De bloedkraan

Maxime André Taccardi

Hoe het gaat? Nou een hele toestand, hoor, ik heb net mijn kies laten uitsnijden, dat was een gedoe. Uitsnijden ja. Niet trekken: snijden. Mijn tandvlees was alsmaar verder opgetrokken en op een gegeven moment moest die kies eruit... nee, niet ontstoken, maar hij moest er wel uit... Geen lamme kaak meer nu, dank je wel voor de belangstelling, de verdoving is uitgewerkt, maar daarvoor is pijn in de plaats gekomen. Ik slik wel pijnstillers maar die helpen amper... Godsamme zeg... maar gisteren had ik een ander probleem, ik bloedde als een rund, en de tandarts – prima tandarts daar niet van – had nadat hij de wond had dichtgenaaid een soort van tampon in het gat gestoken, om het ergste bloed te stelpen. Goed, zit ik thuis op de bank, een beetje bij te komen, vliegt die totaal met bloed doordrenkte tampon ineens uit mijn mond, waardoor de bloedkraan weer wijd openstaat... Net op dat moment kijken er een stel van die werklui naar binnen, mijn flatje in, ze zijn al weken bezig met de gevel, nou en die zien hoe het bloed uit mijn mond gutst, dat moet een gezicht zijn geweest! Ik schaamde me diep. Ze roepen: mevrouw nou toch! Wat is er aan de hand? Dat ziet er niet zo best uit. Moeten we uw kinderen bellen? Ik zeg nee, aan mijn kinderen heb ik niets in dit geval... 112 dan? Nee, ook niet! Laat maar! Ik probeer met handen en voeten duidelijk te maken, want ik kan natuurlijk nauwelijks praten, dat ze niks kunnen doen, ik kan moeilijk vragen of ze een schone tampon terug willen stoppen in dat gat... Nou, uiteindelijk lieten ze me maar met rust... En nu? Ik kan niks eten, uit angst dat ik die wond openrijt en de bloedkraan weer open gaat. Yoghurt ja, maar je kunt niet de hele dag yoghurt eten, dan komt de yoghurt je echt de neus uit... Soep. Ja. Soep. Maar dan moet ik wel zorgen dat die soep voedzaam is en niet te heet... nou ja, ik geloof dat het ergste nu wel achter de rug is; hoewel, zeker weten doe je het nooit.... maar jongen, hoe gaat het eigenlijk met jou?

Niet moorden tijdens het eten



Ik ben nog niet aan boord van het oude romantische scheepje dat ons naar Vuurtoreneiland moet brengen of de cider, mij zo vriendelijk aangeboden door de alleraardigste ober, gaat tegen de vlakte op het stalen bovendek waar ik met drie dozijn medepassagiers van de ondergaande zon boven de Amsterdamse wateren wil genieten. Het glas patst uiteen in duizend stukjes. De cider zit op mijn zojuist gestoomde pak.
'Dat was mijn pak,' zeg ik, tegen niemand in het bijzonder.
De medepassagiers gapen mij zwijgend aan als in een absurd toneelstuk.
De Grote Vreugdebrenger staat met de schipper te kletsen als ik met plakbroek voorbij kom. 'Ik wil wijn,' voegt ze me toe, in de veronderstelling dat de cider bier was.
Bij de bar vraag ik om stoffer en blik. 'De scherven kunnen het water in,' zegt de ober. Mijn idee.
Als we ons hebben geïnstalleerd, en de boot met opmerkelijke snelheid koerst richting IJ-meer, maken we een praatje met onze buren, twee bolle dametjes van middelbare leeftijd (mijn leeftijd, dus) uit Missouri.
En wij maar denken dat we op een uitje zijn voor Amsterdamse insiders.
Ik kijk naar de worstige, gemanicuurde vingers van de goedlachse Amerikaanse. Haar nagels doen denken aan cocaïne-schepjes. 'We wisten niet dat het een romantische dinercruise was! Alle uitleg was in het Nederlands! Ik heb gewoon maar overal ja op geklikt op de website!' En nog steeds hebben ze geen idee.
'Op het eiland moeten we al onze kleren uittrekken,' zeg ik. 'Het menu bestaat uit gepocheerde schaap vooraf, als hoofdgerecht gefermenteerde schaap en gecarameliseerde schaap als toetje. Houden jullie van schaap?'
Nee, maar ze hebben het erg naar de zin. 'Amsterdam is a city like no other.' Een waarheid als een koe.
Bij het eiland aangekomen is de avond gevallen. Er hangt een esoterische sfeer. Alsof we toetreden tot een geheim genootschap.
'Wie gaat er vermoord worden vanavond?'
'Jij,' antwoordt de Grote Vreugdebrenger.
We krijgen een tafeltje toegewezen in het tot restaurant omgetoverde fort. 'Hier waren in 1870 negentig soldaten gelegerd,' vertelt de ober. 'Ze maakten onderdeel uit van de Stelling van Amsterdam, maar ze hadden niets te doen.' Slim: om vijandige schepen op afstand te houden was het water rondom volgestort met zand; op enkele plaatsen is het nog steeds niet dieper dan twintig centimeter.
Ik zie die vijandige schepen voor me, vastlopend in de verte.
Nu houdt de ondiepte de pleziervaart op afstand, vertelt de ober.
De menukaart is minimalistisch, men heeft moeite gedaan zo min mogelijk informatie prijs te geven over de gerechten, maar dat geeft niet, want ze smaken uitstekend.
Ik stoor me aan de luid-sprekende Brit aan de andere kant van onze eetzaal, die te veel gedronken heeft. De akoestiek van dit fort is matig. Als de glazen deur met een onheilspellende bonk dichtvalt, zeg ik: 'Daar komt de Vuurtoreneilandkiller.' Maar er komt geen killer. Er wordt niemand vermoord, vanavond, dus we zullen het met elkaar moeten doen. Dit lukt wonderwel. Goed voor de liefde.

Het einde van de opgetrokken wenkbrauw



Ik was zo lelijk dat mijn moeder zei: het enige wat jij nog kunt doen is inbreker worden. Toen ik werd opgepakt en in de gevangenis gegooid, lachte mijn moeder dat ik me met mijn uiterlijk geen zorgen hoefde te maken om gesodomiseerd te worden, maar daar had ze het toch echt mis; ik was elke dag de klos.

Ik vind zulke mopjes leuk, maar ik merk dat ik de enige ben die lacht, als ik Who is America? kijk. Tuurlijk, Sacha Baron Cohen's typetjes zijn niet allemaal even geslaagd, sommige zijn flauw – met name Gio de glamour-fotograaf, hoewel hij gisteravond toch ook weer een glimlachje bij me teweegbracht toen hij een of andere witte nep-rapper in zwembroek portretteerde wiens geslacht wat magertjes uitkwam, en Gio er 'dus' een armpje van een plastic babypop (eerst een witte, toen een zwarte), bijstopte om de boel wat op te pompen; uiteindelijk piepte er op de foto een zwart handje onder de rand van de zwembroek uit.
Wat mij kietelt is het kennelijke gemak waarmee Baron Cohen goedgelovige Amerikanen tot absurde handelingen kan aanzetten, of de pokerface waarmee hij hen beweringen voorlegt die geen enkele tegenspraak oproepen.
Ik vrees trouwens dat zulke goedgelovigheid steeds minder exclusief is voor de Amerikaanse volksaard.
De redneck-'journalist' die voor TruthBrary.org krankzinnige theorieën ontvouwt om Donald J. Trumps seksisme goed te praten, veroorzaakt bij zijn toehoorder geen opgetrokken wenkbrauw. 'Dus als Trump de president van Venezuela uitmaakt voor Miss Piggy dan moeten we dat opvatten als een compliment, omdat Miss Piggy de meest aantrekkelijke is van de Muppets?'
'Dat weet ik niet,' is het meest sceptische wat zijn toehoorder, een oud-campagnemedewerker van Trump, uit weet te brengen.
Als de humor gaat schuren, als SBC erin slaagt zijn goedgelovige Amerikanen tegen het randje aan te duwen, of er net overheen, is hij op zijn best. Gisteren gebeurde dat toen hij als Britse ex-gedetineerde Rick Sherman (zie het mopje hierboven), alias DJ 5olitary, in Florida een set mocht draaien met tracks die hij had gemaakt op basis van geluiden uit de gevangenis. 'Hier hoor je hoe iemand gesodomiseerd wordt!' kraait hij door de microfoon boven de dansvloer. De menigte valt stil; eindelijk! denkt men: dit is niet leuk meer.
Maar als de verontrustende geluiden overgaan in een beat, beginnen ze allemaal weer uitzinnig te dansen, uitzinniger nog dan daarvoor.
'Ik ben trots op je!' roept een schaarsgeklede Amerikaanse clubber na afloop.
'Dus ik krijg een BJ?' reageert DJ 5olitary. 'Want DJ's krijgen toch BJ's?'
'Niet van mij,' zegt het meisje. 'Maar ik ga proberen te zorgen dat je er een krijgt.'
Meesterlijk. Want het laat zien dat goedgelovigheid niet alleen dicht aanleunt tegen domheid, maar ook tegen goedheid.

You Should Be Dancing, Yeah



Zaterdagavond op de Zeedijk. Mensen kijken. Verwachtingsvolle mensen. En ze zijn met velen. Uit alle hoeken en gaten. Op hun gezichten staat geschreven: vanavond gaat het gebeuren. Vanavond ga ik los/ plat/ leeg etc. Saturday Night Fever. Je moet hier een klein studiootje opzetten, zeg ik tegen teerbeminde, en dan al die koppen, die verlangende koppen, een voor een, of per groepje, fotograferen, en daar een boek van maken: Zaterdagavond op de Zeedijk. 
Ik zal het in overweging nemen, zegt ze. We zitten al een poos op het bankje voor whiskybar/biercafé Zilt te eten en te drinken, met mijn gesprekspartner sinds 1983 en Popje, in afwachting van de opening van Nachtbar/Nightpub San Francisco, waar we willen dansen. Het eten heb ik bij de Thai een eindje verderop gehaald. In een piep–, piepklein keukentje worden in hoog tempo, op twee hoge vuren, in twee reusachtige pannen, een heleboel maaltijden bereid door een kok die zich niet gek laat maken. Een New Yorks tafereel. Mooi.
Eindelijk komt er een man aan die de San Franciscobar binnen gaat en de lichten aandoet. Ik spring hierop van het bankje omhoog en rammel aan de deur. Nog steeds op slot. En de deurbel indrukken heeft ook geen zin. Ik ben te vroeg. Story of my life.
Even later doet dezelfde man eindelijk de deur van het slot en mogen we naar binnen. We stuiven de dansvloer op: die is nu van ons, en swingen alsof onze levens ervan afhangen. You Sexy Motherfucker. Teerbeminde doet haar ontroerende stuiterdans, terwijl Popje slangenbewegingen maakt rondom mijn gesprekspartner sinds 1983, en ook, uit pure geestdrift, buiten in de deuropening als stoepier verlangende voorbijgangers binnenlokt. En verdomd, onze voornachtelijke balts doet meerdere mensen besluiten de San Francisco binnen te gaan.
Dit moeten we vaker doen.


