Bas

Image result for freckles




Net nadat ik schrijfvriend en Libris-shortlist-genomineerde Rob van Essen in de Bleart Injeh tegen het lijf gelopen ben, stuit ik bij de zuivel op een vakkenvuller van een jaar of dertig die, met bezweet voorhoofd, informeert of ik Engels spreek.
Bas lees ik op zijn naamplaatje. Zo heet Broer de Miljonair ook, maar die heeft nooit vakken gevuld, bij mijn weten.
Hoewel ik eigenlijk geen zin heb, antwoord ik: 'Wel een beetje. Jij niet dan?'
Bas kijkt mij aan met de deur van het koelvak open. Hij is kalend, heeft een caramelkleurige huid, en draagt een brilletje. Hij ziet eruit als iemand die te slim is om vakken te vullen, maar slimheid komt in varianten.
'Weet jij wat feckless betekent?' vraagt hij. 'Feckless en afeat, of aved, of afeet.'
Hij kijkt ernstig, moeilijk eigenlijk meer.
'Feckless,' zeg ik, 'ja, daar heb ik wel eens van gehoord, eh...' Ik denk aan freckles, daar weet ik de betekenis wel van, maar dat is wat anders.
'Heb je geen google? Tik even in op google.'
Er kan nog steeds geen lachje af bij Bas.
Omdat ik het beste met de mensheid voor heb, en nooit ongeïnteresseerd ben in taal, haal ik mijn telefoon te voorschijn. Feckless = futloos. Afeat of aved of afeet bestaat niet, hetgeen ik al vermoedde; google geeft op die lettercombinaties geen hits, hoe driftig Bas ook met zijn gehandschoende vingers op mijn schermpje tikt.
'Bedoel je defeat?'
Nee, hij bedoelt niet defeat.
'Waarom wil je dit zo graag weten?' vraag ik een paar keer, maar Bas gaat er niet op in. Dan, als ik blijf aandringen, barst hij los: 'Vanaf de babyboomer generatie, tot aan deze generatie, dat is de generatie die niets heeft meegemaakt, die narcistisch is, exhibitionistisch, initiatiefloos. Feckless dus. Ken je de uitdrukking the decline of civilization?'



Ken je die van die twee Schotten die naar Californië gingen?

Een creatieve joint

Na wat ditjes en datjes te hebben uitgewisseld over onze kinderen en huisdieren, vertelt buuf K. me dit verhaal: 'Mijn vriendin en haar zoon uit Edinburgh zouden via Amsterdam naar Californië gaan, een grote reis waarop zij zich al lang verheugde, maar bij aankomst op Schiphol – ze zouden een lay over hebben van één uur dus afspreken had geen zin – werden ze tegengehouden door Homeland Security. Zoonlief van 14 kwam the land of the free niet binnen. Hij bleek zich onlangs dusdanig te hebben misdragen dat de politie eraan te pas kwam. In paniek belde mijn vriendin, ik zat net bij de kapper met mijn kop in de verf, of ze bij mij mocht logeren. Best, zei ik. Dat heb ik geweten. Een paar uur later stonden ze bij me op de stoep. Ik moet er bij vertellen dat mijn vriendin van een jointje houdt. Het eerste wat ze doet 's ochtends als ze opstaat is blowen. Die avond zou ze met haar zoon even wat gaan eten. Komen ze om half twaalf terug van een uitgebreid diner. Ik zeg tegen haar: is dat de manier om je zoon duidelijk te maken dat wat hij gedaan heeft niet kan? Ik vrees voor een langdurige logeerpartij, met die zoon op de bank en mijn vriendin bij mij in bed. De vriendin boekt met haar stonede hoofd een hotel. Daar aangekomen, blijkt dat ze de verkeerde data heeft ingevoerd op de website. Het hotel zit vol. Terug bij mij krijgt ze met veel moeite het geld van de hotelreservering terug. Naar dat bedrag voor die vlucht naar Californië kan ze fluiten. De boot, suggereer ik, er gaat een boot naar Schotland, vanuit IJmuiden. En er gaat een bus naar de plek waar de boot vertrekt. Toen ik ze had uitgezwaaid was ik compleet uitgeput. Alsof ik was leeggezogen. Ja, van je vrienden moet je het hebben.'

