De stad, de suburb en de dood



Een reprimande was het niet, meer een terechtwijzing. Een aanmerking, toch op zijn minst. Het is moeilijk om een woord te vinden, want ik was het idee ontwend. Na je vijftigste verwacht je geen directieven meer in de persoonlijke sfeer, zelfs niet van je ouders. Die hebben het tegen die tijd wel opgegeven. Maar deze kritiek kwam niet van mijn ouders, of zelfs mijn schoonouders. Hij kwam van mijn Brits-Nederlandse schoonbroer (zijn vrouw, mijn schoonzus dus, was het overigens geheel met hem eens en ik denk dat mijn schoonouders zijn standpunt ook onmiddellijk zouden onderschrijven, maar hij sprak het uit).
Wat deed ik verkeerd?
Ik woonde in de stad. In een poppenhuis. Een huurhuis. Ik bouwde niets op. Straks was ik tachtig en liet ik een verramsjt oeuvre na. En dan? Dit kon ik mijn kinderen niet aandoen. Dus waarom verhuisde ik niet naar een premie A woning in een suburb, bijvoorbeeld zo een waar hij al ruim tien jaar, als in een Truman Show, woonde?
Losjes somde ik enkele voordelen van de stad op, maar die kon de Brits-Nederlandse schoonbroer niet overtuigen.
De Brits Nederlandse schoonbroer, die, moet ik erbij vermelden (en misschien was dit te verklaren uit zijn taalachterstand), nogal eens de tijd neemt om zijn punt te maken, ging er nog eens goed voor zitten.
Ik liet me niet vermurwen. Ik woonde in de stad uit overtuiging. De stad of de dood, zo dacht ik erover.
Mijn vrouw gelukkig ook. Ze is de enige in haar familie die niet voor de suburb heeft gekozen.
Later las ik ergens dat de stad wellicht zijn beste tijd gehad heeft. Epidemiologisch gezien, virologisch en bacterieel ook, is het niet zo'n goed idee om op een kluitje te wonen. Misschien gaat mijn schoonbroer gelijk krijgen om redenen die hij niet bevroedde.