Turkse muts



Altijd gedacht dat Smashing Pumpkins* was vernoemd naar een staaltje jeugdig vandalisme, maar toen ik gisteren een joekel van een pompoen probeerde in stukken te hakken, een zogenaamde Turkse muts, kwam ik erachter dat die praktijk ook culinaire noodzaak kan zijn. Ik had mijn hakmes in het gevaarte gestoken, maar kreeg hem er niet meer uit. Dus toen heb ik het stuk groente tegen de grond gesmeten. Dat ging goed; misschien te goed, want er stuiterde een brokstuk omhoog, dat vervolgens pijnlijk in mijn nek landde.
Enfin. Aan die Turkse muts zit een verhaal, anders was ik er niet over begonnen. Een maand of zo geleden had ik me door de Grote Roerganger laten verleiden een bootreis te maken van Spaarndam naar de Amsterdamse Rivièra. De kortste weg voert over het kanaal, via het IJ naar de Amstel, maar ik had geen zin in enorme vrachtschepen. Ik wil best varen, graag zelfs, maar nog niet ten onder gaan. Ten onder gaan kan altijd nog.
Het werd dus de toeristische route, over het Spaarne en langs de Ringvaart, bij het Cruqius-gemaal – een route die twee dagen in beslag bleek te nemen.
Goed. Waar blijft die Turkse muts?
Hier: toen het op dag 1 begon te schemeren, legde ik aan, ergens tussen Zwanenburg en Amsterdam en legde mijzelve in het vooronder te rusten. Toen ik 's ochtends bijkwam,  nogal groggy inderdaad, ontdekte ik aan de overkant van de dijk een zorgboerderij. Ik dacht: het lijkt me sterk als een zorgboerderij aan een halve verstekeling geen koffie schenkt. Ik bel en klop aan: niemand, maar de deur was wel open en nu ben ik goed opgevoed, zoals u weet, maar mijn verlangen naar koffie was sterker, dus ik betrad de doodstille keuken en bediende mezelf.
Wie wil nog weten waar die Turkse muts is?
Hij lag buiten in de tuin, in zijn eentje, temidden van andere pompoenen. Niet dan nadat ik twee euro had achtergelaten in het daartoe bestemde potje, hees ik hem aan boord.
Overigens, de pompoensoep mislukte.

*Fijne Dancing in the moonlight- cover.


Doodsobsessie (slot)

Anne-Louis Girodet: 'La mise en tombeau d'Atala' 

Je zou misschien verwachten dat het bijwonen van de eerste 'live' uitvaart, zij het van een verre 'tante', wat losmaakt bij de vijf- en negenjarige met hun doodsobsessies (de negenjarige heeft als jongen trouwens eerder een moordobsessie); dat het culmineert in een verering van Thanatos, of iets dergelijks, maar niets is minder waar.
'Wat is dit saaaaai!' zeurt de vijfjarige al na vijf minuten tijdens de herdenkingsplechtigheid in het crematorium in de halfvolle aula, waar wij, tactisch gezien achterin gaan zitten om een early exit mogelijk te maken. Als ze alle figuurtjes op haar Magic Color Rope heeft gemaakt die ze kan (twee: kop en schotel, en eiffeltoren), hijs ik haar rechtstandig op mijn schoot zodat ze beter zicht heeft op het podium.
'Zie je die kist?' fluister ik.
'Ja.'
'Daar ligt de dode in.'
Bo-ring. Liever maar weer het Magic Cord in oma's gezicht spannen totdat ze zegt 'hou op' en aan mijn wang trekken en zeggen dat ik zo'n oude huid heb. Veel leuker.
'Gaat die kist ook in de oven?' wil de 9-jarige, aan de andere kant, weten.
Ik knik. 'Maar dat maken wij, vrees ik, niet mee.' Er zijn zoveel manieren om een uitvaart  aantrekkelijker te maken, maar je moet je afvragen of je dat wil.
Even later stoot de negenjarige me aan. 'Pap, ik verveel me zo!'
Het kindergejammer wordt effectief gesmoord met een Twix.
Als de herinneringen aan de overledene zijn opgehaald en de muziek is gespeeld (mijn gesprekspartner sinds 1983 schittert met zijn elegante elegie Nancy in the Sky), mogen wij, omdat we achterin zitten, als een van de eerste afscheid nemen. Ik overweeg een hand op de kist te leggen, of de hoek even aan te raken, maar zie daar vanaf. Zo goed ken ik haar niet. Dit zou als pathetisch kunnen worden geïnterpreteerd door de familie op de eerste rang. Bovendien nodigt de opstelling niet tot aanrakingen uit; de kist is te diep weggestopt tussen de bloemen. Blijft over: de portretfoto van de overledene goed bekijken. 'Kijk, dat was Rita,' fluister ik tegen de vijfjarige.
Daar is ze stil van.
Maar niet voor lang.
Ik vraag me af wat haar reactie was geweest als ze in de kist had mogen kijken.
Hoe dan ook hoop ik van harte dat het onderwerp voorlopig weer even in de ijskast kan.

Doodsobsessie (3)

Diane Victor: Fader

In de aanloop naar de eerste uitvaartplechtigheid, morgen in Eindhoven (het 93-jarige moedertje van mijn gesprekspartner sinds 1983 blies haar laatste adem uit), die we en famille bijwonen, is het onderwerp 'dood' en wat daarna zoal gebeurt bij zowel de vijf- als de negenjarige nog wat meer gaan leven. Aan de eettafel hebben zich twee kampen gevormd: een crematie-kamp en een begraven-kamp. De Grote Vreugdebrenger en de 9-jarige hebben zich als pro-begraven ontpopt, terwijl de vijfjarige en ik ab-so-luut gecremeerd willen worden.
'Je wil toch niet in het vuur worden gegooid?' zegt de negenjarige tegen zijn vijfjarige zus. 'Weet je hoe heet dat is?'
'Jawel, dat willen wij wel,' antwoord ik namens haar. 'Liever branden dan rotten.'
'Rotten duurt tenminste lang,' werpt hij tegen. 'Zo blijft je lichaam langer bestaan. Wordt er langer aan je gedacht.'
'Leuk verzonnen, maar je gaat stinken. Denk aan al die maden, wormen en vliegjes die met jouw vlees aan de haal gaan.'
'Wij hebben niets tegen wormen,' brengt de directrice van het Wormenhotel naar voren.
'Cremeren is hygiënischer, economischer en beter voor het milieu.'
'Wij willen een graf. En jullie krijgen er ook een als wij het voor het zeggen hebben.'
'Wij willen as. In een mooie urn.'
De kampen blijven hopeloos verdeeld, naderen elkaar geen millimeter, hoewel ik heel even twijfel in de ogen van de vijfjarige meen waar te nemen als de stoffelijkheid van as tot haar doordrong; ze wist plotseling niet meer zeker of dat wel was wat ze wilde: as worden.
Ik weet het ook niet. Misschien is vriesdrogen toch beter.
Bij het tandenpoetsen merkt de negenjarige op: 'Misschien gaat papa niet als eerste, want je kunt ook aan kanker overlijden. Of worden vermoord.'
De vijfjarige begon weer over die scene uit een film van Alex van Warmerdam, waarin een vrouw een man neersteekt in een aftands boshuis. Die scene had ze per ongeluk langs zien komen op de Van Warmerdam-tentoonstelling in EYE. Ik had mijn hand voor haar ogen gehouden, ter bescherming van de tere kinderziel, maar ze had mijn hand er weer van afgetrokken.

Gecornerd

M.C. Eschers laatste werk, Ringslangen (1969)


Net voordat ik de luxe supermarkt betreed – als vers gesubsidiëerde merk ik dat mijn bestedingspatroon een fractie omhoog gaat – word ik gecornerd door een figuur die op hoge toon beweert mij te kennen van vijfentwintig jaar geleden, of daaromtrent, en inderdaad, als hij voor me staat, druk gebarend, doet zijn rossige, ongeschoren, jongensachtige facie bij mij in de verte ook wel een belletje rinkelen.
Wat blijkt, we werkten beiden in de eerste helft van de jaren negentig voor het Rotterdams Filmfestival. Hij was huisfotograaf. Ik tikte stukkies voor de Festivalkrant.
Hij is nog steeds fotograaf, vertelt hij, terwijl hij iets dichter bij me komt staan, en zijn vrije arm (in de andere houdt hij boodschappen) in de lucht beweegt voor mijn gezicht, om zijn punt te maken. Het is een wezenskenmerk van het corneren, dat de gecornerde continu het idee heeft dat hij geen kant op kan. Telkens als ik een stapje terug doe, verder tegen de gevel van de winkel aan, doet hij een stapje naar voren.
De fotograaf vertelt dat hij thans goede zaken doet in de herpositioneringsbranche. Professionals van divers pluimage – uit alle delen van de wereld, als ik hem mag geloven – kloppen bij hem aan voor de vormgeving van een nieuwe gedaante.
Men wil zich voortdurend anders profileren op sociale media en wat dies meer zij, om zijn/haar boodschap nog beter voor het voetlicht te brengen, of zoiets.
'Je maakt dus portretfoto's?' zeg ik.
Ja, maar dat is maar een heel klein deel van wat hij doet. Het is een heel pakket aan diensten, dat hij levert, in samenwerking met bureau's.
Ik knik, hopende dat hiermee het onderwerp is afgesloten.
'Kom jij ook maar eens langs,' grinnikt de fotograaf.
'Dat kan ik niet betalen,' lieg ik, want ik kan het sinds kort waarschijnlijk wel betalen, maar ik heb er geen zin in.
Onder wederzijdse valse getuigenissen van interesse voor een follow up in de nabije toekomst laat de fotograaf mij eindelijk gaan.

