrekken van de lucht en de daaropvolgende hoosbui, waartegen we overigens door parasols en een uitschuifbaar dak werden beschermd, dat men dacht: die Frölke, die gaan we geen gelijk meer geven. Die kan op zijn kop gaan staan, maar gelijk krijgt hij niet.
Ik hoorde mijzelf mijn punt herhalen. Ik beet me vast in mijn argumentatie (waar, zoals gezegd, en zoals ik nog steeds geloof, historisch en anderszins, geen speld tussen te krijgen is, maar waarmee ik zal u thans niet zal lastigvallen omdat hij zonder context nogal futiel lijkt) en verhief mijn stem. Misschien kwam het omdat ik in een leunstoel zat en de rest niet. Misschien kwam het omdat ik (zo hoorde ik later), de vrouw des huizes onvoldoende, of onvoldoende snel had bijgeschonken, en mezelf wel – want ook haar kreeg ik allang niet meer aan mijn zijde.
Ik wist allang dat ik mezelf in een onwinbare, kansloze positie had gemanoeuvreerd. Ja, ik had gelijk, inderdaad, heel leuk voor me, maar mijn gelijk was niets waard. Het bestond alleen in mijn hoofd. Ik haatte mezelf kort maar hartgrondig.
Geloofde ik werkelijk dat degenen met wie ik redetwistte thuis plotseling tot het inzicht zouden komen dat ik het bij het rechte eind had gehad, en mij alsnog dankbaar zouden zijn?