Ma dame



Precies een jaar geleden was ik met mijn moeder in de Notre Dame. Ze wilde de kathedraal nog een keer zien, zei ze, en ook de beroemde gebrandschilderde ramen van Sainte Chapelle. Dat leek me een mooie smoes om nog één keer met haar naar de kerk te gaan, net zoals vroeger.
Tot onze verbazing was het niet druk die zondagochtend, en de rij die voor de ingang stond was de rij voor toeristen, niet de rij die wij moesten hebben, de rij voor kerkgangers.
Het voelde voor een keer goed een kerkganger te zijn, hoewel kerkgang ook een vorm van toerisme is.
Binnen werden we niet langs de verplichte plekken gejaagd, maar vriendelijk welkom geheten door de dienstdoende geestelijke. Geen vrouw, inderdaad, en al snel zou blijken dat vrouwen tijdens deze Gregoriaanse mis geen rol van belang spelen, of het moet het uitdelen van papierwerk zijn.
Het halfdozijn mannen dat de mis deed, kwam gezamenlijk aanzetten, en, dit vond ik ontroerend: ze knielden even voor het mariabeeld aan de zijkant van het altaar. Vrouwen zijn er om vereerd te worden in de Katholieke kerk, niet om de macht aan over te dragen, en ik kan daar tot op zekere hoogte in meegaan.
Van de preek herinner ik me niets meer. Niet omdat het Frans niet te volgen was, of het kerklatijn (dat een oud ex-vriendinnetje en gymnasiastje van me al ooit beschimpte als zijnde inferieur), maar omdat zulke preken toch zelden uitblinken in zeggingskracht.
De orgelmuziek, die op magische wijze uit de achterwand leek op te stijgen, deed dat wel.
Ik weet de naam van de organist nog, Philippe Lefèbre, omdat ik een cd van hem kocht (mijn moeder vond dit onzin), en hem heb ge-emaild met de vraag wat hij die betreffende zondagochtend speelde tussen de psalmen door.
Messiaen misschien?
Het was à l'improviste, antwoordde hij, bijna verontschuldigend.

Het paard met de wapperende tong

Alfred Stieglitz, Georgia O'Keeffe: Hands and horse skull (1931)

Paarden van dichtbij vind ik groot en eng – voor vegetariërs dan – maar ook majestueus, natuurlijk. Lieve hemel, wat een schit-te-rende beesten! Tenminste, als je een schitterend exemplaar treft, zoals mijn dochter en ik gisteren, in het bos. Zij was meteen smitten. Toen dacht ik: o ja, paarden en meisjes, een dingetje. Een fascinerend dingetje, mogen we wel stellen.
Wicked, want zo heette de zestienjarige hengst, maakte schokkerige bewegingen met zijn immense hoofd, immens in vergelijking met dat van de vijfjarige. Toch durfde ze Wicked zijn keurig gekapte manen aan te raken.
Ik ook.
'Morgen moet hij naar de tandarts,' vertelde de eigenaresse, een gracieuze vrouw met blauwgeverfd haar en een Limburgs accent.
Daar moesten we om lachen. 'Poetst hij dan ook zijn tanden,' wilde mijn dochter weten.
'Nee.'
'Hij flost toch wel?' zei ik.
Ook al niet. Maar voor de rest werd hij goed verzorgd. Gekamd, geborsteld, geknipt en vooral veel geaaid, geklopt (in zijn hals) en bereden en uitgelaten en bemoedigend toegesproken. Ik kreeg niet de indruk dat Wicked, zijn naam ten spijt, veel kwaad kon doen.
En toen stak Wicked ineens zijn slangachtige tong uit de zijkant van zijn bek (of is het mond?),  en wapperde ermee, een paar keer achter elkaar.
Wat is dat voor iets? 'Ja, daarom staat hij bekend,' zei de eigenaresse.
Ik dacht, als ik hier een filmpje van maak en op YT zet, word ik miljonair.
Mijn dochter liep even later door de manege alsof ze al een paard had.
Een geboren amazone.
Hu!