The challenges of a long distance friendship

Ron Mueck: Dead dad

I'm trying to be a friend for my friend in Minnesota; a better friend than his next door neighbor, but I'm not very successful.
His father just died. Indeed, the father had just turned 80, but still. Also, one of his sons suffers from school anxiety. I'm not sure what this is exactly, but it worries him, my friend, so it worries me.
When I suggest to FaceTime him, he says: no, maybe not, I'm a little down at them moment.
'Let me talk you up,' I counter, optimistically. If friendship isn't about forced optimism, I don't know what it is about.
We agree to FaceTime that night, at 9 o'clock my time (2 o'clock his time). When 9 o'clock comes, 9.30 looks better, so I email him if that's okay. He prefers to move our FT-date to late afternoon.
I stay up until 11.30 PM (I go to bed early these days, the late night doesn't do it for me anymore), and finally we 'meet', that is: on my iPhone, I'm looking at his face, or more specifically: his unshaven jaw. Also, I peer into his – unplucked – nostrils.
Maybe it is because he is driving at the same time.
Anyway, my friend looks unhappy. 'Sorry, I can't smile,' he says.
The 'FaceTime' we're having is frustrating. He keeps talking about how he worries about his son, whereas the son, as far as I can tell, is doing fine – under the circumstances. But he doesn't want to talk about other things that may be on his mind.
His father, for instance.
The next morning, I email him to tell him that I worry about him. I suggest we should write. Writing beats talking, if you know how to write.
But then, a few hours later, when I am in my car, he FaceTimes me again, to tell me how he appreciated my email. Now I can see his jaw is shaven. And he smiles. Then, he starts talking about his son again, and how he worries about him.
I interrupt to say that my battery is low and that my phone is going to die soon.
'Okay, we can talk for a minute,' he says.
The next moment my phone dies. Our FaceTime dies with it.
I wish we could write long emails to each other.

Dankbare hond



Het aanvragen en, drie maanden later, ontvangen van subsidie, in mijn geval van het Letterenfonds, voor een nog te schrijven roman, kan, als de zon schijnt, worden gezien als de niet helemaal toevallige toekenning van een literaire prijs.
Als de zon niet schijnt lijkt zo'n subsidie verdraaid veel op bijstand.
'Maar je kunt toch alsnog bijstand aanvragen?' riposteert mijn vader, als ik hem bel met het nieuws van mijn subsidie en mijn bijhorende redenering, hierboven uiteengezet.
'Denkelijk niet. Ze zullen eerst willen dat je de fooi van het Letterenfonds opmaakt.'
'Daar weten ze toch niks van?!'
Ik probeer mijn vader, die de oorlog nog heeft meegemaakt, uit te leggen dat de Nederlandse subsidie-instanties naïef zijn – dat kan ook niet anders, als ze cynisch zouden zijn zouden ze überhaupt geen subsidie verschaffen – maar ook weer niet  z o  naïef. (Men moet met de billen bloot bij de Sociale Dienst; een goede reden trouwens om er geen beroep op te doen, maar dat is een ander verhaal.)
Eerst nog even joechei! Driewerf hulde, dankzegging, blote knietjes etcetera voor de €15.600 (zegge vijftienduizendzeshonderd euro) die de commissie behaagd heeft de kant op te laten komen van deze oeuvrebouwer voor het project getiteld Waanzin.
Gisteren, bij de boekpresentatie van De goede zoon van Rob van Essen, fluister ik Elke Geurts, wier naam ik ook op de brief van het Fonds had aangetroffen, in het oor: 'Ik kreeg 15 mille. Jij?'
'21. Maar dat vond ik eigenlijk wat aan de lage kant.'
Aan de lage kant?
En waarom krijgt zij... en ik... omdat zij eh, grotere tanden heeft?
'Wanneer een andere schrijver een hoger bedrag toegekend krijgt zou je daaruit kunnen afleiden,' laat de altijd weer bijzonder behulpzame Jacques Huiskes van het Letterenfonds desgevraagd weten, 'dat dat eerdere werk beter beoordeeld werd, en/of de kwaliteitsontwikkeling van het oeuvre significanter is en/of er het werkplan positiever werd gewogen.'
Soms, maak daarvan: heel vaak, verlang ik naar die rijke dame in New York die kunstenaars (overigens allemaal vrouwen en geen schrijvers) die zij goed vond zomaar pats boem 25000 dollar schonk met de mededeling: 'Carry on.' Niks werkplannen en significanter en meer van dat soort bullshit. Maar wie ben ik?



Twee familiefeesten



Ineens begrijp ik, toegegeven: ik ben wat traag van begrip, dat ik twee familiefeesten achter elkaar heb gehad, beide in Rotterdam. Het eerste feest was in Hotel New York. Het tweede in Crooswijk, de armste postcode van Nederland (volgens het Sociaal Cultureel Planbureau althans, die zich op verouderde cijfers baseert, want de yuppificatie aldaar is in volle gang). De persoon met de hoogste maatschappelijke functie op het eerste feest was hoogleraar. De persoon met de laagste maatschappelijke functie op het tweede feest was concierge (of schrijver, natuurlijk). Aantallen tatoeages, voorzover zichtbaar natuurlijk, op het eerste feest: 1. Een kunstzinnige, op de onderarm van een nicht die op de kunstacademie zat. Op het tweede feest: 1, en wel bij een 81-jarige. Ik vroeg die 81-jarige hoe die tatoeage, bestaande uit een hartje met een pijltje erdoorheen, op zijn bovenarm, daar zo kwam. 'Dat zal ik jou eens vertellen, jongen,' zei de getatoëerde, Oom Gé genaamd. 'Ik was een jaar of 17. Ik was naar een voetbalwedstrijd van mijn broer wezen kijken, en daarna gingen we wat drinken in de kantine. Toen ik genoeg had gedronken, wist ik dat ik een tatoeage moest hebben. We gingen naar Tattoo Bob, of hoe hij heette. Hoe ik er op ben gekomen om een hartje met een pijl er doorheen te laten zetten, weet ik niet. En ook niet waarom er geen naam bij staat.' Wat vond zijn moeder ervan? 'Nou, die schrok wel. Ze zag het pas toen ik een keer uit de douche stapte. Mijn vader zag het nog veel later, want die werkte op de sleepvaart, die was nooit thuis. Toen hij thuis kwam was hij ook niet zo blij met mijn tatoeage, maar ja, hij zat er.'
Nog een verschil tussen de twee feesten: op het eerste feest werd beschaafd gedanst helemaal aan het eind, ook door het 84-jarige feestvarken, terwijl op het tweede feest werd gedanst helemaal aan het begin, door twee honden. Er was een huishond, en er kwam een hond op bezoek. Op hun achterpoten maakten ze een dansje, en daarna gingen ze grommen en vechten. Een boeiend schouwspel.

Vreugde



De Grote Vreugdebrenger kwam vanochtend op het uitstekende idee om in bed kantoor te houden. Dat ging boven verwachting, al moest ik haar wel af en toe tot stilte manen. Ik kan niet goed kantoor houden met geluid om me heen, ook niet in bed.
's Middags had ze nog een goed plan: naar de film. Dat kon, omdat de van ons afhankelijken een double date hadden.
Ik liet me verrassen, maar ik had wel een vermoeden, dat ook bleek te kloppen: 'Maria by Callas'. De wereld is in te delen in zij die ooit het geluk hebben gehad Callas levend te zien en te horen zingen, en zij die dat geluk niet hebben gehad en die zich moeten troosten met de Callas-afgeleide Angela Gheorghiu. Voor wie tot de laatste categorie behoort, zoals wij, is een bezoek aan deze hagiopic helemaal geen straf, integendeel.
Io sono l'amore, zingt ze aan het eind van Chenier's La mamma morta. Een goede samenvatting van haar 53 jaar durende leven, waarin zij de liefde maar ten dele vindt (bij ene A. Onassis). Meerdere keren verklaart ze dat ze haar carrière onmiddellijk aan de wilgen zou hangen voor een gezin, 'het grootste goed op aarde'.
Indrukwekkend zijn de close ups van Callas in concert. Als zij Casta diva inzet, of Ah! Quanto cielo, mijn god, dan breekt de hemel doormidden. Haar halsslagaders staan op springen, haar ogen puilen uit, haar handen grijpen om zich heen, op zoek naar houvast, maar uiteindelijk zit er niets anders op dan zichzelf te omarmen.
Deze documentaire, waarin alleen zijzelf aan het woord is (al dan niet via voice over), in talloze interviews, bevat weinig nieuws, maar des te meer intieme momenten. Ik hield al van haar, maar nu nog meer. Mijn ogen werden vochtig, maar dat worden ze al gauw dezer dagen.

Doodsobsessie (2)

Caravaggio: Dood van Maria

Terwijl wij 's avonds terugrijden naar huis, is het weer zover. De vijfjarige vuurt vanaf de achterbank vragen op ons af, de dood tot onderwerp hebbende.
'Als ik dood ben, word ik dan gegraven?'
'Ja,' antwoord ik iets te enthousiast, 'dan ga je in een kist en die kist wordt begraven. Er is trouwens ook nog een andere manier – .'
'Laat die nog maar even achterwege,' kapt de Grote Vreugdebrenger mijn uitleg over de verschillende uitvaartmogelijkheden af.
Het is even stil, maar niet voor lang. 'Papa, ga ik naar de hemel?'
'Ja, als je dood gaat, ga je naar de hemel.'
'Waar is de hemel?'
'In de lucht. Het is een hele fijne plek, waar je eeuwig vakantie viert.'
'Daar geloof ik niks van... Hoe kom ik daar dan?'
Net als ik een vertoog over zielsverhuizing en transsubstantiatie wil afsteken, breekt de negenjarige in. 'Ik geloof niet in de hemel. Ik geloof dat als je begraven wordt de kist naar beneden zakt. Verder de grond in.'
'Iedereen mag geloven wat hij wil.'
Ik weet dat ik nog niet van haar vragenvuur ben verlost, maar nu komen er emoties bij. De vijfjarige is verdrietig bij het idee dat ze gaat sterven. Ik probeer haar te troosten met het idee dat haar dood nog lang, heel erg lang op zich zal laten wachten, misschien wel een eeuw, maar dat idee maakt weinig indruk op haar omdat haar besef van tijd onderontwikkeld is. Zo kan ik haar met gemak laten geloven dat ik twaalf ben, maar dat zegt misschien meer over mij.
'Kan ik nog terug in de buik van mamma?' wil ze weten.
'Nee. Te groot.'
'En als ik vier was, kon ik dan terug in de buik?'
'Ook te groot.'
'Drie?'
'Nog steeds te groot.'
'0?'
'Ja, als je 0 was, zou je terug in de buik kunnen, maar dan zegt de buik: jij moet er meteen weer uit... Waarom wil je zo graag terug in de buik van mamma?'
'Dan duurt het tenminste het langst voordat ik dood ga.'
Mooi geredeneerd.
De negenjarige merkt scherp op: 'Als je niet leeft, heb je er ook weinig aan om niet dood te gaan.'


