14. Paspoortcontrole


Image result for pistol artwork

De politie kwam eerder dan verwacht. Ik had graag geschreven dat de politie heel lang op zich liet wachten, dat het typisch zo’n geval was van: heb je ze niet nodig dan staan ze voor je neus en loop je levensgevaar, dan zijn ze in geen heinde en verre te bekennen, maar dat was 'gewoon' niet zo. Wouters en Kamal, zo stelden ze zichzelf voor. Van die frisse jongens. De een magere melkwit, de ander latte macchiato bruin. Op een of andere manier deden ze me erg denken aan Tim en Tom, maar dan in een jongere, beter verzorgde versie. En ze droegen wapens. Dat was het meest in het oog springende verschil. De politie is, buiten het leger, de enige instantie die ‘we’ bewapend hebben, aan wie we een geweldsmonopolie hebben toegekend. Ik ben altijd weer onder de indruk als ik die pistolen zie. Ik kan me zo slecht voorstellen dat ze worden gebruikt, maar misschien zou daar spoedig verandering in komen.
Wouters en Kamal waren voor komen rijden op fietsen. Als ik de politie te fiets zie moet ik soms lachen, denken aan slapstick, maar in Amsterdam is het misschien een goed idee. Enna had opengedaan, ik had boven gewacht. Tim en Tom hadden geen enkele aanstalten gemaakt om hun hielen te lichten. Ze leken zelfs niet nerveus, bepotelden nog steeds hun mobieltjes.
‘Mag ik weten wie u bent,’ vroeg Wouters, wijzend met zijn neus. ‘Heeft u misschien legitimatie?’
‘These gentlemen would like to see some identification,’ vertaalde ik vanachter mijn bureau. Enna was wijselijk beneden gebleven, ik hoorde haar giebelen met Bettina.
Tim en tom schoven van de ene bil op de andere in de clubfauteuils om uit hun kontzak de benodigde documenten te halen. Belgische paspoorten, dacht ik.
‘So you are… Tim Vandenhoven?’ vroeg Wouters aan Tim, de man met de sik, van wie ik dacht dat het de leider was. Je hebt altijd een leider in een groep, zelfs een groep bestaande uit twee leden; het is psychologisch onmogelijk om geen leider te hebben. Dus dat maakte ‘Tom Eerkens’ tot een onderdaan.
Wonderlijke namen, vond ik, maar, inderdaad, die van mij is wonderlijker. Het is maar wat je gewend bent.
‘What are you doing in this house,’ vroeg Wouters, zo nerveus dat hij het paspoort uit zijn handen liet vallen. Hij raapte het weer op. Tom glimlachte een geluidloze verkreukelde glimlach.
‘We were invited,’ zei Tim, terwijl hij recht ging zitten. ‘By Into M. Geniet. The man behind the desk.’
‘Is dat waar?’ vroeg Wouters. ‘Zijn ze hier op uitnodiging.’
‘Ja en nee,’ antwoordde ik.




13. Telefoontjes


Insigne de Police insigne de police – cliparts vectoriels et plus d'images de bouclier anti-émeute libre de droits

‘In that case I am going to call the police.’ Enna pakte meteen haar telefoon.
Mijn vrouw had onder een bepaalde werkhypothese gehandeld, en nu die hypothese onjuist bleek te zijn, paste ze met een jaloersmakende veerkracht haar handelingen aan. Ze verkwistte geen tijd aan verbazing, onderzoek of kritiek, maar kwam meteen in actie; daarom hield ik van haar.
Het woord politie maakte iets los in mij. Ik had natuurlijk eerder met de politie moeten dreigen. Waarom had ik niet naar Enna geluisterd en de politie gebeld toen dat autootje voor de deur stond? En waarom had ik ooit mijn vaste telefoon opgezegd, want daarnaar had ik nu, bij gebrek aan mobiele telefoon, kunnen grijpen.
‘Yes darling, why don’t you,’ zei ik, een hand op haar schouder leggend. En, voor het geval het explosieve woord niet goed was doorgekomen: ‘You just go ahead and call the police.’
Ik was benieuwd naar de reactie van de twee mannen in de clubfauteuils. Tim bleef verdiept in zijn telefoontje. Ik sluit niet uit dat hij een spelletje deed. Hij had zijn koekje al op, slurpte aan zijn thee. Tom nam muizenhapjes van zijn koekje, en die muizenhapjes verdwenen akelig traag in zijn verkreukelde mond, terwijl hij zijn ogen niet van Enna afhield, hij bleef haar volgen met zijn verkreukelde oogopslag. 
Zelf had ik die koekjes niet aangeraakt uit angst dat ze vergiftigd waren. Nee, ik  h o o p t e  dat ze vergiftigd waren en dat het gif zich een weg zou banen door Tims en Toms spijsverteringskanaal, om van daaruit een voor een hun vitale organen uit te schakelen, maar voorzover ik kon overzien waren die koekjes niet vergiftigd. Dat was misschien maar goed ook, anders had ik, of Enna, of Bettina, nog wel wat uit te leggen aan de politie, als die ooit kwam.



12. In de ban van de Grote Flauwtes


Related image


Na een kort driftig klopje ging de deur van mijn kantoor open. Enna, met thee. Enna is zo’n vrouw die op cruciale momenten ingrijpt in de geschiedenis, dikwijls zonder het te weten. Haar lange haar, dat achter haar aan golfde, had een troostrijke uitwerking op me.
‘In? Waarom reageer je niet op mijn appjes? Weet ik veel dat jullie hierboven zitten.’ Ze schoof het dienblad op mijn bureau en begon meteen in te schenken in het flinterdunne, porseleinen Lemonosov servies.
‘Tea?’ vroeg ze aan Tim en Tom, zonder ze aan te kijken. ‘With homemade cookies? My friend made them. Aren't they awesome?’
Tegen mij: ‘Misschien kun je ze vragen wat ze rekenen voor de reparatie van het dak in Ramatuelle… Ik denk echt dat het goedkoper is, In, en in elk geval beter, om deze flex-migranten subito naar de Côte te sturen… ik word gek van die Franse aannemer… hij krijgt het niet klaargespeeld maar wil het niet toegeven… en het moet echt gebeuren voor de herfst… je weet dat vorig jaar het dorp half is weggespoeld door de regenbuien… In? Luister je wel naar wat ik zeg?’
Ze zette een kop bloedhete thee voor mijn neus.
‘Wat is er met jou aan de hand, je ziet helemaal bleek. Ga je weer flauwvallen?’ Het had gekund, de laatste maanden was ik in de ban van de Grote Flauwtes. Ik kon op de vreemdste momenten ineens ter aarde storten. Dan stond ik een half uurtje later op om vrolijk door te leven, maar ik was dan wel helemaal weg geweest. Black out. Zero. Ik ben bij drie dokters geweest. De eerste zei dat ik aan een vorm van epilepsie leed, waaraan hij helaas niets kon doen, afgezien van wat onderdrukkende medicijnen met vreselijke bijwerkingen. De tweede zei dat ik oververmoeid was, hetgeen ik aantoonbaar niet ben, of kan zijn...  De derde dacht dat het in mijn voeding zat en heeft me op een sapdieet gezet, dat ik precies één dag heb volgehouden.
‘En…’ zei ik. ‘Lieverd...’
‘Wat is er?’
‘Deze mannen zijn niet uit op home improvement. Niet in Amsterdam en al helemaal niet aan de Côte.’
‘Wat komen ze dan doen?’
Ze draaide zich naar mijn gedoodverfde life terminators, een puntje van haar gitzwarte lokken streek als een penseel langs mijn gezicht.
Ze waren weer gaan zitten in de club fauteuils, Tim en Tom, met een kop thee en een koekje, en speelden met hun telefoons.