Dagboek van een onbestorven weduwnaar

Splinter

Zaterdagochtend. Mijn telefoon vind ik na lang zoeken terug onder het hoofdkussen van de bijna tienjarige, die eerst bij hoog en bij laag zwoor dat hij niet wist waar hij was. Ik laat hem zelf naar de provider bellen om de puk-code op te vragen. 'Zo bandietje, heb je een pen?' Even later zie ik dat hij ook nog op een laptop heeft geprobeerd een verboden want stom en verslavend spelletje te spelen. Ook dat had hij ontkend. 'Als je liegt, wat ik best begrijp, doe het dan wat geraffineerder. Wis je sporen, om te beginnen.'
De dochter (5): 'Ik mis mamma.' (Bis)
Zondagochtend. Ik word om 7 uur gewekt door een harde klap uit de kinderkamer, gevolgd door luid gejank. Ik spring uit bed om te zien wat er aan de hand is. Gevallen, snikt de dochter, van de trap naar het hoge bed, waar haar broer ligt. Wat deed ze daar? Gelukkig is ze troostbaar. Ze heeft alleen wat pijn aan de knietjes.
Vlak voordat de bijna tienjarige in de middag eindelijk zou worden afgevoerd naar een vier uur durend kinderfeestje (lasergamen in Spaarnwoude), komt hij over straat aan huppen op één voet: 'Ik heb een splinter!' Ik probeer het hoofd koel te houden, dat van hem en dat van mij, want splinters verwijderen is de afdeling van de moeder. Toevallig wil die net facetimen vanuit Buenos Aires.
'Weet jij waar een pincet ligt?'
'In het bakje in de zilveren la.'
De geprikte wordt met een iPad en snoep kalm gehouden, terwijl zijn splintervoet op advies van de buurvrouw wordt geweekt in een badje met soda.
Als ik diep met een speld in zijn zool peur gilt hij: 'Dit is de ergste pijn die er bestaat!'
Ineens heb ik de splinter eruit.
Het voelt als een triomf.
'Ik mis mamma.' (Bis)




Een klein hugje

Jaren zeventig stewardessenmode bij PanAm

Van een ervaringsdeskundige geleerd hoe je van het driemaal dwangkussen afkomt, gisteren op Schiphol. Althans, geleerd: deze bekoorlijke stewardess deed het bij mij, en toen wist ik: dit ga ik ook doen, maar ik ben geen stewardess.
Het werkt zo: je geeft de te kussen persoon één kus, ferm, maar, en dit is cruciaal, terwijl je de kus op de wang drukt (en die is heus wel gemeend, maakt u zich daarover geen zorgen, meer gemeend misschien wel dan de eerste van de drietrapskus), geef je ook  e e n  k l e i n   h u g j e   met de arm. Die kondig je ook al aan door je hand alvast door de lucht te laten zweven met de duidelijke bedoeling hem op de schouder of bovenrug van de te kussen persoon te laten landen. Tijdens en meteen na de kus wordt met die hand nog even geklemd. Heel even maar.
Ik heb wel eens ruw, zonder overleg of subtiele hint, de 1 x kussen als begroeting ingevoerd, maar dan staat de gekuste niet zelden enigszins verbouwereerd met de lippen naar lucht te happen.
Deze potentiële bruskering wordt voorkomen door het kleine hugje, dat zegt, non verbaal, dat dit het is, die ene kus, dat we het daarmee zullen moeten doen.
Met andere woorden: het is goed zo. Het is ook goed. Al dat kussen voor niets is nergens voor nodig.