Achtentwintigste werkdag





De langverwachte blowsessie met de oud-bibliothecaresse had nieuwe urgentie gekregen toen ik hoorde dat zij vorige week in opperste staat van dementiële agressie de straat op was gegaan,  – onverschoond ook nog –, en zich had verschanst in de dichtstbijzijnde coffeeshop. Toen zij daar met moeite was ontzet en met hoge spoed in haar rolstoel terug gechauffeerd naar huis, weigerde zij de trap op te klimmen.
'Ik wil dood!' schreeuwde ze.
Ook nadat het gelukt was met behulp van buren om de oud-bibliothecaresse haar eigen appartement in te krijgen, bleef zij om zich heen schoppen, slaan en spugen.
Aanleiding voor de crisis leek te zijn geweest de abusievelijke onderbreking van haar reguliere anti-depressiva.
Mijn idee was om met behulp van een sympathiek wietje de rust in haar hoofd enigszins te herstellen. Men kan immers alles zeggen van wietjes, maar niet dat ze agressie in de hand werken, in tegenstelling tot bijvoorbeeld alcohol.
De oud-bibliothecaresse echter lag thans op de slaapbank te snurken, met de tizie afgestemd op CNN: de tweede dag van de beraadslagingen van de senaatscommissie betreffende de benoeming van Kavanaugh. 'Breaking news: enkele Democraten hebben de hoorzitting verlaten.'
Amerikaanse democratie in de praktijk hoe chaotisch ook, lijkt altijd nog meer op democratie dan welke democratie ook, maar dat kan aan de coverage liggen. Zo heb ik in Nederland nog nooit iets spannends in de Eerste Kamer zien gebeuren, maar misschien wordt daar te weinig gefilmd. Misschien zijn we te bang voor chaos.
Geboeid keek ik toe hoe een lid van de Senaat in de lift werd gecornerd door een zwartharige vrouw (we zagen haar alleen van de achterkant en ze bleef anoniem), die een tirade hield over het leed vrouwen aangedaan door verkrachters overal en dat de benoeming van Kavanaugh tot de Surpreme Court dit leed zou bagatelliseren, en dat deze senator door deze benoeming niet tegen te houden, medeschuldig was.
De senator liet de litanie over zich heenkomen, knikte schaapachtig, mompelend dat hij haar had gehoord.
Met een wietje erbij was het allemaal beter verteerbaar geweest, maar dat moest dus wachten.

The Power of Art



Walking on the Entrepotdok in Amsterdam, basking in the surprisingly hot sunshine on probably one of the greatest fall days of late, my attention was grabbed sort of, – or, more precisely: I wanted my attention to be grabbed –, by The Power of Art, a new gallery.
When I entered, I saw two people, an older man with disheveled hair and a younger man with a baby face messing around with a machine gun mounted on some sort of dolly. The machine gun had a knife attached to it (like a bayonet) and the knife supposedly had cut into a large paintbrush artwork depicting Trump, Assad and Putin, their heads photoshopped, it seemed, on naked bodies of elderly men.
Behind the paintbrush artwork with the cuts there was another large paintbrush artwork, hanging on the wall, depicting Mark Zuckerberg, crying.
Who was going to be shot? The whole scene reminded me of the wonderful movie Les Demoiselles de Rochefort, in which a gallery owner is emptying his gun on a tube of paint in front of a white canvas, by way of action painting.
'We are rehearsing our act for the opening of the exhibition,' the older man explained.
The young man, I now discovered, was holding a remote control, with which he could move the dolly around on which the machine gun was mounted.
Should I look for cover?
Who was the artist?
They didn't know.
I peered into the gallery. In the back, there was an actual size statue, covered by a white sheet. The statue was of Donald Trump, the older man told me. It would be unveiled at the opening by the owner of the gallery.
'Several of these statues were placed in different cities all over America,' he went on. 'Some of them were demolished by pro-Trump activists.'
'Pro-Trump activists?'
'Yes. Pro-Trump activists didn't like their hero being displayed this way. Anti-Trump activists made selfies with it.'
I picked up a cloth little Trump doll from a couch. Made in China, it said. When I squeezed Trump's head, it squeaked.
I wondered if the artist behind all this Trump-merchandise realized that, in whichever form he wanted to depict him, he was paying him honor.
In any event, the power of art seemed te have been brought down to nil.

Misnomer



Het freak accident met de Stint, de Stintramp of 'Oss', is ook, opnieuw of nog steeds doorgedrongen tot de klas van de negenjarige dankzij het Jeugdjournaal, de Grote Opvoeder van overheidszijde.
De negenjarige komt bij me staan terwijl wij natafelen om erover te vertellen, niet met heilige schrik en verontwaardiging op zijn gezicht, maar met een minieme lachkrul rondom zijn mondhoek.
'Wat,' zeg ik, 'mogen er al grappen over worden gemaakt?'
Zeker, humor is de lekkerste therapie, maar over wat leuk is en is wat niet zijn de meningen verdeeld.
De lachkrul verdwijnt niet, als de negenjarige met zijn verhaal begint. Want ze hebben het steeds over een bakfiets, maar het was helemaal geen bakfiets!
'Nee, het was een stint,' zeg ik.
Inderdaad. Maar in het nieuws noemen ze het steeds een bakfiets, en de vader van een klasgenootje, die in de fietsenhandel zit, maakt bezwaar tegen deze misnomer. H a d d e n   ze maar een bakfiets, ja, dan was die bestuurster misschien nog in staat geweest te remmen, of uit te wijken of wat dan ook. Nu was het rechtdoor, met grote snelheid, de hel in.
Hoe ziet zo'n stint er eigenlijk uit? Dat kan de negenjarige precies vertellen, want hij zit zelf ook vaak in zo'n ding: een hardplastic bak, een soort badje, waar acht of zo kindjes in passen, met een Segway-achtig ding erachter gemonteerd, dat hem aandrijft. Een platje eigenlijk, niet veel groter dan een deurmat, waar de bestuurder op staat, zonder verdere bescherming. Aan het stuur zit een bedieningspaneeltje.
'Als je op de haas drukt, dan gaat ie hard,' legt de negenjarige behulpzaam uit. 'En als je op de schildpad drukt, gaat ie langzaam.'
Duidelijk.
Er had nog een diertje op moeten staan, bedenk ik me. Maar ik houd mijn mond, want het is nog te vroeg voor humor, en trouwens, het is niet leuk.

Tiziepersoonlijkheid

Wenceslaus Hollar: Drie pauwen

Lunch met mijn uitgever in het grootstedelijke café-restaurant. Ik ben te vroeg, want ik kan me niet veroorloven te laat te zijn. Ik kies een tafeltje uit en ga aan de mannetjeskant zitten (dus met de rug naar het publiek), en lees verder in 'Lof der Zotheid' op mijn telefoon. Vanuit mijn ooghoek zie ik de tiziepersoonlijkheid naderen. Als ik opkijk, slaat hij net zijn ogen neer, alsof hij verlegen is, maar hij is niet verlegen, tiziepersoonlijkheden zijn zelden verlegen lijkt me, maar hij vindt het prematuur om mijn aanwezigheid met zijn aandacht te belonen. We kennen elkaar. Ik ken hem uit zijn pre-tiziepersoonlijkheid. We hebben elkaar lang niet gesproken en er zijn hier voorzover ik kan overzien geen andere persoonlijkheden, tizie of non-tizie, die zijn erkenning waard zijn. Mijn uitgever arriveert, wil op mijn plek zitten: 'Ga jij daar maar zitten', zegt hij, wijzend op de stoel die naar het publiek is gericht. 'Dus ik ben het vrouwtje?' zeg ik. Mijn uitgever knikt. Deze positie biedt uitstekend uitzicht op... de tiziepersoonlijkheid, die, hoe kan het ook anders, eveneens de plek van het vrouwtje heeft opgeëist, maar hij heeft maximale exposure. Ik werp verder geen blik in zijn richting, daarvoor is de lunch met de uitgever te geanimeerd, maar het valt me wel op dat er uit zijn hoek af en toe nogal hard en nogal overdreven door een ander vrouwtje wordt gelachen. Die lacht vast om de TP, kan ik niet nalaten te denken. Als de TP het restaurant via dezelfde route verlaat, zie ik hem niet meteen aankomen en ga dus ook niet in de houding staan. De macht der tizie is onverminderd groot, maar een schrijver die buigt voor de buis is de naam niet waard. We groeten elkaar, het zou onzin zijn om dat niet te doen, ik stel hem zelfs voor aan mijn uitgever (kan nooit kwaad), en dan zegt de tiziepersoonlijkheid: 'Ja, ik hoorde je interview op de radio, wat was het? Radio 1, Kunststof? Jee, wat klonk je depressief, ik wou dat ik ook zo depressief kon klinken.' Met die opmerking, ingestudeerd of niet, is de TP er toch weer in geslaagd gehoord te worden, gezien en vereeuwigd in dit stukje, waarmee denkelijk zijn talent is opgesomd.