11. Tims dansje

Image result for dynamic pricing artwork
Daniela Schweinsberg, Raspberry dream


Terwijl O-been, hij leek me toch wel de helper, en niet de leider, van het tweekoppige moordcommando, de scherven van mijn telefoon opraapte en in de prullenbak wierp, zo netjes was hij dan weer wel, deed Sik een soort van huppeldansje naar het midden van mijn inderdaad kolossale werkkamer, en sprak met een zangerige intonatie die me niet eerder was opgevallen: ‘Dear Sir, we are only doing our job… As you may understand, we cannot divulge our taskmaster… our taskmaster, differently put, doesn’t want to be known, he would like to stay in the background. I’m sure you would too, if you were in his – or her – position. I suppose you will now object that you are going to be assassinated anyway, and, reasoning from our viewpoint, why not give you the small pleasure, in the last quarter of your life, to be informed of the precise circumstances and facts surrounding our assignment, but unfortunately we cannot help you in this regard, because we are unknowing of those circumstances and facts ourselves… we work for an agency… we are flexworkers in a gig economy… I can however disclose for the sake of your curiosity that our names are Tim and Tom – I am Tim and my friend here with the permanently astonished look on his face is Tom –, I agree, not very believable names, names that could easily have been made up, right here and now… but wouldn’t you say that is the case also of your own name, mister Into M. Geniet?’ Hier pauseerde hij even, om op adem te komen, de riedel had hem vermoeid, maar hij had er zo te zien ook plezier in, hij was nog niet klaar, hij had nog niet alle puntjes aangetikt, zoals dat heet. Tom ondertussen was naast Tim komen staan, met zijn armen over elkaar en zijn O-benen wijd. ‘As far as our price, to use your not so subtle terminology, is concerned… but of course, we could name you a price… everything has a price, has it not, mister Geniet, and the thing about pricing is, you can always make it dynamic… and I like dynamic pricing… but that is a different matter. I don’t know about you, mister Geniet, but even if we could get to a point where demand and supply are satisfied so to say in the marketplace of your office, there still remains a not so small problem we have to take care of…’
‘And that is,’ viel ik Tim in de rede, gewoon om in de reden te vallen, ik had aandachtig naar hem geluisterd, en me verbaasd over zijn precieze, bijna lawyerly manier van formuleren, maar zo langzamerhand vond ik dat er tenminste ook uit mijn mond geluid moest komen dat als een taalhandeling kon worden opgevat door degenen die dit geluid opvingen.
‘The body.’
‘What about it, mister Tim?’
‘We need to have a body.’ Hij kuchte. ‘Your body, to be exact.’

10. Homo phonus was niet meer.

brancusi sculture
Brancusi


Ik stond op, en stak mijn hand uit, om mijn woorden meer kracht bij te zetten. 'Could I have my phone back, please?'
Het was inderdaad een verzoek, maar een waarvan de niet-inwilligbaarheid ongeveer tegelijkertijd met het doen ervan tot uiting kwam.
Nu stond O-been ook op, we stonden alledrie, het parket kraakte, maar alleen ik had mijn hand nog steeds in de lucht hangen.
O-been haalde mijn telefoon uit zijn broekzak, opnieuw viel me de grootte ervan op, bekeek het apparaat kort en wierp hem toen op de vloer, niet zozeer mijn kant op, maar meer voor zijn voeten, als een leeg sigarettenpakje waar hij vanaf wilde. De telefoon overleefde de val met gemak. Niet alleen was hij zelf state of the art, zo ook de rubberhoes – ik herinner me dat ik er twee honderd euro voor had betaald. Maar wat hij niet overleefde, was de hak die O-been in mijn telefoon plantte. O-been had, misschien vanwege zijn O-benen, geen teenslippers aan, zoals Sik, maar echte schoenen, lelijke schoenen, maar wel echte, en op die schoenen zaten hakken, echte hakken, en die lieten zich niet eenvoudig, maar met een beetje doorzetten, toch wel door het scherm van mijn telefoon heen breken.
De telefoon leek het wonderwel nog te doen, dacht ik te kunnen zien, vanachter mijn bureau, totdat Sik zijn compagnon te hulp schoot met een stenen beeldje van Brancusi dat hij in de wandkast had gevonden. Kort maar hevig hamerde hij het beeldje in mijn telefoon, totdat het licht doofde.
Homo phonus was niet meer.
In een reflex draaide ik mij om en opende het grote raam dat uitzag op de binnentuinen. Met geen mogelijkheid zag ik mezelf door dat raam naar buiten vluchten, daarvoor was ik niet lenig genoeg, en trouwens, de kans dat ik een beeld van Brancusi of iets anders achter me aan zou krijgen, was niet denkbeeldig, maar ik had lucht nodig.
'Who sent you? What's your price? Why are you doing this to me?'
Drie vragen, in de onlogische volgorde van de homo panicus, vragen die geen van drieën tot de categorie last requests konden worden gerekend, maar die toch moesten worden gesteld.