Tijdschriften

Forthcoming

Vol goede moed stap ik Atheneum Nieuwscentrum binnen om de Anus aan te schaffen, het tijdschrift van Gabriël Kousbroek waarvoor hij niet lang geleden in persoon reclame maakte in de kroeg. Ik was er al een tijdje niet meer geweest, in Atheneum Nieuwscentrum, maar alles lag en stond er nog bij zoals ik gewend was, dus de lang aangekondigde dood van het tijdschrift (of het nieuws, wat dat aangaat), is voorbarig.
Alleen de titels zijn anders.
'Mag ik van u één Anus?' vraag ik aan de man achter de toonbank, die misschien een scheerbeurt nodig had. (Ik heb ook vaak scheerbeurten nodig, haast ik mij hieraan toe te voegen, en ik werk niet eens bij Atheneum Nieuwscentrum.)
Glazige blik. 'Even achter kijken.' De man verdwijnt. Mijn blik glijdt langs de stapels tijdschriften. Waar is de Butt, dat, dacht ik, succesvolle, ooit door Gert Jonkers opgerichte tijdschrift voor liefhebbers van jongensheuvels?
'Anus hebben we niet meer. Al heel lang niet meer ontvangen. Kutlul ook niet, trouwens.'
Jammer. Ik was wel benieuwd naar de Anus en misschien nog wel wat meer naar Kutlul, nu ik van het bestaan daarvan afwist. Maar ik moest verder. Ik rekende wat bladen af met minder wervende titels.
Wat was dat? Terrible people?
'De Terrible people vliegt de zaak uit,' aldus de medewerker van Atheneum Nieuwscentrum.
Dit verklaart veel, zo niet alles.
Ik heb hem laten liggen.

PS: Binnen een week of drie, mailt desgevraagd Gabriël Kousbroek, ligt de gloednieuwe Anus in de winkel. 'Hij moet alleen nog gedrukt worden, ik wacht op de reclame-inkomsten en dan kunnen we los.'
PPS: Butt heeft volgens Wikipedia een oplage van 24.000, en is ooit door The Guardian uitgeroepen tot een van de 20 beste tijdschriften. Weet The Guardian van de Anus?

Het beste niet slapen



O ja hoor, daar heb je d'r weer: de grote kleine verleidster. Ik had niet anders verwacht. Het is drie uur of daaromtrent. Ik had nog wel graag een paar uur willen pakken voordat de vogels gaan zingen, maar goed. Al wezen plassen? Dat eerst maar dan. O je hoeft niet? Kom er maar bij. Eigenlijk wel gezellig. Warm je maar aan ons. Straks ben je hier te oud voor en gaan we het missen. Maar nu. Nu wil ik slapen. Ik heb slaap nodig. En zo kan ik niet slapen, als jij alsmaar ligt te draaien en te wroeten en te snurken. Nee, het is geen snurken wat jij doet, jij ademt luidruchtig, elke ademhaling kan ik tot op het kleinste detail volgen, en dat is niet mijn wens. Ik kan ook niet slapen! werp je tegen. Nee. Niemand kan slapen op deze manier. Het is een lose-lose-lose-situatie. Maar, hou je vol, ik kan het beste niet slapen. Even later slaap je. Ik sta voorzichtig op, loop rond het bed en neem je in mijn armen. Hevig protest. Nee! spartel je, nu ineens klaar wakker. Nou ja, dan laat maar. Alles om drama te voorkomen. Straks nog eens proberen. Dan lukt het. Of toch niet, want ik voel naast me en jij ligt er nog, grote kleine verleidster, terwijl mijn reguliere bedgenote niet meer terug is gekomen. Die heeft zich in jouw bed genesteld. Gefeliciteerd, het is je weer gelukt. Je hebt je moeder vervangen. Net als ik toch nog naar de rand lijk te bewegen van mijn bewustzijn, op zoek naar stilte, beginnen de vogels te zingen. Het is zes uur, ze hebben groot gelijk.

Te koop: dood



Sander Pleij gaat met zijn dochter van twaalf naar een concert van tieneridool Billie Eilish (17) en zijn verslag in Vrij Nederland telt zes pagina's (inclusief, toegegeven, twee paginagrote foto's en alles bij elkaar twee pagina's wit). Zo kan ik ook een opinieblad maken. (Misschien moet ik dat maar eens doen – wie heeft er nog een paar miljoen over?) Maar goed, mijn interesse was gewekt. Ik wilde ook wel eens weten waar twaalfjarige meisjes heden ten dage naar luisteren (mijn dochter wil dit ook, maar het leek me beter dit onderzoek uit te voeren als ze in bed lag).
Billie Eilish verkoopt geen seks, schrijft Pleij, en na een van haar YT-video's te hebben gezien, kun je dat onderschrijven. Maar wat verkoopt ze dan wel? De dood.
Ik wil hier niet klinken als een angstige christenhond, een paapse moraalridder (bestaan die?) of een boreaalse fundamentalist, maar Sander, kom op, dit is zelfmoordmuziek. Leuke zelfmoordmuziek, daar niet van, maar toch.
Ik rekende even terug naar waar ik naar luisterde toen ik twaalf was – dit was in 1979, de opkomst van punk, en die van Joy Division – ook ondergangsmuziek. Somberder nog wel dan Billie Eilish, maar dan ook Engels. Amerikaanse bands kunnen somber klinken, maar de Britse klinken altijd nog een stukje somberder.
Het is onmiskenbaar een teken van ouderdom dat ik dacht dat twaalf misschien nog te jong is om aan de ondergang te denken, dan wel de dood, dat je op je twaalfde nog moet kunnen geloven in de opgang en het leven.
Maar Billie Elish verkoopt niet alleen de dood. Ze verkoopt – thank god – ook humor.