Interessant gesprek



Zaterdagnacht, in de Rotterdamse metro naar Zuidplein, beleef ik weer eens een Brownsville moment: ik ben de enige witte. Ik noem dit een Brownsville moment, omdat ik in die wijk in New York, precies twintig jaar geleden, voor het eerst een dergelijke ervaring had. Ik ging als kersverse correspondent eens lekker naïef op mijn racefietsje de stad verkennen, en kwam in een buurt waar mijn soort schaars was, en mensen mij op straat toeriepen what the fuck ik daar deed. Goeie vraag.
In deze Rotterdamse metro heb ik wel een reden om te zijn, want ik ben op weg naar huis. Ik kijk mijn ogen uit. Een vooroordeel, maar de meeste jongeren die ik om me heen zie, lijken weggelopen uit een gangsterrap-video. Twee meisjes tegenover me trekken mijn bijzondere aandacht, niet in de laatste plaats omdat een van hen een ultra-sexy topje aanheeft dat haar getattoëerde boezem (iets met Romeinse cijfers) als twee bokshandschoenen omhoog perst. Ze is druk in gesprek met haar grote vriendin, die, als om niets van het spektakel af te pakken, gehuld is in een nauwsluitend trainingspak. Ze draagt een zwart gerande bril die me op een of andere manier aan Spike Lee doet denken.
'Interessant gesprek, hè?' snauwt het meisje in het trainingspak mijn kant op.
Daar zit ik dan, man van, officieel middelbare leeftijd, bleekscheet, die zich vergaapt aan de kleurrijke jeugd van tegenwoordig.
Ik had natuurlijk moeten terugkaatsten: 'Het is niet zozeer jullie gesprek waarin ik ben geïnteresseerd' maar zo gevat ben ik niet.

Eerste oogst



Goede bedoelingen plaveien de weg naar de hel; zeker, maar vaker 'gewoon' die naar de overtolligheid. Zo zit ik hier op mijn sociale cohesiebank voor de deur, met mijn wijntje en mijn krantje, naast een ACTION-tas met compost. Wat doet die tas daar? Die was er zonder de goede bedoelingen, en vooral ook de goede werken, van de Grote Vreugdebrenger, niet geweest. Want zij en niemand anders heeft ervoor gezorgd dat ons buurtje beschikt over een heus Wormenhotel (drie sterren, roomservice, reserveren aanbevolen), en ja, de wormen hebben thans hun eerste product afgeleverd. Ziet er prachtig uit, dat spul, een beetje zoals je kak eruit ziet als je zwaar bent wezen stappen en daarna ook nog midden in de nacht allerlei vette happen naar binnen hebt staan schoffelen, maar het is toch echt het biologisch residu van 'ons' groente en fruitafval. Géén gekookte aardappelen of pastaresten, laat staan vlees of vis, in het Wormenhotel deponeren, alstublieft! Laat staan plastic zakjes, biologisch afbreekbaar of niet! Ik voeg dit toe, want als onbezoldigd, en ook ongesolliciteerd, haast ik mij toe te voegen, hoteldetective heb ik het WH dikwijls van abusievelijk ingeworpen plastic moeten ontdoen (en van lekke voetballen en andere artikelen die vooralsnog niet door die arme wormen kunnen worden verteerd; dadertjes, ik weet u te vinden). Dat was nog niet zo eenvoudig: probeer eens uw arm tot de oksel in de kleine ingang van het WH te steken, niet ongelijk een veearts die een weerspannig kalfje haalt uit het geboortekanaal van een koe, om de troep eruit te vissen. Maar goed, gisteren was het dan zover: de eerste oogst. Die dus, heb ik begrepen, heel goed is voor de tuin. Wij hebben een tuin, dus dat treft. Anderen die ook een tuin hebben, of zouden moeten hebben, leden van de selecte wormenhotelgemeenschap, hebben zich evenwel nog niet gemeld voor de compost, maar de dag is nog jong, en die compost loopt (geloof ik) niet weg. Ik weet niet of dit mag van de Grote Vreugdebrenger, maar hierbij bied ik ook niet-leden van die gezellige wormenhotelgemeenschap kostenloos een portie compost aan. Zelf afhalen, graag.

Geluk



We zijn al gelukkig op de cramping, ik met mijn 938 pagina's dundruk (ik ben op tweederde) in de strandstoel, en de kinderen met hun eeuwige duckies, maar tegen het einde van de middag overweeg ik dat hoger geluk wellicht binnen bereik is. We springen op de fiets naar het strand. De reis erheen door het desolate duinlandschap is een trip op zich, maar als we op het hoogste punt staan, met voor ons de verraderlijk kalme zee die zich uitstrekt tot aan de windmolens, en links de toch altijd weer onheilspellende Hoogovens, worden we verrast door twee paragliders, ik vermoed een echtpaar, de man zeilt eerst over onze hoofden heen, geruisloos, hij bungelt een beetje verloren onder zijn parachute, als een zak aardappelen, maar het moet geweldig zijn, stel ik me zo voor, om op een metertje of twintig langs de kust te glijden, met je vrouw achter je aan, want daar komt ze hoor, zij lijkt het vooral te ondergaan, maar geeft wel een thumbs up naar ons, niet glijdenden, beneden. We dalen af naar het vrijwel verlaten 'geheime' strand – hoe anders was dit een maand geleden, evenveel zon maar warmer, toen was het strand tot de laatste vierkante meter bezet – als de negenjarige aankondigt dat hij moet poepen. 'In de duinen,' stel ik voor, want er is verder niets. Het moet de eerste keer zijn, maar ik heb het niet bijgehouden, dat hij wildpoept. De omstandigheden hadden slechter gekund. Zijn vriendje grinnikt bij het neerdalende drolletje in de verte. 'Heb je je poep goed begraven in het zand?' Nee. Terug. Ze gaan nog zwemmen ook, de pre-tieners, terwijl ik de vijfjarige op haar verzoek ingraaf. Ik kijk op, de zwemmers zijn weg. Een hartverzakking. Gelukkig blijken ze alleen te zijn afgedreven. Dan, alsof we nog niet gelukkig genoeg zijn, nadert een zweefvliegtuigje uit een James Bond-film. Hij volgt dezelfde baan als die van de paragliders, maar nu zit de vlieger dus in een cockpitje en hij beweegt een stuk sneller. Worden we beschoten? Nog niet. Misschien bespioneerd. Aan het eind van zijn rit langs de kust draait hij om en vliegt terug. Dat gaat zo een tijdje door, hij krijgt er geen genoeg van, maar wij zijn alweer weg. Geen oorlog, of het moet een oorlog om geluk zijn.

Zevenentwintigste werkdag



Op weg naar de oud-bibliothecaresse koop ik een voorgerolde joint bij coffeeshop Flower Power op de Rozengracht. 'O, is het voor een zesentachtigjarige die nog nooit heeft geblowed? Wat leuk!' zegt de verkoopster die een tandvleespiercing heeft waar ik mijn ogen niet af kan houden. 'Ik hoop dat ze hem lekker vindt.'
Dat hoop ik ook.
De oud-bibliothecaresse ligt op de bank te rusten onder een stapel dekens als ik binnenkom. Om de drie minuten wijst ze naar de lucht: 'Kijk, daar heb je er weer een!' Vliegtuigen, bedoelt ze. Ze denkt dat het oorlog is.
De dienstdoende thuiszorger vertelt me dat mevrouw twee weken geleden tot twee keer toe brand heeft gesticht. Dat had ik al in een email gelezen. De brandplekken zitten in de vloerbedekking. 'Ik dacht dat er een muis was!' legt de oud-bibliothecaresse uit. 'Die wou ik wegjagen!'
De angst voor brand zit er nu goed in. Niet bij haar, maar bij het zorgteam. Die heeft haar subito onder nachtbewaking gesteld. De verhuizing naar een tehuis is onherroepelijk. Dit kan zo niet langer. Straks vliegt de halve Jordaan de lucht in.
Het zorgteam wil dat de oud-bibliothecaresse overschakelt op elektrisch roken. 'Ik pieker er niet over,' zegt ze.
Een andere maatregel is dat ze alleen onder toezicht een sigaret mag opsteken. 'Als je nog een sigaret wil, moet het nu, want ik neem de aansteker mee naar huis,' zegt de thuiszorger. De oud-bibliothecaresse rolt haar shaggie terwijl ik een sprookje voorlees geschreven voor mijn dochter. Mijn dochter vond er weinig aan (mijn schoonvader viel erbij in slaap), maar de oud-bibliothecaresse smult. Die smult altijd.
Dan opeens is de aansteker kwijt. 'Ik ga niet voordat ik die aansteker heb,' zegt de thuiszorger, 'anders word ik ontslagen.' We zijn ervan overtuigd dat de oud-bibliothecaresse hem verstopt heeft, misschien zelfs op haar geheimste plek; dat is junkie-gedrag, dat ik begrijp, maar hoe grondig de thuiszorger haar ook fouilleert, en het bed doorzoekt: geen aansteker.
'Misschien heeft ze hem in de buil gestopt,' suggereert de oud-roker in mij.
Terwijl de thuiszorger de buil doorzoekt, wisselt de oud-bibliothecaresse met mij veelbetekenende blikken uit. Ik zeg niks. Ik wil niet dat de halve Jordaan afbrandt, maar ik wil mijn vriendin ook haar laatste sigaret niet ontzeggen.
En ja hoor, de aansteker zit in de buil.
De oud-bibliothecaresse glimt als de thuiszorger de deur uit is, maar als ze haar geheime plekje aftast, blijkt daar niets te zitten.
De joint moet wachten tot de volgende keer.




Doodsobsessie



'Pappa, hoeveel dagen nog voordat we dood gaan?' Mijn dochter is net 5, haar verjaardag was een mijlpaal waar ze heel, heel erg lang en vurig naar verlangd had, maar na de verjaardag is ze geobsedeerd door de dood.
'O, dat weet ik niet,' antwoord ik diplomatiek. 'Dat weet niemand. Het precieze moment van sterven is voor iedereen een raadsel. Als je in God gelooft, dan zou je kunnen zeggen: God bepaalt wanneer je gaat, maar als je niet in God gelooft, dan moet je zeggen: we weten het niet.'
Haar doodsobsessie bestond al, maar zou verder aangewakkerd kunnen zijn door het bezoek dat we niet lang geleden brachten aan een begraafplaats in Vught. Behalve het graf van haar overgrootouders (dat ik ook nog nooit had gezien) zagen we ook kindergrafjes. De kindergrafjes fascineerden haar. Mij ook.
'Maar wanneer gaan we dood?' dringt ze aan. We zitten op de fiets naar school, het is prachtig weer, eigenlijk geen klimaat om het over de dood te hebben, of juist wel, natuurlijk.
'Jij leeft waarschijnlijk nog 95 jaar als je zo doorgaat. De levensverwachting van jouw generatie is 100.'
Die cijfers zeggen haar weinig.
'Jij gaat het eerste, toch?'
'Als alles verloopt zoals God of de statistieken hebben bepaald, dan ga ik inderdaad als eerste.'
'Of opa klokje.'
'Ja, opa klokje die zou nog wel eens eerder kunnen gaan dan iedereen, want die is bijna 90.'
'O, dus eerst opa klokje, en dan jij.'
'Misschien. We weten het niet. Het zal vanzelf blijken.'
Mijn dochter wil zekerheid. Maar die kan ik haar niet geven.
'Maar we gaan wel allemaal dood?'
Die zekerheid kan ik haar wel geven, maar dat is een schrale troost. En is het wel een zekerheid? Het is niet uitgesloten dat de dood niet meer bestaat als zij aan de beurt is, of er in elk geval heel anders uit ziet, maar met dat soort subtiliteiten val ik haar voorlopig niet lastig.