9. Project Geluk

Hundertwasser, Le jardin des morts heureux

Ik was net veertig godbetert! Wat was nou veertig, in het huidige tijdgewricht? Veertig was het nieuwe veertien. Met mijn gezondheid, die, los van een slechte rug en dito tanden, eigenlijk nog behoorlijk goed was, en ook beter werd, want het ondernemen had zijn tol geëist, en ik was de laatste jaren weer fanatiek gaan wielrennen, zou ik als ik zo doorging met gemak de negentig halen. Dat betekende dat ik nog niet eens op de helft was.Ja, ik had eigenlijk nog wel een laatste verzoek, nu ik erover nadacht. Het verzoek om nog even te mogen blijven leven.
Ik werkte niet meer, dat was waar, ik was aan het oogsten. Veertig was misschien wat jong om te oogsten, maar daar kon ik weinig aan doen. Mijn onderneming, die ik in tien jaar tijd uit de grond had gestampt, werd overgenomen voor een bedrag waar niemand die kon rekenen nee tegen had gezegd. Mij werd ook specifiek te kennen gegeven dat ik achterover kon gaan leunen, me ab-so-luut niet meer met mijn geesteskind hoefde onledig te houden. Ik leefde, met andere woorden, als een prins.
Geen kinderen, inderdaad, die waren er bij ingeschoten. We waren vergeten ons voort te planten, zeiden we tegen vrienden die, laat op de avond, bij een glas cognac, durfden te vragen: 'Waarom hebben jullie eigenlijk nooit kinderen gekregen?'
'Zeg jij het maar Enna.'
Enna: 'Zijn we vergeten.'
Vrienden. Ja – om vrienden was het allemaal te doen volgens de moderne psychologen, wat het Project Geluk betrof. Het contact met vrienden, etentjes, samen fietsen, uitjes met de jaarclub, dat waren de dingen die zoden aan de dijk zetten in Project Geluk, zoals ik het leven maar even samenvatte. De rest was ruis. Had ik vrienden? Enna had vrienden. Bettina bijvoorbeeld, ik hoorde haar keffertje beneden keffen.
Wanneer zou ze de moeite nemen om boven te komen kijken, vroeg ik me af. Wanneer zou ze zich afvragen wat ik, Into M. Geniet, heer des huizes, netto waarde ettelijke tientallen miljoenen, met die twee vreemdelingen aan het doen was? Of beter gezegd: wat zij met mij aan het doen waren?

8. Manifestatie van de angst

Image result for anthony fisher artist meat
Anthony Fisher, Meat


'Anthony Bourdain.'
Dat was het enige wat Sik zei. O-been knikte, met zijn O-knie. Het was niet helemaal duidelijk wanneer dit duo een reactie van mij verlangde en wanneer niet, maar als ik me weer eens had voorgenomen om helemaal niets te zeggen, alle initiatief aan mijn gesprekspartners te laten, dan verbrak ik dat voornemen vrijwel onmiddellijk; mijn talige brein kwam tussenbeide. 'What about him?'
'Died in his hotelroom,' antwoordde O-been.
'So?'
'All by himself,' vulde Sik aan, zijn oog uitwrijvend. 'Or was he?'
Enna had een hekel aan Anthony Bourdain, omdat hij zich een keer in een interview lang geleden had laten ontvallen dat hij vegetariërs haatte, omdat die 'het leven haatten'. 'Carnivoren zijn juist degenen die het leven haatten,' wierp zij dapper tegen, 'of althans, het leven van de dieren die ze doodmaken om hun tong te strelen.' Hoe dan ook, inmiddels was gebleken dat Anthony Bourdain het leven haatte om redenen die waarschijnlijk niets met zijn vleeslust van doen hadden.
'Perhaps somebody helped him,' ging Sik verder, terwijl hij door het raam keek naar de hoge populieren in de achtertuin, als om bewijs te zoeken voor zijn theorie.
O-been: 'It's much easier with a little help from your friends.'
Ik sloeg mijn armen over elkaar. 'I don't know what you're talking about..'
Dit was het punt waarop de angst, die ik vrij lang had weten te compartmentalizeren in mijn niet-talige brein, de angst die ik had opgeborgen, als het ware, in een rommelhok, in een stroeve la die moeilijk openging, zich toch langzaam begon te manifesteren. Angst is een slechte raadgever, en al helemaal voor ondernemers, alle ondernemen is angst onderdrukken, maar aangezien ik geen ondernemer meer was, slechts een luie aandeelhouder. was ik het angst onderdrukken enigszins verleerd. Mijn leven was te gemakkelijk geworden, zou je kunnen zeggen. Ik was mijn werkrelatie met de dood kwijtgeraakt.
Sik stond op en klakte met zijn teenslippers. 'Mister Into M. Geniet, do you have any last requests? Because my friend and I, we have to move forward at this point.'

7. Bekentenis

Jason Padgett, Fractal Drawing

Ik dacht er goed aan te doen mijn gedoodverfde moordenaars in mijn geliefde clubfauteuils bij de leestafel te installeren, terwijl ik plaatsnam achter mijn reusachtige, eikenhouten, obsessief opgeruimde bureau, een erfstuk van mijn grootvader.
Ze zaten nog niet, die twee, Sik en O-been, of ze haalden, alsof ze het hadden afgesproken, ieder een appel uit de zak van hun onmodieuze zomerjasje en zetten er ostentatief hun tanden in.
Misschien is dit een goed moment voor een bekentenis: ik, Into M. Geniet, verklaar hierbij schone handen te hebben. Ik ben geen lid van 'de onderwereld' of zoiets. Mijn onderwereld strekt zich niet verder uit dan de, toegegeven: ruime, parkeergarage die ik onder mijn villa heb laten aanleggen. Natuurlijk heb ik her en der schulden gemaakt, heb ik mensen benadeeld, ben ik ze te slim af geweest, enzovoorts, maar ik heb dit zo veel mogelijk binnen de kaders van de wet gedaan. Ik ben nooit in aanraking met de politie geweest afgezien van wat vergeten verkeersboetes, wat geluidsoverlast, inderdaad (maar niet dan nadat Mastenbroek eerst alle normen had overschreden en alleen bij feestjes), en ooit, in een ver verleden, een volstrekt uit de lucht gegrepen aanklacht wegens doorrijden na een ongeluk (de doorrijder na het ongeluk had ook een asgrijze Jaguar, net zoals ik, maar daar hield de overeenkomst op). Enna heeft eens de politie verwittigd toen ik in haar ogen iets te voortvarend met een kostbaar kleinood (een familie-diamant ter grootte van een chocoladerotsje, om precies te zijn) Nederland doorkruiste, maar alleen uit bezorgdheid; ze was bang dat mij, of, beter gezegd, de diamant, iets zou overkomen. Dat is allemaal alweer lang geleden, en de diamant is allang op het hoogtepunt verruild voor goud, dat veilig bij de bank ligt opgeslagen.
Over de reden die iemand ertoe gebracht heeft twee grote, kale mannen in een rood autootje mijn kant op te sturen, met het doel mij te executeren (aha) kan ik 'dus' met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zeggen dat die niet financieel, of in het algemeen, materieel is. Behalve misschien de belastingdienst, heeft niemand met mij een rekening te vereffenen. Ik ben een 'eenvoudige ondernemer' die op het juiste moment heeft gecasht, dat is alles.
Plok.
Ik werd in mijn gedachtengang gestoord door een geluid in de prullenbak bij de deur. O-been keek me triomfantelijk aan. Het klokhuis van Sik kon ik daarna op mijn gemak volgen. Het beschreef kalmpjes, op zijn gemak, leek het, een baan door het luchtruim van mijn werkkamer die eveneens eindigde met een plok op de bodem van de mand.
2-0.
'Impressive,' was het enige wat ik wist uit te brengen.