Social driver (10)



Als social driver kom je nog eens ergens; zo belandde ik gisteren in een nagelpaleis. De Aziatische eigenaresse, zo te zien althans, wilde me meteen onder handen nemen, maar ik nam plaats op een van de wachtstoelen en wees op de oudere bij het raam: 'Ik kom voor haar.'
Mijn ritje – ze was nieuw voor me – had van buiten al naar me gewenkt, met een wat gefronste uitdrukking op haar gezicht.
Ik dacht dat dat kwam omdat ik te vroeg was.
Twee vrouwen lagen in een luie stoel en ondergingen eveneens een behandeling van alweer op het oog Aziatische meisjes met een mondkapje voor. Ze keken me verlangend aan maar ik kon ze niets bieden. Uit schaamte voor mijn voyeurisme zocht ik iets om te lezen. De boeken met nagels in alle kleuren had ik zo uit. Ik hou van nagels maar vooral als er een vrouw aan zit.
Het nagelpaleis ademde nouveau kolonialisme. Op de vraag of iemand nog gemasseerd wenste te worden, antwoordde een van de twee vrouwen: 'Doe maar een voetmassage, dan kan ik tenminste blijven liggen.' Deze had nog, zag ik in de gauwigheid, leuke voeten. Die van haar vriendin waren minder. Hoe dan ook moesten alle voeten door de pedicure een stuk leuker zijn geworden. De dienstdoende Aziatische pedicuristen brachten het ene na het andere dienblad met voetresten weg. Niet alleen nagelknipsel en -vijlsel meende ik voorbij te zien komen, maar ook eeltschraapsel en ander oud vel. Misschien moest ik eens terugkomen voor mijn eigen voeten.
Mijn ritje gebaarde dat ze klaar was. Ik sprong op en hielp haar in haar oude jas. Een van haar armen maakte de verkeerde afslag, naar de binnenzak, waar een gat in zat.
'En, was het fijn?' vroeg ik, terwijl ik naast haar plaatsnam in de Heen&Weer elektrobolide.
'Wat dacht je,' riep ze uit. 'Het deed ongelofelijke pijn!'

Moeite Zelf Gedaan vs. Alleen Maar Even Knopje



Een bijna-botsing in de ochtendspits. Ik draai met mijn kinderen de drukke Amsteldijk op, dat wil zeggen, ik heb er eentje voorop, de andere fietst zelf (en dan draai ik uiteraard niet het asfalt op, zoals scooters sinds vandaag de goden zij gedankt verplicht zijn te doen; en die we, pam-pam, nooit meer terugzien) maar het fietspad waar het 'dus' heel erg druk is. De sneller dan gemiddeld naderende dame op de elektrofiets komende uit de richting van de Berlagebrug is me niet ontgaan, maar ik ga er vanuit dat deze wellicht geneigd is om wat vaart te minderen, aangezien wij geen andere kant op kunnen, wij moeten het fietspad gebruiken, met wij bedoel ik mijn fietsende negenjarige en ik, en wij zijn nog altijd aangewezen op onze spierkracht, op Moeite Zelf Gedaan, terwijl zij, de elektrodame, alleen even een knopje links of een handvat rechtsom hoeft te draaien, een microbeweging zogezegd, om vaart te minderen, en, belangrijker, nadien weer vaart te maken; het kost haar 'dus' bijna geen energie, maar kennelijk wel in haar hoofdje, want de elektrodame reageert uiterst gepikeerd als ik haar erop aanspreek dat ze ons onvoldoende ruimte geeft om de bocht te maken op het fietspad – afijn, edelachtbare, u begrijpt waar ik heen wil, de elektrodame echter niet, en dit kan te maken hebben met het feit dat ze oortjes in heeft, waarop ze ik weet niet naar wat zit te luisteren, maar die bijdragen, stel ik me zo voor, aan haar splendid isolation. Ik beeld me echt niet in dat ik meer recht heb op veiligheid, laat staan ruimte, maar ik had wel eventjes zin om die oortjes uit haar gehoorgang te trekken en te roepen: OOTE OOTE BOE!