Bore out

Carla Bruni: Raphaël

Ik heb het eerder gezegd en zal het weer zeggen: een van de aardigste dingen van huizenruilen is de greep die je kunt doen uit andermans boekenkast. In het ruilhuis in Montpellier hoefde ik hiervoor weinig moeite te doen, want op het nachtkastje van Laurent (of was het Frédéric?) lag een boek dat me intrigeerde en enige uurtjes vertier heeft verschaft, voor het slapen gaan en bij het wakker worden, en dat ik, als we niet hadden geruild, waarschijnlijk nooit onder ogen had gekregen: de verzamelde columns van pop-filosoof Raphaël Enthoven, onder de intrigerende titel Morales provisoires. Het idee dat een moraal provisorisch kan zijn, spreekt me aan. Provisorisch moralisme is iets anders dan opportunisme. Het is het verschil tussen een poging doen om er iets van te maken maar wel meteen inzien dat het slechts een poging is, en er maar wat op los leven. Het idee dat een moraal vaststaat voor altijd en eeuwig lijkt me weer zo'n typisch christelijk idee (hoewel, je zou ook kunnen zeggen: Platoons), maar het is denk ik verstandig om bereid te zijn af en toe je moraal te herzien, onder de druk van voortschrijdend inzicht, bijvoorbeeld.
Enthoven sprak zijn verzamelde columns uit voor de radio, en ze zijn dus wat aan de toegankelijke kant, hetgeen voor filosofische onderzoek verdacht kan zijn, maar hij maakt vaak goede punten, hoewel hij soms iets te makkelijk scoort bijvoorbeeld bij het duiden van (fake) news, uit, vanzelfsprekend, de internationale (lees Amerikaanse) roddelpers. Op basis van één incident met een American Football-speler verklaart hij de wereld. Hij klinkt, voorzover ik zijn Frans goed begrijp, soms iets te tevreden met zichzelf en zijn interpretaties, maar goed, daar hebben wel meer columnisten last van. Enfin, dankzij een column van Enthoven (interessante naam trouwens; hij blijkt lees ik op Wikipedia een ex te zijn van Carla Bruni, maar dat kunnen er denkelijk wel meer zeggen) ben ik bekend gemaakt met het begrip bore out. Wellicht dat deze variatie op burn out op 'sociale media' allang een staande uitdrukking is, maar ik had hem nog niet gehoord. Heb ik een bore out? Dat is een vraag die elk mens zich, misschien niet dagelijks, zou moeten stellen. Ik werp me hierbij op als therapeut.

Rentrée littéraire



Het is weer zover. Er moet weer wat gebeuren, ergens, voor iemand of iets, dat nut lijkt te hebben. Of in elk geval zin. Er moet weer wat gebeuren om voor op te staan, om mensen van de straat te houden.
Welnu, dan kan het maar beter de Rentrée Littéraire zijn, wat mij betreft, die toch wel eigenaardige gewoonte van de Franse uitgeverij om alle boeken van het seizoen ineens op de markt te plempen. Je vraagt je af of dat voor somethingsellers zoals ikzelf gunstig zou zijn, of juist niet.
In een boekhandel in Montpellier kwam ik Reviens tegen van de mij onbekende Samuel Benchetrit. Ik probeer een boek nooit op zijn omslag te beoordelen, maar in een boekhandel heb je weinig meer om op af te gaan. Ik lees de omslagtekst, en de eerste pagina (zie onderaan als u wilt meelezen. Als u zich afvraagt wat 'begue' betekent, dan kan ik u vertellen 'stotteraar' omdat ik het heb opgezocht). Ik heb het boek niet gekocht, maar misschien doe ik dat ooit nog wel (als ik geld heb). Misschien ook niet.
Maar waarom deze titel opmerken? Ik kon een minieme glimlach niet onderdrukken toen ik hem aantrof in die boekhandel. Ten eerste deed het omslag me denken aan Aristide von Bienefeldt, mijn alweer enige jaren geleden ontvallen kunstvriend, collega romancier en provocateur. Ten tweede moest ik denken aan al die klassieke omslagen van Gallimard en andere serieuze uitgevers in Frankrijk (ik herinner me een novelle met geheel wit omslag met alleen de titel Suicide), die wars waren van auteursfoto's en andere publicitaire troep. Nee, Franse uitgevers, – en hun auteurs, mag je aannemen –, ging het Louter & Alleen om de Inhoud. Hoe of dat het mombakkes van de betreffende typist eruit zag, wat hij zijn poes te eten gaf en hoeveel vellen zij gebruikte om haar edele delen mee schoon te vegen, was van nul en generlei importantie. Nederlandse uitgevers, mind you, waren uiteraard allang gezwicht voor de macht van het beeld (afgezien van Van Oorschot, soms).
Zeker, de Fransen hebben bandjes. Ze zweren bij die soort van sigarenbandjes maar dan om het boek heen, waarmee ze het tekort aan marketingmiddelen enigszins trachten te compenseren. Dus daarop staan de blurbs, de outtakes en soms ook een fotootje ter verleiding van de consument.
Zie nu waarmee uitgever Grasset, niet de eerste de beste, het onderhavige werkje aan de wereld prijsgeeft: weer zo'n boekband, maar niet zo'n kleintje, en met de auteursfoto frontaal, maar niet de lezer aankijkend.
De auteur is hier niet alleen dandy, maar ook fotomodel, filmacteur en kunstwerk ineen. Deze foto zou niet misstaan als selfie, of nog beter, portret op een dating site (voor auteurs? gat in de markt!).
Maar zie hier het voordeel: de band laat zich afstropen en wegflikkeren. Een goed systeem. Laat de auteur hoereren wat hij wil in de boekwinkel, maar zodra de lezer thuis is, is eindelijk het woord aan het woord en aan het woord alleen.

Verdomd, deze had je ook nog. Hier voor wie nog meer Benchetrit wil.





Zelfmarketing


Johnny the Selfkicker: Het is tijd om dronken te worden

Als somethingseller-auteur in het huidige tijdgewricht ben je genoodzaakt het voor jezelf op te nemen. Tuurlijk, je uitgever stelt alles in het werk om jouw werk onder de aandacht te brengen, maar die belofte wordt gedaan aan iedere auteur, en met name ingelost aan bestseller-auteurs. Het valt die uitgever, onder het laat-kapitalistiese gesternte, niet kwalijk te nemen. Een uitgever is, in het licht van de oorlog om aandacht (mede veroorzaakt door een teveel aan titels, maar dat is een ander verhaal), genoodzaakt tot een efficiënte allocatie van zijn reserves, en duwtjes geven aan een roman die vorige herfst verscheen hoort daar niet bij.
Alvorens ik verderga, waarom duwtjes geven, waarom nu? Wel, het geval wil dat het gros der Nederlezers hun consumptie van romans uitstellen tot een tijdvak waarin het van overheidswege is toegestaan: de Grote Vakantie. En omdat die eraan dreigt te komen, ben ik eindelijk gezwicht voor de marketing van Google (die al zo lang op de deur klopt als ik leef) om een Google Ad Words Campagne te runnen – u weet wel, u typt in lekker leesboek in de zoekbalk en KLABAM! rechtsboven op uw scherm verschijnt HET DISPUUT. HET IDEALE ZOMERBOEK.
De resultaten zijn tot dusver – ik ben nu een week bezig – niet bemoedigend. Daarom ben ik vanochtend maar ingegaan op het aanbod van Google om Gratis Advies in te winnen per Telefoon. Samen met een alleraardigste jongeman, Robin geheten, gewapend met een grinnikende lach à la Beavis & Butthead, ging ik nog eens door mijn campagne. 'Je ziet dat je zoekwoorden gebruikt die nul procent relevantie hebben,' zei Robin, 'zoals zuipen.' (Nul procent relevantie betekent dat van alle mensen die mijn advertentie zien, er 0 % klikt op de advertentie.)
Robin overtuigde mij dat mensen die geïnteresseerd zijn in zuipen niet in de eerste plaats geïnteresseerd zijn in een Nederlandstalige roman, zelfs niet als zuipen hierin een niet onbelangrijke rol speelt. 'Spannend' daarentegen is een zoekwoord dat het heel, heel erg goed doet, maar ik moet niet te vroeg juichen, bovendien is mijn roman geen 'triller'. Met een budget van 1 euro per dag moet ik misschien het juichen helemaal achterwege laten.