6. Some privacy

Zabou, Privacy


Om de situatie ingewikkelder te maken, althans voor mij, kwam Bettina ook nog eens aanzetten, in haar kokerrok, met haar keffertje, gewoon, omdat ze in de straat was, waarschijnlijk wezen shoppen bij de deftige kaaswinkel om de hoek. Ze dacht dat wij dat 'wel leuk' zouden vinden, zo'n spontaan bezoekje. Ik heb niks tegen Bettina, of haar keffertje, allerminst, Bettina is zo'n vrouw tegen wie je niets  k u n t  hebben, al zou je willen, maar ze staat te dicht bij me, dat is het probleem. Ze rijdt tegen me op. Ik doe een stap naar achter, Bettina doet een stap naar voor. Ik doe een stap naar links, om haar te ontwijken; zij volgt me, alsof we aan het stijldansen zijn. Bettina is een onontwijkbare vrouw. Verder is ze heel aardig. Maar daar had ik nu 'dus' niets aan.
Hoewel, ik kon een rookgordijn van aardigheid aanleggen, door Bettina en haar keffertje naar voren te schuiven, die samen met Enna een keffende, keuvelende linie vormden tegen mijn gedoodverfde moordenaars. Als Bettina ook nog tegen de mannen aan zou rijden, zich aan hen zou opdringen één voor één...
Maar die kale met de O-benen en dat verkreukelde gezicht – de kreuk zat er nog steeds in – was me voor. Hij tikte iets met zijn vettige vingers op mijn telefoon. Een notitie. De notitie liet hij aan mij zien. 'If you prefer to have some privacy, let us know.'
De notitie verbaasde me. Ik nam aan dat mijn moordenaars meer behoefte hadden aan privacy dan ik, maar misschien was dit hun manier om dat aan mij duidelijk te maken. Ik had inderdaad behoefte aan privacy. Wat had het voor zin om Bettina of all people, haar keffertje, Enna, getuige te laten zijn van mijn liquidatie (ah, van dat woord begreep ik het Latijn wel, ongeveer, maar waar sloeg het op)?
Ik prikte met mijn pink naar boven, en fluisterde: 'Gentlemen, let's go to my office upstairs.'

5. Music and dance

Image result for cote d'azur gauguin
Pierre Bonnard, Cote d'azur


Welke opties had ik? Het raampje in de wc was beslist te klein, dat ging ik niet eens proberen, bovendien bracht dat me op de binnenplaats, en dan was ik nog nergens. Brandstichten? Brandstichten was beslist een goed idee, het zorgde voor chaos en verwarring, die op zijn beurt een dekmantel zou kunnen vormen voor mijn escapisme. Ik zou het ladekastje onder de wastafel, met daarin de wc-lectuur (Gummbah et al.) in brand kunnen steken, en dan roepende fire! fire! de gang op kunnen rennen, om door de tuindeuren via de achtertuin bij Mastenbroek of een andere buurman die zijn zaakjes niet op orde had, een schuilplaats zoeken. Maar ik had geen vuur bij me, was al jaren geleden gestopt met roken, en ik verbrandde uit principe geen lectuur. En misschien wel het belangrijkst: ik gunde Mastenbroek de verontwaardiging en het leedvermaak over mijn netelige situatie niet.
Trouwens, er kleefde aan het vluchtscenario nog een bezwaar. Wat zouden de 'flex-migranten' gaan doen als ze achterbleven met Enna? Nee, er zat niets anders op dan 'face the music and dance.'
Toen ik de keuken weer binnenkwam na uitvoerig mijn handen te hebben gewassen, was Enna drukdoende op mijn telefoon foto's te laten zien aan de twee aangekondigde moordenaars, die inmiddels onderuit in de design keukenstoelen hingen.
'I see you are making yourselves comfortable,' zei ik, de houder van de espresso-machine uitkloppend in de notenhouten bak onder het aanrecht.
De mannen reageerden niet op mijn poging tot ironie. Alleen de sik keek even omhoog naar mij, dit keer zonder minieme glimlach.
'And here you see clearly how easily you can reach the beach through this little alleyway,' hoorde ik mijn vrouw voortbeuzelen. 'It only takes two or three minutes to get to the water.' Waar had ze het over? Waarom toonde ze foto's van ons paradijsje aan de Côte d'Azur aan deze volslagen onbekende figuren?



4. De aard van de klus

Willem de Kooning, East Hampton

Daar zaten we dan, aan de lange keukentafel in de woonkeuken, met uitzicht op een zwierig titelloos schilderij met veel geel en roze van Willem de Kooning dat Enna niet lang geleden voor enkele tonnen op een Sotheby's veiling had gekocht, achter twee cappuccino's (voor onszelf), en twee dubbele espresso's (voor mijn moordenaars). Enna leefde in de veronderstelling dat ik gelijk had gehad met mijn oorspronkelijke inschatting, dat de grote kale mannen flex-migranten waren, voor een klus in Amsterdam, en dat ze, om zoveel mogelijk geld uit te sparen, gedwongen waren geweest om in hun autootje te slapen – maar over de aard van de klus was ze nog niet ingelicht.
'So you're for a job in Amsterdam,' ging ze opgeruimd van start, aanbiddelijk als altijd, terwijl ik nadrukkelijk niets zei, achter de rug van de gasten snijbewegingen maakte langs mijn keel, die ze niet begreep of weigerde te begrijpen, 'you must be hired by our neighbour to help with his... Into, wat is onderkeldering in het Engels?'
Aha. Enna was uit op wat fijne roddels over Mastenbroek, de overbuurman, die al twee jaar met een grootschalige verbouwing van zijn villa bezig was, en wiens plan om waarde toe te voegen aan zijn vastgoed enige tegenslagen hadden te verduren. Lekkages, verzakkingen, scheuren in draagmuren: Enna smulde ervan. Ik ook wel, moet ik toegeven.
Ik stond op en zei plompverloren: 'Gentlemen: I need to excuse myself.' Ik keek als een geslagen hond naar de mannen. Dat was mijn vaste strategie geweest, op tactische momenten vluchten naar de wc. Nu wilde ik van daaruit een paar telefoontjes plegen. Noodzakelijke telefoontjes. Op straat had ik overwogen om er als een kat tussenuit te knijpen, om de telefoontjes op een rustige plek te kunnen afwerken, maar ik wilde geen scène in de buurt. Er waren al genoeg scènes in de buurt (Mastenbroek die op hoge toon protesteerde tegen geluidsoverlast bijvoorbeeld, terwijl hij zelf de grootste overlastveroorzaker was, en niet alleen vanwege de verbouwing, hij had er ook een handje van, nu hij tijdelijk zijn intrek in het tuinhuis had moeten nemen, tot midden in de nacht te barbecquën en ordinair te spetteren in zijn niervormige zwembad).
De man met de sik slurpte zijn espressokopje leeg en keek me aan met één opgetrokken wenkbrauw. In het voorbijgaan slaagde hij erin mijn mobiel uit mijn hand te grissen. Ik had ook niet zo'n grote moeten kopen, dat enorme ding smeekte er zowat om uit mijn handen te worden gegrist.
Zonder een spoor van emotie gaf hij mijn telefoon bij de andere man in bewaring.
Enna was alweer bezig met nieuwe koffie.
Met de staart tussen mijn benen trok ik mij terug op de wc. Ik moest mij bezinnen op een nieuwe list.