Projection



Last night I say another pair of Shakespeare's plays being done on table top, each by a different actor, each performed within the hour, with a variety of objects, at Frascati. Why hire actors when you can have stuff? This kind of table top theatre is cost efficient, clearifying and dramatically effective. The only thing missing is Shakespeare's language.
Think a claw hammer (standing upside down) representing Malvolio in Twelfth Night, or a little vase with fake plastic flowers representing Ophelia and a beautifully slender, bottle filled with a sinister fluid representing Hamlet.
The word 'representing' is doing injustice to the performance. The objects actually act. Or more accurate: the storyteller who 'does' the play, cleverly puts life into his or her collection of artifacts by looking at them tenderly, letting them interact, letting them talk to or turn away from each other. I like that they don't overact: Malvolio is not hammering away at his detractors.
It turns out you can use anything to play anyone, but this group of British actors by the name of Forced Entertainment picked out their objects for their 36 table top Shakespeares with care. Most seemed to be coming from various kitchen cabinets, storage rooms, under the sink-spaces, garages and so forth.
What sardonic fun must the casting directors have had!
My personal favorite was a small sleek glass vase playing King Lear. When Lear realizes, at the end of the play, he has lost everything, his crown, his land, and his daughters, you really  f e e l  for him.
The last scene (pictured above) is a bloodbath. If you look carefully, you can see Lear lying down behind Cordelia, his favorite daughter: a small colorful, but empty bottle.

De saxofonist op de parkeerplaats



Een man staat saxofoon te spelen op de parkeerplaats van Gaasperplas. Niet voor de geparkeerde auto's, of de automobilisten. Zelfs niet om de vogels met hun lente-kabaal tegenwicht te geven. Hij staat daar voor zichzelf. Bij zijn auto. Met de achterklep open. En hij speelt niet zomaar wat, hij heeft partituur meegenomen, en die partituur staat op een muziekstandaard, die hij ook moet hebben meegenomen, want waar vind je dezer dagen een muziekstandaard op een parkeerplaats?
Het eerste beeld dat bij me opkwam toen ik de saxofonist op de parkeerplaats bezig zag, was dat van zijn vrouw of levensgezel. 'Als jij zo nodig, dan ga je maar...' Of: 'Niet in mijn huis, dat getoeter.' Of: 'Als jij nog een keer op die toeter van jou blaast, dan stamp ik een dakje in jouw auto.' Kan ook de buurman of vrouw geweest zijn, die dit zei. Dat maakt eigenlijk niet zoveel uit. De saxofonist is verjaagd.
Ik vroeg me af of hij het leuk had gevonden, als ik hem toch een centje had gegeven, maar voordat ik een antwoord op die vraag had kunnen geven, zei mijn vrouw: 'Doorrijden, dit gaat helemaal nergens over.'