De geschiedenis van mijn aquarium

Related image
Jan van Kessel


Er waren eens drie vissen in een bak die ik voor de verjaardag van de toen nog achtjarige had gekocht omdat zijn beste vriend er ook een had. Dat was twee maanden geleden. Het aquarium, compleet met pomp, steentjes etc. had ik via marktplaats in Amsterdam Noord bemachtigd à €20. Bij nadere inspectie bleken er tussen die steentjes nog vissenkarkasjes te liggen, maar een kniesoor die daarop let.
Onze goudvissen, Lotte, Tommy en een vis wiens naam mij ontschoten is, werden alras vergast op een appelslak van de buurvrouw. Gezellig. Deze migrant evenwel, die door het leven ging als the big fat blob, vrat alles wat hij tegenkwam, dus ook waterplanten inclusief tak en stam.
Op internet las ik dat het probleem van vissen houden niet zozeer te weinig voer is, als wel teveel uitwerpselen. Ik verdacht de BFB van overmatige giflozing, maar ook de goudvissen persten kwistig slierten uit hun cloaca.
Stikken in uitwerpselen is een thema dat me bekend voorkomt, maar ik was er niet op uit, dus ik ververste het water ruim en veelvuldig. Toch niet ruim en veelvuldig genoeg, of ik had een schadelijke factor over het hoofd gezien, want een sluierstaart, ik meen Lotte, ging eerst schuin zwemmen, daarna in een hoekje zitten en kwam ten slotte buikelings bovendrijven. In het diepste geheim werd de sluierstaart vervangen. Navraag bij de dierenwinkel over de onverklaarbare vissensterfte bood geen soelaas, want ook nummertje twee en niet lang daarna nummertje drie, de nieuweling, koos de weg van alle vlees.
Mijn theorie was: sluierstaarten zijn te zwak in deze toxische omgeving, maar gewone goudvissen kunnen tegen een stootje. Tommy, the last fish swimming, zwom niettemin met duidelijk minder geestdrift dan voorheen. Het was, met andere woorden, een kwestie van aftellen voordat ook hij het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde.
De BFB, die ik onsterfelijk achtte, bezweek tenslotte eveneens.
Waarom, O God, rukt U deze weinig aaibare maar grappig beweeglijke schepsels weg uit het leven van mij en mijn kinderen?
Gisteren, bij de marktplaatstransactie, was de cirkel rond.
Een forse, rondbuikige man in een hawaïshirt stoof het huis binnen zonder zijn zonnebril af te zetten, laadde het aquarium in zijn meegebrachte boodschappentas en verklaarde luidkeels: 'Ik verzamel aquariums voor mijn kleinkinderen die door de dood van mijn dochter plotseling bij mij in huis zijn komen wonen.'
Toch nog rechtvaardigheid, dacht ik. Hij had die bak harder nodig. Ik had mijn €20 terug. God heeft het goed gezien.

Drie diploma's



Drie kinderen, drie diploma's. De eerste diploma-uitreiking geschiedde in het lokaal van de gediplomeerde, hier hoefde geen ouder bij te zijn. Winst dus op twee fronten, zou je zeggen. Trots beende de negenjarige het huis in, wapperend met zijn Tafeldiploma, waar hij al zo lang op had gewacht. Tafel van 1: krulletje, tafel van 2: krulletje, enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Heeft dat tafels oefenen op de fiets naar school toch nog zin gehad.
Het glansrijk behaalde diploma voor de vierjarige had geen naam, ik wist alleen dat ik 7 euro in een envelop moest stoppen met haar naam erop. De uitreiking was kort maar krachtig, en ik weet nu om welk diploma het gaat: Rode Slip. Dat moet dan Rode Slip numero 2 zijn want ze had al een rode slip. Hoewel ze van judo af wil om te gaan dansen net zoals haar hartsvriendin, was ze toch apetrots. Natuurlijk, iedereen die een schouderklop krijgt is trots, ook al heeft hij er niets voor hoeven doen.
Mijn favoriete gymnasiast ondertussen, is gymnasiast af, maar niet dan nadat hij zich dinsdag op het podium van het Fons Vitae Lyceum had laten schofferen door zijn mentor en scheikundelerares, mevrouw Lipman. Die noemde hem een calculerende leerling die 'opging in het meubilair', terwijl hij een 10 had voor zijn profielwerkstuk (en daarvoor ook nog een PWS-prijs won). Bedankt, mevrouw Lipman!

Cadeautjes



Terwijl de Grote Roerganger op (snoep)reis is naar de Egeïsche zee, druppelen de pakjes binnen. Ik tel er een stuk of acht, en stapel ze keurig netjes op in de gang. 'Cadeautjes!' gilt de vierjarige, haar grijpgrage handjes in de aanslag. 'Misschien,' sus ik, 'maar niet voor ons. Wachten tot mamma thuis is. En trouwens, je hebt al een cadeautje.' En inderdaad, ze had rolletjes smarties achtergelaten, voor elk kind een. Toen ik die zag liggen, had ik ze meteen opgeborgen, omdat ik er niet tegen kan als mensen over hun graf heen regeren (en al helemaal niet met snoep – het Grote Kwaad), maar daarna had ik ze natuurlijk toch weer teruggelegd. Ik was benieuwd welk van de twee het verstandigst met zijn/haar smarties om zou gaan. De dochter, zo bleek. Die hield er nog een over om aan mamma te geven.
Als de Grote Roerganger thuis komt, heeft ze drie cadeautjes per kind meegebracht, plus een tasje om ze in te doen. Dat is mooi. Voor mij heeft ze een doosje Turks Fruit.
De pakjes in de gang blijken ook cadeautjes voor de kinderen te bevatten. En een voor mij: een klikteller, zo'n mechaniekje waarmee je handmatig kunt tellen. Ik had ooit de wens kenbaar gemaakt om, puur uit wetenschappelijke belangstelling, het aantal keren dat ik in één dag met 'pappa' werd aangeroepen te turven.
Ik haal het ding uit de Bol.com-doos. 'Chick counter' staat erop. 'Keep a running total of the chicks you attract.'
'Oké, die sturen we terug,' zegt ze.

Zesentwintigste werkdag

George Moore door Walter Richard Sickert

Het voordeel van bezoeken brengen met lange tussenpozen is dat de verschillen je opvallen en je in theorie ergens over te praten hebt. Het nadeel is, nou ja, dat de tussenpozen zo lang zijn. Zo hield ik, spontaan naar haar huis toe fietsend, ernstig rekening met de dood van de oud-bibliothecaresse, maar ze is springlevend, en ze weet, als ik haar een beetje op weg help ('we hebben samen met de auto die cassette van Casanova gekocht'), nog mijn naam.
'Viktor! Ik dacht dat je nooit meer zou komen.'
'Dat dacht ik ook, maar ik ben er.'
Ze zit in haar vaste stoel en kauwt op een bruine boterham, maar ze kauwt op die speciale manier, die nogal omslachtige, herkauwende manier van, nou ja, herkauwers, en mensen zonder gebit.
'Wat is er met je tanden gebeurd?'
Haar boventanden blijken te zijn uitgevallen. Ze heeft een setje prachtige nieuwe tanden aangemeten gekregen maar die vindt ze niet lekker zitten, dus kauwt ze maar zo. Het geeft haar uitdrukking iets simpels, maar ze is niet simpel. Ze is wel een beetje aangekomen zie ik, dat beschouw ik als goed nieuws; ze rookt volgens mij minder, of in elk geval minder fanatiek; ook dat is goed nieuws. Minder goed nieuws is dat ze stiller is geworden. Als ik niets zeg, zegt zij ook niets.
Ik haal een boek uit haar rijk gesorteerde kast en lees een stuk voor. Dit keer Home sickness van George Moore uit een bundel Irish Short Stories, zo klein stevig, handzaam boekje dat je overal mee naar toe zou kunnen nemen om te lezen als je even wat te lezen nodig hebt. Het is een mooi, traag verteld verhaal, over een man, Bryden, die dertien jaar geleden naar New York is geëmigreerd, maar nu terugkeert naar zijn oude dorp bij Cork. Hij wordt somber van de armoede en kleingeestigheid op het platteland, maar voelt zich toch thuis in het landschap. Hij vist op snoeken in the Small Lake en rijgt daarvoor een kikker aan de haak van zijn hengel. 'Wat gemeen,' zegt de oud-bibliothecaresse. Aan het einde verlooft Bryden zich met een locale schone maar weet nog net aan een huwelijk te ontkomen door een leugen: hij moet onmiddellijk terug naar Amerika.
Het brengt mij op een idee voor een eigen kort verhaal.
Het is weer stil in de netjes opgeruimde kamer (hulde aan het zorgteam).
Ik ga maar weer.
'Volgende keer drinken we weer een biertje op een terras,' stel ik voor.
'Of wiet roken,' stoot ze opeens uit, alsof ze een slijmprop omhoog hoest die al een tijdje dwars zit.
'Wiet roken? Wil je dat?'
'Dat heb ik nog nooit gedaan.'
'Dan doen we dat. Ik neem volgende keer een joint mee.'

Coda: Niets is echt, alles is toegestaan



'Assassin' heeft niets met Latijn te maken – ook niet met Grieks trouwens –, maar wel van alles met de Assassijnen, een Middeleeuws volkje lees ik, dankzij een link van Mikkel, op Wikipedia, dat nogal moordlustig was. Vandaar de semantische connectie met het woord dat wel tot het Engels en het Frans is doorgedrongen, maar niet tot ons mooie taaltje.
Die naam Assassijnen schijnt dan weer af te stammen van het woord voor hasjiesj-liefhebbers, dit omdat de Assassijnen behalve van moorden ook van blowen hielden (of hoe ze in die tijd ook hasj tot zich namen, mogelijk trokken ze er thee van). Er is ook een saaiere uitleg van de etymologie van de Assassijnen maar daarmee zal ik niemand vervelen.
Die kill+dope-connectie verklaart trouwens wellicht waarom game-makers op deze obscure geschiedenis een computerspel hebben gebaseerd: Assassin's Creed.
En dat verklaart weer waarom Mikkel er van af wist, want die is een fervent Assassin's Creed-adept. Als hij minder dan zes uur Assassin's Creed speelt op een dag, dan heeft hij naar eigen zeggen, 'nauwelijks gespeeld', en 'helemaal geen kans gekregen er behoorlijk in te komen'.
Enfin, ik ben niet van plan dat spel te gaan spelen, hoewel ik daar nu alle tijd voor zou hebben. Ik heb daarentegen wel Enna op pad gestuurd om Alamut te kopen, van de mij volstrekt onbekende Vladimir Bartol – kennelijk, en alweer volgens WP, het hoogtepunt uit de Sloveense literatuur. Dit boek was opgedragen aan niemand minder dan Mussolini. Moraal van het verhaal: 'Niets is echt, alles is toegestaan.' Dat wordt mijn nieuwe credo.