3. Enna's uitnodiging



'Waarom komen jullie niet even binnen, dat praat gemakkelijker.' Enna stond in de deuropening en ging met een hand door haar scandalous lange, zwarte haar: bijna tot de billen. De lengte van haar haar was trouwens niet de belangrijkste eigenschap, het was de manier waarop het golfde, de weelderigheid, de wildheid ook: dit haar was met geen mogelijkheid te beteugelen, de enige manier was het afknippen, midden in de nacht, met een grote schaar, en verbranden.
De kale man met de sik was uitgestapt, zijn mobieltje als wapen in de hand. Hij droeg een vuilwitte 3/4 broek, en daaronder teenslippers met de Braziliaanse vlag. Niet echt de outfit van een killer, dacht ik, laat staan een assassinateur, maar je kon niet voorzichtig genoeg zijn. Hij bewoog met zijn sik naar Enna, zijn blik op mij gericht.
'My wife wants to know if you would care to come inside,' legde ik uit – overdreven formeel, dat was een afwijking van mij, een beroepsafwijking. Te laat bedacht ik dat ik Enna's uitnodiging ook anders had kunnen vertalen. Mijn vrouw wil dat jullie mij met rust laten, bijvoorbeeld. Of beter: mijn vrouw wil graag dat ik binnen kom.
De man stak zijn hoofd in het kleine autootje en overlegde kort met de andere man op de achterbank in een taal die ik niet verstond en ook niet kon thuisbrengen. Ik had mijn telefoon in de auto willen houden om Google een vertaling te laten maken. Al gaf Google een onvolmaakte vertaling, een onvolmaakte vertaling van wat je moordenaars met elkaar te overleggen hebben was beter dan helemaal geen vertaling.
De andere man stapte nu ook uit; zuchtend en steunend worstelde hij zich van de achterbank langs de passagiersstoel, zich aan de handgreep omhoog trekkend; zijn linkerbeen leek hierbij te haken achter iets op de achterbank. Toen hij eenmaal op straat stond, kaal en groot en verkreukeld, spreidde hij zijn O-benen en legde zijn compacte handen op zijn overhangende pens te rusten.
Enna had dit schouwspel niet afgewacht, was vast naar binnen gegaan, had de deur opengelaten.
In de verte hoorde ik de espresso-automaat, die mogelijk evenveel had gekost als het huurautootje van deze twee mannen, al sissen, blazen en gorgelen, als een monster dat zich opmaakt voor de strijd.

2. 'Are you sure?'

Hani Amir

Ik richtte me op, keek uit over de stille woonwijk en boog me toen weer voorover naar het autoraam. 'I beg your pardon?' Ik had de grote, kale man met de sik heus wel gehoord, ik was zelfs al bezig lijstjes op te stellen van mogelijke opdrachtgevers en motieven, maar ik moest tijd winnen. Als iemand aankondigt je te vermoorden is elke seconde tijdwinst.
'We are going to kill you. Understand?'
Ik gaf een miniem knikje. De andere man, die zich had opgevouwen op de achterbank, keek nogal verkreukeld uit zijn ogen, alsof hij net was ontwaakt uit een twaalf-uur durende droomloze slaap. Hij zag er niet uit als een moordenaar.
Mijn talige brein zag nog kans aandacht te schenken aan het verschil tussen assassinate en kill. Waar kwam dat assassinate vandaan? Ik herkende er geen Latijn in, maar dat kon aan mijn Latijn liggen. Assassineren had je niet in het Nederlands, hoewel assassineren een goed neologisme (of eigenlijk: anglicisme) zou zijn, een verrijking van de taal.
'Are you sure?'
De man met het sikje antwoordde door mij zijn mobiele telefoon te laten zien. Erop een foto van mijzelf van een paar jaar geleden, zo'n klein fotootje, waarschijnlijk geplukt van LinkedIn. Het was geen pr-foto, geen selfie, maar een spontane foto. Sympathieke oogopslag. Sproeten. Onbezorgde rossige krullen. Plat brilletje.
De man borg zijn telefoon weer op. 'Are you Into M. Geniet, date of birth April 20th, in the year 1978?' Into sprak hij uit als het Engelse into, Geniet sprak hij uit als 'kiniet'. Alleen de M sprak hij correct uit.
Opnieuw gaf ik een knikje. Ontkennen was even zinloos als ontkennen dat de huurauto die deze twee aspirant moordenaars hadden gehuurd aan de kleine kant was. Over het dak van het autootje staarde ik in de richting van ons huis. Een kapitale villa, heette zoiets in makelaarsjargon. Enna zat niet meer aan tafel.
Nu hard wegrennen, tegen het verkeer in?

1. Beslagen ramen

Julie Mecoli

Opeens stond er een rood autootje voor de deur, met twee grote, kale mannen erin. Ik weet ook wel dat je een verhaal zo niet kan beginnen, zo'n rood autootje dat uit de lucht komt vallen, compleet met twee passagiers, groot en kaal bovendien, maar toch was het zo. Die mannen pasten nauwelijks in dat autootje, maar ze bleven er urenlang in zitten, soms van plaats verwisselend, af en toe uitstappend om even in de achterbak te rommelen of een sigaret te roken. Ze droegen kleren die niet getuigden van enig modieus besef. Willekeurige kleren.
'Heb je die mannen gezien,' vroeg Enna bij de koffie. 'In dat autootje?'
'Ja, wat is daarmee?'
'Ze zitten er al de hele dag.'
'Ik denk flex-migranten, met een klus in Amsterdam. Ze willen geen geld uitgeven. Als je geen geld wilt uitgeven moet je binnenblijven en je niet verroeren. Zodra je je gaat bewegen, geef je geld uit. Ze willen alles wat ze met die klus verdienen mee terugnemen naar huis.'
Enna was er niet gerust op. Ze wilde de politie bellen.
'Waarom zou je de politie bellen? Die mannen zijn niemand tot last. We leven, last time I checked, in een vrij land.'
Die avond, voordat we naar bed gingen, deed ik de gordijnen opzij. Het autootje stond er nog, met de mannen erin. Ze hadden zich in allerlei bochten gewrongen, op zoek naar een slaaphouding. De ramen waren compleet beslagen. Ik vroeg me af hoeveel zuurstof twee grote mensen nodig hebben om de nacht door te komen. Waarom zetten ze geen raampje open?
De volgende ochtend ging ik naar buiten en tikte tegen het raam. Niet om ze weg te sturen, of om te zeggen dat wat ze deden illegaal was, maar uit nieuwsgierigheid. Soms denk ik: iets minder nieuwsgierig zou beter zijn voor iedereen, maar dan is het al te laat.
Het raampje ging open. De man achter het stuur droeg een ziekenfondsbrilletje. Onder aan zijn kin hing een plukje zuurkoolkleurig haar. Hij keek afwachtend naar me omhoog. Dit was het exacte moment waarop wij en zij elkaar tegenkwamen, het punt van menselijke interactie zogezegd, de confrontatie met de Ander.
'Good morning,' zei ik, zo vriendelijk mogelijk. Je weet nooit wat je aantreft, dus kun je maar het beste vriendelijk zijn, is mijn filosofie.
'Good morning,' zei de man met het sikje, met een onvervalst accent.
'May I ask what you are doing here?'
'You may.' Hij knikte. Ik meende een heel klein glimlachje te ontwaren achter de brillenglazen. 'Well?'
'We have come to assassinate you.'