Verkeerde aannames

Ed & Nancy Kienholz: The Hoerengracht

Ik zit met mijn raadsman romantisch te dineren in een restaurant als er drie, vijf, zeven klerenkasten binnendruppelen, kaalgeschoren, in vrijetijdskleding, die, na elkaar te hebben gebearhugd, gehighfived en gefistbumpt plaatsnemen aan de grote tafel naast ons.
Het bedrijfsuitje van de sportschool denk je. Van de boksschool. Van de Noord-Nederlandse Bodyguard Federatie. Maar navraag leert: jeugdvrienden uit de Bijlmer. Ondernemers.
Wat voor ondernemers?
'Sportartikelen. Zaak op de Cuyp... en hij daar, die heb een heel blok op de kade.'
Welke kade?
'Ruysdael.'
Met die raampjes?
'Met die raampjes, ja.' Brede lach. Tegen zijn vrienden: 'Een kenner.'
Die raampjes zijn van hem?
'De hele panden.'
Ik vertel naar waarheid dat ik op die kade eens een kennis had wonen en dat ik daar dus wel eens moest zijn om die kennis op te zoeken. Wat ik er niet bij vertel is dat ik die kennis opzocht om door hem gemasseerd te worden.
'En dan moet je dus langs die raampjes om op de bovenverdieping te komen,' vult mijn raadsman behulpzaam aan.
Brede glimlach op het gezicht van de klerenkast. 'Ik zag mijn oom een keer rondlopen op de Wallen, die zwaaide tegen iedereen links en rechts achter de ramen. Hij kende ze allemaal.'
De klerenkasten gaan eerder weg dan wij. Hun avond is pas net begonnen, vermoedelijk. Of ze gaan vroeg op huis aan, dat kan ook.



De doden hebben het maar makkelijk





Als kind vond ik het onrechtvaardig dat na de dood van een geliefde het leven doorging. 'Hoe kun je nou rustig de afwasmachine staan inruimen terwijl zus en zo net is begraven!' riep ik uit, tegen mezelf nochtans. 'Hoe kun je nou de hond uitlaten, als die en die niet meer leeft?' Of, als ik in de verte een bus zag rijden: 'Hoe kan die bus doorrijden, volgens schema ook nog, als enzovoorts? Dat  k a n  toch helemaal niet?' Het was voor mijn kinderbrein onbevattelijk dat de wereld niet stilstond, niet stil bleef staan, op een cruciaal moment als het einde van een mens. Ik beschouwde dat als een dubbele onrechtvaardigheid, want betekende dat niet dat de wereld onverschillig was?
Nu weet ik dat ik toen gelijk had, maar ik zou het anders formuleren. Ik wil rouwen, maar ik weet niet meer hoe – als ik het ooit al heb geweten. Moet ik niets doen of juist wel dingen gaan doen? Moet ik koortsachtig op zoek gaan naar foto's van de overledene of mag ik alweer aan iets of iemand anders denken? De doden hebben het maar makkelijk.
Het Joodse geloof, lees ik op Wikipedia, heeft een aantal antwoorden. Zo is er de shivve, die voorschrijft dat er zeven dagen na de begrafenis niet mag worden gewerkt door de nabestaanden, en dat vrienden de nabestaanden komen voeden en verzorgen, troosten en ondersteunen. Dit vind ik een mooi principe. Gebeurt het nog? Is het mogelijk om zeven dagen niet te werken, omringd door schermen die erom schreeuwen, of om, op zijn minst, te gaan kijken hoe anderen werken?
Muziek. Wat me het meest is bijgebleven van de herdenkingsdienst van gisteravond in de Uilenburgershul voor Joshua van der Kroft was de muziek, en dan met name het liedje To Know Him is To Love Him dat gezongen werd, op de wijze van Amy Winehouse, door een vriendinnetje, door haar tranen heen. Dat was van een hartverscheurende schoonheid en echtheid, die je leert langzaam weer van het leven te houden.

Scabreuze variaties



De havisten waren weer aan zet. Nadat ik ze in januari had verleid Zalig uiteinde, de roman die de sectie Nederlands van het Fons Vitae in de persoon van Rik Planting zo aardig was om op de literatuurlijst te zetten (sorry als dit niet grammaticaal correct is), ook daadwerkelijk te gaan lezen, en zij er zowaar een MC toets over hadden gemaakt, mede samengesteld door mijn oude juf Anja Verberne (driewerf hoezee), mochten ze gisteren hun eigen Zalig uiteinde, lees: Scabreuze Variatie, componeren.