28. Pijnstillers (slot)



Inderdaad: aan die titelloze geschiedenis (wie er een weet, melde zich) moest maar eens een eind komen. Men kon niet blijven rekken, actiescènes aan elkaar plakken, ontknopingen uitstellen, brokjes informatie nieuw en oud rondstrooien, ook al heette dit schrijven. Zeker, een verhaal dat zich elke dag stukje bij beetje ontrolde was  b i j n a  even verrassend voor de auteur als voor de lecteur, maar hoe zat het met de clou? Was alles één groot complot? Nee, die fijne boodschap kon niet worden afgegeven. Het ware 'leuk' geweest als Into M. Geniets kapitaalkracht fictief of illegaal bleek te zijn geweest, maar dat was zij niet.
Er werd een beroep op gedaan door de advocaat die namens Bettina een schadeclaim indiende (de Katalla was total loss en de verzekering weigerde uit te keren). Dat 'staartje' werd tamelijk onverkwikkelijk, Enna's vriendschap met Bettina kwam erdoor onder druk te staan. Geniet was helemaal niet te beroerd om een en ander te vergoeden, zij het niet de 1,75 miljoen die Bettina's advocaat in gedachten had, waarvan vier ton wegens emotionele schade; hij dacht meer aan de helft.
'Ik mocht blij zijn dat ik nog leefde.' Dat zei Geniet niet, dat zei ik niet, dat waren ironische aanhalingstekens. Met ironie kon je niet ironieloos genoeg omspringen heden ten dage. Maar 'het was dus wel zo': ik lag in het OLVG en keek tv. Zonder been, wachtend op een prothese (een klik-prothese die hij bij het Radboud in Nijmegen had besteld). Want 'wat was er ook al weer gebeurd' (oké: genoeg)? Niet veel dat ik me kon herinneren, maar ik moest een tijdje door het vrachtschip dat de Katalla midscheeps had geramd en tot zinken had gebracht door het IJ zijn meegesleurd, aangezien Tim (ook in het OLVG, maar geen tv, want in coma) een stuk touw aan mijn been had gebonden en de stootwil aan het andere eind verstrikt raakte in... nou ja, vul zelf maar aan. Gebruik je fantasie.
Ik had van het poot-afrukken weinig gevoeld. De artsen dachten dat ik vlak voor het afrukken een Grote Flauwte had gehad. De mens lijdt zeker niet het meest aan het lijden dat hij vreest, maar er zijn goede pijnstillers. Voordat ik bijkwam van mijn onvrijwillige onderwatersport was ik per helikopter naar het ziekenhuis overgebracht en volgespoten met morfine. Goed spul, morfine. Leuke verpleegster ook, laten we haar Rana noemen. Nee, laten we dat niet doen.
Enna toonde zich sportief. Daarom hield ik van haar (of had ik dat al gezegd)? Ze was niet zo gelukkig dat Doctor Proctors speelse zij het fatale behandeling van Stig de masochistische sterrenkundestudent op straat was komen te liggen (Het Parool was thans doende de hele kwestie nog eens op te rakelen), maar bij een fles Sancerre kon ze er ook wel weer om lachen. Een heel klein beetje: zo'n minieme lachkrul om haar lippen. Ze had een morbide gevoel voor humor, Enna. Ook daarom hield ik van haar. Misschien werd het tijd wat meer op haar instinct af te gaan.

Note to self: Mikkel met rust laten.

27. Agonie




Het idee van het kielhalen begreep ik. Kennelijk moest de agonie die de Deense sterrenkundestudent- met-een-voorliefde-voor-bijna-dood-ervaringen S. destijds had doorgemaakt in mijn behandelkamer worden gewroken door zijn behandelaar nu eenzelfde soort agonie te laten doormaken. Helemaal parallel was het niet, de agonie van S. destijds en die van mij thans, op de Katalla. Ten eerste stief S. in eenzaamheid. Daar kon Dr. Proctor niets aan doen; het sterven was niet inbegrepen bij de behandeling. De eenzaamheid wel, maar alle eenzaamheid is relatief. Ik ging mij, op dit moment aangekomen in mijn leven, niet meer verdedigen voor acties zeven jaar geleden, ik probeerde ze niet eens meer te begrijpen. Het enige wat ik nu nog kon doen was mij zo goed mogelijk weren tegen de consequenties.
Kielhalen onder een woonboot door bleek makkelijker gedreigd dan gedaan. Het eerste obstakel bij de tenuitvoerlegging, waar we op stuitten, was hoe het touw dat Tom had gevonden, en waarmee het slachtoffer onder water moest worden getrokken, van de ene patrijspoort naar de tegenoverliggende te krijgen 'onderde kyel doir', om het in Middelnederlands uit te drukken. Het leek een bijna paradoxaal probleem: voordat een mens kon worden gekielhaald, moest het touw waaraan hij voort werd getrokken worden gekielhaald. Tim had de oplossing: hij zou een stootwil aan het eind van het touw binden, en die overboord gooien, waarop Tom over het touw heen zou moeten varen, waarna Tim het touw aan de andere kant weer uit het water zou kunnen vissen. Maar ging dit lukken voordat de Amsterdamse politie, die denkelijk doende was 'groot materieel' uit te laten rukken in de vorm van helikopters en politie te water, bij de Katalla was aangekomen?
Tim begon 'alvast' een stuk touw aan mijn enkel te binden. Ik verheugde me niet op mijn tocht onderlangs. Ik was weliswaar een meester in de agonie, maar toch vooral in het toebrengen ervan. Het ondergaan van de agonie was niet mijn fort.
Zoals altijd kwam het nieuws van de andere kant. Meer in het bijzonder van de kant van het Amsterdam Rijnkanaal. Met een enorme noodgang, leek het, of in elk geval meer dan twee knopen, spoot een vrachtschip, zo een met onduidelijke lading, de rand van het schip kwam nauwelijks boven het water, luid claxonnerend in onze richting.

26. We gingen.



Een langzame en pijnlijke dood, zo luidde de opdracht, die Tim en Tom van bureau Kill Your Darlings hadden gekregen, zoveel kwam ik nog wel te weten, maar over de te volgen procedure tastte ik voorlopig in het duister.
Waar gingen we naar toe? Of maakte dat niet uit?
Toen we een meter of dertig van de kade waren afgedreven – Tom had de motor van de woonark nog niet aangekregen, maar beloofde (vloekend) beterschap – zag ik eerst Enna en Bettina aan de wal naar ons wuiven, geen moment te vroeg, en daarna de Amsterdamse politie. Die was dit keer niet te fiets, maar met de motor, de auto, de bus, wat niet al, ze waren in grote getale komen opdagen, maar daar had ik 'dus' niet zo veel aan, of ze moesten ons tactisch opwachten op een brug die wij zouden passeren.
Schieten had geen zin – als schieten ooit zin had gehad.
Ik gebaarde nog HELP, naar zowel Enna, als Bettina als de Amsterdamse politie, maar ik geloof niet dat mijn gebaren werden verstaan.
Ondertussen dreven we, bijna gezellig, richting Binnen-IJ. Ik maakte me zorgen over de leidingen die ik aan de zijkant van de ark los in het water zag hangen: de riolering, waarschijnlijk, de waterleiding, en de gasleiding of zo.
Opeens schudde de motor aan, alsof de woonboot was wakkergeschud uit een diepe slaap, en in no time bromden we en gromden we over het Binnen-IJ. Het was leuk geweest als Enna, of de Amsterdamse politie, ons bij Hannekes Boom op stond te wachten, maar niemand stond ons op te wachten. Wel werden we aangegaapt door halfdronken hipsters met speciaalbiertjes, hun benen bungelend boven het water.
Het was ook een vreemd gezicht, je zou niet denken dat er beweging was te krijgen in dit gevaarte, dat er kennelijk een voor- en achterkant was, dat het, met andere woorden, een vaartuig was, een pleziervaartuig misschien zelfs. Goed, we gingen een knoop of twee (ik heb geen verstand van knopen, maar meer dan twee kunnen het niet geweest zijn), maar we gingen.
Op het IJ stond een windje, zag ik aan het water, en ik voelde het ook, toen Tim een patrijspoort opende, en zijn hoofd naar buiten stak. Toen hij weer naar binnen kwam zei hij: 'Now we will kielhaal you. You must be familiar with this typically Dutch form of torture?'

25. Het verlies

Asger Jorn

De anonieme dreigbrief kwam van de moeder. Zij zat hierachter. Misschien was de vader inmiddels overleden, of waren ze gescheiden; iets had de moeder doen besluiten om, vanuit Denemarken, alsnog wraak te nemen op Doctor Proctor, de beul uit Amsterdam, die er zeven jaar geleden veel te gemakkelijk vanaf was gekomen. Dat laatste klopte. Ik was vrijuit gegaan. Er was niet eens een zaak geweest. Afgezien van de opportunity costs, zat ik met mijn knagende geweten. Het was een akelig ongeluk, en een ongeluk met een drieëntwintigjarige, akelig of niet, is een tragedie. A.F.Th. van der Heijden had zeshonderdveertig pagina's nodig om zijn zoon te begraven, maar die lijdt, net als ik vrees ik, aan logorroe.
Ik zie de moeder nog staan op het vliegveld van Kopenhagen, in haar off white Chanel-jurkje. Geen tranen. Een koude blik. Ik heb haar gecondoleerd en heb de volgende vlucht terug genomen. Wat kon ik anders doen? Ieder detail, net als bij overspel, zou de zaak alleen nog maar verakeligen.
Ik kende geen moeders. Die van mij was er jong tussenuit gepiept. De moeder van Enna, een verschrompeld dametje, woonde in Osaka en sprak geen woord Engels. Enna was zelf ook geen moeder; ik zei al dat we vergeten waren om kinderen te krijgen. De waarheid was dat ik geen enkele behoefte had om van Enna een moeder te maken. Zij ook niet, gelukkig.
Destijds had ik er niet of in elk geval te weinig bij stil gestaan dat die jongen, laten we hem S. noemen, een moeder had. Hij was volwassen, had in volle tegenwoordigheid van geest zijn keuze gemaakt om zich door mij te laten behandelen. We hadden een contract, nota bene. Een contract, geheel en al doortimmerd door mijn advocaat...! Zoiets als het contract dat de moeder denkelijk had met het agentschap voor huurmoordenaars dat ze had ingeschakeld om mijn leven te ruïneren.
'Executions in this town are rarely this elaborate,' hinnikte ik nerveus, toen mijn gedoodverfde levensbeëindigers en ik van onze chai thee nipten. Het had mij aan de moed ontbroken om het kokende water tegen ze in te zetten; misschien maar goed ook, voor het geval ik de deur naar buiten niet op tijd zou hebben bereikt of niet had kunnen openen. 'Amsterdam assassinations go more like bam bam bam.'
'Bam bam bam?' vroeg Tom. De frons op zijn gezicht kreukelde nog wat dieper dan normaal.
'And quite often they shoot the wrong person.'
Tim gebaarde naar zijn handlanger dat het hoogste tijd was om af te meren.