Muziek uit de Wereldliteratuur



Achteraf, een bundel columns die Karel van het Reve eind jaren tachtig, begin negentig in Het Parool publiceerde, is verbazingwekkend leesbaar. Die stukjes blijven ook na een kwarteeuw nog fier overeind, omdat Van het Reve schrijft over dingen, meestal verband houdend met Russische literatuur – waarvan hij immers als slavist en oud-correspondent te Moskou het meest afwist –  die nog niet (of niet meer) algemeen bekend zijn. Kom daar eens om in huidig columnistenland. Vraag je af wat er overblijft van je lievelingscolumnist over vijfentwintig jaar... Ik voorspel minder dan een gedachtenstreepje. De meeste columnisten maken het zichzelf te gemakkelijk. Je steekt er weinig van op, dat morgen ook nog geldig is; je kunt ze, kortom, net zo goed niet lezen.
Van het Reve stopte uit zichzelf met zijn columns (dat zul je ook weinig columnisten zien doen), hij was toen vijfenzeventig, omdat hij, zo schrijft hij in zijn laatste column, niet zeker meer is van zijn geheugen. Dat getuigt van zelfkennis en bescheidenheid. Dat hij vaak een slag om de arm nam wat zijn geheugen betrof, is zijn veelvuldig gebruik van de zinsnede geloof ik, dat toegegeven, soms wat pedant kan zijn.
De reden dat ik Van het Reve aanhaal is trouwens dat hij in een column getiteld De heuvels van Mantsjoerije schrijft hoe frustrerend het is om over muziek te lezen (bijvoorbeeld in een roman) zonder te kunnen achterhalen hoe die muziek klinkt. Herkenbaar. 'Wat ik eigenlijk wil,' schrijft Van het Reve in zijn column, 'is dat iemand een serie cd's of cassettes maakt met Muziek uit de Wereldliteratuur.'
Voor mensen onder de twintig een onbegrijpelijk sentiment, want alles is thans te vinden op YouTube. Het was dus een kleine moeite om alsnog een compilatie te maken, van althans de nummers die Van het Reve, in zijn column noemt (en die mij allemaal onbekend waren, afgezien van misschien nr. 3, 9, 10).

1. De heuvels van Mantsjoerije
2. Donder der overwinning, klink!
3. Brother, can you spare a dime
4. Marching through Georgia
5. Sambre et Meuse
6. The British Grenadiers
7. Sabinchen war ein Frauenzimmer
8. Son geloso
9. La ci darem
10. Mira la bianca luna

Het lied, Broeders, het uur heeft geslagen, kennelijk bekend in communistische kringen, kon ik niet vinden. Wel Broeders Verheft u ter Vrijheid. De song En Cuba, waarvan de melodie door een personage wordt gefloten in Dashiel Hammett's The Maltese Falcon (een boek dat Van het Reve naar eigen zeggen elk jaar las) kon ik niet vinden. Walter?

Door de mand

Op luchthaven Fiumicino

'En, weer beter?' vraagt de juf met milde spot aan mijn negenjarige in de deurpost van het klaslokaal. 'Of heb je het leuk gehad bij opa en oma?' Waarna ze mij aankijkt: 'Dacht je dat wij jullie helemaal niet doorhadden?'
Ik kijk schuldbewust naar de grond. 'Ai. Hier valt geloof ik iemand door de mand.'
De juf lacht. 'Het begon ermee dat je eerst had gezegd dat je zoon aanstaande vrijdag niet mee zou gaan naar Artis. Maar wij  g i n g e n   vrijdag helemaal niet naar Artis.'
Ik knik. 'Mijn  d o c h t e r  zou naar Artis gaan,' corrigeer ik mezelf met terugwerkende kracht, en volkomen zinloos bovendien. Wie door de mand valt kan maar het beste zijn armen tegen zijn lijf aangedrukt houden, dan gaat het vallen sneller.
'We hadden al onze twijfels over de ziekmelding van jouw zoon, vrijdagochtend,' gaat de juf meedogenloos verder, 'maar toen wisten we  z e k e r  dat het een leugen was.'
'Ai.' Ik voel me als een passagier op de luchthaven die zijn pistool moet inleveren. 'Geef me je rekeningnummer, dan zal ik mijn liegboete voldoen. Jullie onderwijzers hebben het toch al zo zwaar.'
'Dat wordt dan een maandelijks terugkerend bedrag. Ha ha.'
Het schoolplein aflopend, ga ik in gedachten terug naar de bewuste vrijdagochtend waarop Het Grote Complot zijn hoogte-, dan wel dieptepunt beleefde. Sowieso is het ingewikkeld om een leerpichtige (de negenjarige) en een nog niet-leerplichtige (de vierjarige) te managen op dezelfde school, maar vooral waar het hun verzuim betreft. Die van vier neem je zo mee, daar kun je eerlijk vertellen dat de kids naar opa en oma gaan voor een logeerpartij, opdat de ouders eindelijk ook eens een weekendje kinderloos naar Rome kunnen om het intimiteitsdeficiet terug te dringen, maar die van negen, ja daar moest, dachten wij, nog even een Kleine Witte Leugen voor worden verspreid. Hetgeen nog niet meeviel, telefonisch vanaf het vliegveld. 'Wat zijn dat voor geluiden daar op de achtergrond?' stelden we ons voor dat de conciërge zou denken. Of: 'Bellen ze vanaf de WC?' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.
Wat blijkt? We hadden gewoon kunnen zeggen dat we 'iets speciaals' hadden. (Vroeger noemde mijn moeder dat in haar excuusbriefjes aan de school dat 'wegens omstandigheden'.)
Eerlijk duurt niet alleen het langst, de meeste leugens zijn niet eens nodig.