'Weet iemand van jullie wat scabreus betekent?'
Stilte.
'Schunnig, dan?'
Geen antwoord.
'Obsceen?'
Ze wisten het niet.
Van geil hadden ze wel eens gehoord.
Ik had de lat te laag gelegd, want toen kreeg ik vooral slechte porno (met een voorkeur voor anaal, seks met dieren en familieleden) terug, al dan niet in straattaal. Misschien had het ermee te maken dat de klas voor het overgrote deel uit jongens bestond. Bij de tweede havo 4 klas ging het al iets beter, maar bij de derde klas had ik erbij gezegd: 'Geen porno graag.'
Muziekje aan en 'shut up and write'. Het resultaat was boven verwachting. Bijna alle leerlingen bewogen hun pen over papier, al dan niet met de tong uit de mond, in een poging woorden aaneen te rijgen die samen, zoals ik had gevraagd, appelleren aan een universele emotie, én origineel zijn. Tenminste twee van de in 9 minuten geschreven ZKV'tjes deden niet onder voor die van A.L. Snijders.
Leerkracht Gerrit van der Heide (vijfentwintig jaar ervaring en eveneens afkomstig uit Eindje) zei dat dit ook de klas was die het hoogste had gescoord met de toets. Er is nog hoop voor het Nederlands.

Social driver (9)

Image result for gehaktmolen kunstwerk
K.V.N. Steampunk

Om ouderen hangt een zeker patina, een laagje van lievigheid, van zachtheid, van mildheid, tenminste, zolang er geen dementie of Alzheimer in het spel is, maar wat ik gister meemaakte in de lobby van het woonzorgcentrum had ik nog niet eerder meegemaakt: twee dames op leeftijd die gehakt van elkaar maakten. Althans, dat probeerden ze. De setting: dame 1, lekker doorrookt gezicht en dito stem, gezeten op een fijne stoel, met haar pakje sigaretten in de aanslag, benen over elkaar, die tegen mij haar levensverhaal in tien zinnen uit de doeken deed: 'Ik heb er geen zin meer in hoor, op mijn kamer te zitten... Mijn dochter is 41 jaar. Die is mijn man te lijf gegaan met een mes. Ze heeft anderhalf jaar moeten zitten. Mijn man is overleden aan een hartaanval. Voor mij hoeft het allemaal niet meer. Ik ben veertig jaar cassière geweest...'
Terwijl ik dit verhaal tot me probeer te laten doordringen, komt dame 2, aanzetten, 'hooggrijs', zuinig mondje, ze zet muizenstapjes achter haar rollator, is op weg naar de stoel naast Dame 1, maar ze rijdt haar rollator tegen de voet van dame 1, die hierop uitroept: 'Hé, kijk eens uit waar je rijdt, godverdomme.'
'Jij moet je been intrekken, dan kan ik er langs.'
'Nee, jij moet beter uitkijken waar je gaat. Kutwijf.'
'Goochem.'
'Kutwijf.'
Ad infinitum.

Een uppercut van de dood



Het is lang geleden dat ik verslagenheid voelde, maar sinds mijn Amerikaanse neef Joshua van der Kroft Glanzberg vrijdagavond op vreselijke wijze verongelukte op een metrostation in West, is het die emotie die mij uit mijn slaap en van mijn werk houdt.
Josh is een bijzondere achterneef van mij die ik in New York heb zien opgroeien, en met wie ik, toen hij in Amsterdam ging studeren, close werd, mede omdat zijn vader (mijn meest dierbare neef) in Amerika bleef.
Eerst kwam uiteraard de schok, schok vermengd met ongeloof, ongeloof vermengd met schok; daarna boosheid vermengd met verdriet, verdriet vermengd met boosheid, tenslotte vooral verdriet; plus nog schuldgevoel, medelijden en machteloosheid – en toch ook nog, als ik heel eerlijk ben, een vreemd soort, pervers genot, dat hoort bij het hebben van heftige emoties. Wie huilt voelt weer dat hij leeft. En niet dood is, zoals degene om wie hij rouwt.
Tussen de bedrijven door probeer je te begrijpen, angstvallig vat te krijgen op het onbegrijpelijke, en hulp te bieden, ook als je weet dat je niets kunt doen.
De emotionele uitputting leidt weer tot kleine botsingen met de geliefde, omdat die zogenaamd niet, of onvoldoende, begrijpt hoe jij je voelt. Waarna je gelukkig weer troost bij elkaar kunt vinden. Waar anders? Ja, in muziek. En literatuur, misschien. Wandelen. Drank.
Nu, 48 uur na het nieuws, overheerst de verslagenheid. Het gevoel murw te zijn gebeukt. Alsof je in een bokswedstrijd een uppercut krijgt van de dood, die je niet zag aankomen, en die je doet wankelen op je poten.