Exit Roth





Om Philip Roth te eren schrijf ik staand. Ik kan het iedereen aanbevelen. Zitten is het nieuwe roken (wacht even, dat was vlees eten; oké, dan is staan het nieuwe joggen). Het werkt, omdat je gedwongen bent om je aandacht te houden bij wat je aan het doen bent, in mijn geval schrijven, en niet een beetje kan gaan 'zitten' lanterfanten, snelschaken, met je joystick spelen enzovoorts. In een stoel achter een computer zak ik onderuit en neem ik alleen nog foto's en filmpjes en ander makkelijk te verteren geestelijk voedsel tot me met als gevolg dat ik verzand in een semi-depressieve lethargie.
Is staand schrijven – ik zie Roth voor me achter zijn schrijfgestoelte in zijn schrijfkamer in Connecticut, die lange, knappe, kalende man, die wel iets wegheeft van een Italiaanse filmacteur, met die minieme sardonische glimlach die niet van zijn gezicht is af te wassen en die hij op foto's volgens mij probeert te onderdrukken – zinnen aaneenrijgen, plotten plotten, dialogen polijsten, woorden uitspuwen. Hij noemt zich graag écouteur, las ik in een van de necrologieën. As opposed to raconteur, I presume. Hij luistert graag. Hij is verslaafd aan talk. En, toegegeven, hij is geniaal in het weergeven van die talk. Ik moet denken aan Sabbath's Theatre, – de roman die hij zelf zijn beste vond, geloof ik, waarin de hoofdpersoon in een lange voetnoot telefoonseks bedrijft (als mijn geheugen me niet in de steek laat). Maar je kunt talk ook breder trekken. Roth práát tegen je. Hij kietelt je. Kietelen met woorden, liefst op verschillende niveau's tegelijk, dat is toch wat literatuur is of zou moeten zijn.
Portnoy's complaint kietelde mij in het bijzonder. Mij staan de scènes bij waarin Alexander Portnoy zich opsluit in de WC voor zijn privézaakjes, terwijl zijn vader, die aan obstipatie lijdt, op de deur bonkt. En zijn moeder natuurlijk, die bovenop hem zit, hem smoort met haar liefde. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat dit boek géén inspiratie voor mij is geweest. Ik leefde zelfs in de veronderstelling dat iemand wel op het idee zou komen om Zalig uiteinde een katholieke Portnoy's complaint te noemen, maar die veronderstelling is onjuist gebleken. Ik moet ophouden met in veronderstellingen te leven.
Met Roth's latere, bejubelde werk, zoals The Plot Against America, heb ik minder affiniteit. Ik snap het idee van een counterfactual history, en het consequent doorvoeren van een nazistisch Amerika is een interessante oefening, maar ik lees misschien toch liever een factual history. Geschiedenis is niet zelden vreemder dan fictie, zeker in Amerika.
Ik ben trouwens geen Jood en zal er ook nooit een worden – een neef van mij heeft het geprobeerd en kwam van een kouwe kermis thuis – dus Roths riedel over de Joodse gemeenschap, en dan in het bijzonder die in de jaren vijftig/zestig in New Jersey (hoe vaak heeft hij daar in zijn werk niet naar verwezen?), is niet aan mij besteed. Als je Roth leest vergeet je nooit dat hij een Jood is, maar zijn Joods-zijn is niet wat hem zo goed maakt. Wat hem zo goed maakt is zijn genadeloosheid en zijn stijl, die op de beste momenten nog het meest wegheeft van een onstuitbaar, exuberant, cynisch-vrolijkmakend taalfontein.
Even zitten.

Overklassen



Vanaf de hoogste verdieping van de Mondriaan-toren belde ik mijn raadsman, die een eindje verderop op de Zuidas kantoor houdt, – dat kluitje wolkenkrabbers zag er nu, hoe zal ik het zeggen, enigszins petieterig uit –, om te melden dat ik voor het eerst in mijn leven met recht op hem neer kon kijken (hij is tegen de twee meter, of daar net overheen). Ik bel hem wel vaker met zulke mededelingen. Ik kan me herinneren dat ik eens om twaalf uur 's nachts over de A10 reed, en meende op zijn verdieping het licht nog te zien branden. 'Ik ga je nu met honderd kilometer per uur voorbij,' luidde toen de boodschap. Vrijdag verheug ik me erop hem te kunnen berichten dat ik op enkele honderden meters over hem heen vlieg.

'Til death do us part

Ben E. King

Op verzoek van de vierjarige gebruiken we de avondmaaltijd voor het eerst weer eens op het bankje voor het huis, ik probeer mijn kinderen linzen te laten eten, met wisselend succes – thans steppen ze een blokje om –, als er een Ford vrij haastig voor mijn neus parkeert. Twee mannen voorin. Een van hen voert een telefoongesprek via de handsfree, veronderstel ik, want hij schreeuwt tegen iemand die zich niet in de Ford bevindt. 'Kuthoer!' roept hij. 'Kankerhoer!' Ik betwijfel of de man zich bewust is van mij, of van de reikwijdte van zijn woorden, maar ik betwijfel eveneens of hem dat iets kan schelen. 'Ik ga je helemaal kapot maken!' Dat gaat zo nog een tijdje door, inmiddels zijn mijn kinderen terug van hun step-ronde, maar ze hebben niets in de gaten, gelukkig. De tere kinderziel enzovoorts, maar ook: geen zin om uit te leggen wat daar aan de hand zou kunnen zijn, in die Ford en daarbuiten. We hebben immers nog geen twee dagen geleden The Royal Wedding bijgewoond, via de tizie dan, waarvan vooral de betoverende gospelversie door het Kingdom Choir van Ben E. Kings Stand by me me was bijgebleven, maar toch ook de eloquentie van de verschillende geestelijken. Mooi dat mannen nog steeds de dienst uitmaken bij zo'n huwelijksceremonie, verbaal dan, terwijl er natuurlijk veel meer redenen zijn, in het licht van Weinstein, Spacey, Cosby et al., om een en ander door een vrouw te laten doen. Als voormalig reverend van de Universal Life Church, in welke hoedanigheid ik luttele huwelijken heb mogen inzegenen, op mijn ritueel-romantische-recalcitrante manier, was ik met name geïnteresseerd in de formule die zou worden gebruikt op het moment suprême. 'Waarschuw me als het zover is,' zei ik tegen lieftallige, die een grotere huwelijksjunkie is dan ik, terwijl ik weg van de tizie andere dingen ging doen (linzen opzetten bijvoorbeeld). 'Ja nu! Komen!' Ik kwam. En daar waren ze weer: 'in sickness and in health' enzovoorts. Til death do us part'. Ik hoorde de bruid niet beloven de bruidegom te gehoorzamen. Dat 'obey' stukje in de huwelijksbelofte is door Lady Di geschrapt, las ik. Noem het vooruitgang.

Saddlebags

Tom Wolfe door Edward Sorel
Er zijn twee soorten schrijvers: zij die research doen voor hun werk, en zij die dat niet doen. Dan heb je nog twee schrijfstijlen, de zuinige en de wijdlopige. Tom Wolfe behoorde tot de eerste soort schrijver en hanteerde de tweede stijl. Zo'n combinatie heeft dikke boeken tot gevolg. De hard back van A man in full neemt in mijn boekenkast evenveel plek in als de bijbel. The bonfire of the vanities heb ik in pocket, maar dan telt die nog steeds 690 pagina's. Wie dat boek willekeurig openslaat leest ellenlange alinea's die eigenlijk uit een zin hadden moeten bestaan. Bonfire eindigt met een – lang! - fictief nieuwsbericht uit de New York Times. Een schrijver die geen research doet en zich bedient van de zuinige schrijfstijl, zou zijn roman nooit eindigen met een fictief nieuwsbericht.
Thematiek? Wolfe bedreef social satire. Dat is een genre dat in Nederland nauwelijks voorkomt; Hermans, bijvoorbeeld in Onder professoren, komt in de buurt; Voskuil wellicht ook. Wolfe is uit op het neerzetten van bepaalde sociale lagen van de bevolking, en mikt daarbij op de lach. In Bonfire schildert hij gedetailleerd en geloofwaardig het arrogante, verwende Wall Street wereldje van geldwolven en advocaten, maar hoewel Sherman McCoy van racisme wordt beschuldigd, wordt het nergens verontrustend. In A Man in Full wordt een self made zakenman in Atlanta onvergetelijk geportretteerd. Ik zal het woord 'saddlebags' nooit meer kunnen horen of lezen zonder te denken aan de oksels van Charlie Croker, als hij weer onder handen wordt genomen voor een financial work out. Toch bijt zijn tragiek niet.
Jay McInnerney en misschien Martin Amis horen denkelijk tot dezelfde school van schrijvers die zich uitleven in beschrijvingen. Soms lijkt het alsof ze daarmee willen laten zien hoe goed ze zijn ingevoerd in de materie. Maar dat is precies het probleem. Ze zijn zo druk bezig met het opbouwen van het decor, en het aankleden van hun karakters, dat ze voorbijgaan aan het drama.

Auto's



De achtjarige van weleer is niet meer; gisteren werd hij negen. Ik vind negen een magischer getal dan acht en tien, maar ik weet niet waarom. Is er iets veranderd? Jawel. De negenjarige heeft een obsessie met auto's. Ik moet hierbij aantekenen dat hij door zijn bijna tienjarige vriendje uit de buurt is aangestoken. Die kwam met autotijdschriften aanzetten, wist een Ferrari van een Lamborghini te onderscheiden en gaf mijn negenjarige het idee dat auto's eigenlijk het enige zijn wat er in het leven van een negenjarige toe doet. Nu is hij ook helemaal om. Op weg naar school worden alle merken opgesomd. 'Kijk pap, de auto van Mr. Bean. Een Mini! En daar: een Audi, een Volvo, een Volkswagen, een Renault, een Peugeot! Pap, kijk dan, een Porsche!' Met dat vriendje uit de buurt is hij onlangs alle geparkeerde auto's op de kade gaan registeren, inclusief topsnelheden, en beoordelen. Onze auto kwam er niet zo best vanaf. Then again, van de vette Jaguar (met  t w e e  uitlaatpijpen) van de buurman waren ze ook weinig onder de indruk. Tesla kwam als winnaar uit de bus. Dat viel te verwachten. Tesla wordt niet zozeer vereerd vanwege zijn uiterlijk, geloof ik, of zijn energieverbruik, maar gewoon, omdat het een Tesla is. Tesla heeft, kortom, de beste brand marketing. Maar gelukkig heeft mijn negenjarige ook nog een eigen mening. Want de auto waar hij verliefd op is, is de Citroën Cactus, die zich onderscheidt door plastic versiering op de portieren. Een vriendin van ons heeft zo'n ding, in een, laat ik er niet omheen draaien, foeilelijke kleur, en toen is de verliefdheid ontstaan. Een paar dagen geleden kwam hij trots vertellen dat hij een Citroën Cactus een kus had gegeven. Ik kan me niet herinneren dat mijn autoliefde destijds zover ging, en je vraagt je als ouder af waar dit eindigt.

Filosofie

Anone in De Groene Amsterdammer


Op mijn reportage over het Dortmundse poppenbordeel kreeg ik veel, en opvallend
lovende reacties, van lezers die zich bevonden in Hongkong, Londen, Boston en New Jersey, behalve van een vrouw, die me in een email berispte voor mijn 'slappe verhaal'. Eerst dacht ik, toegegeven, misschien nogal gretig-hysterisch: een hatemail. Een hatemail is voor een schrijver in deze ontlezen tijden toch een soort verzetsmedaille. Daarna dacht ik, mede gezien haar toevoeging 'Kom dat maar eens uitleggen, dan,' hier te maken te hebben met een vrouw in de business om zo te zeggen. Al met al nogal cryptisch, dus ik stuurde haar een verzoek om zich nader te verklaren en toen bleek dat deze Jannah vond dat ik niet diep genoeg op de materie in ging.
Filosofisch, bedoelde ze.
Van alle bezwaren die met name vrouwelijke lezers tegen mijn verhaal zouden kunnen hebben, was dit er een die ik niet had zien aankomen. De lezeres in kwestie vond dat mijn verhaal thuishoorde in de Consumentengids, of anders bij een reisverhaal, 'net zoiets als een restaurantrecensie'.
Ik begrijp de behoefte aan diepgang heden ten dage, maar ik vrees dat de troost die de filosofie kan bieden beperkt is. In dit verband verwacht ik meer van de primatologie.

Vriendelijke boekrecensie

Een oude vriend van me, Oliver Reps, heeft een lean en mean boek geschreven over een jongen die graag gitaar speelt, van science fiction houdt, van gedachte-experimenten, en van sadistische spelletjes. Vrienden heeft hij niet. Na schooltijd hangt hij het liefst met zijn zieke zusje, en Polly, zijn verliefde fantasie. Polly wants a cracker, inderdaad. De P. uit P.J. Harvey. Dit boek wemelt van de pop-culturele verwijzingen. De verteller doet zijn verhaal aan zijn psychiater. Aan zijn ouders heeft hij niets.
Ik las De dag die nooit komt in een paar uur uit, en was onder de indruk van de vaart van de vertelling, het soepele springen in de tijd, maar vooral de ontknoping. Die kwam als een mokerslagje bij mij aan. Dat is bedoeld als compliment. Elke schrijver wil zijn roman, maar vooral het slotakkoord ervan als een mokerslagje laten aankomen bij de lezer; hij wil haar een beetje verpletteren, vermorzelen, verpulveren. Reps slaagt hierin niet door literair of literair-aandoend geneuzel, maar door de strop steeds strakker aan te trekken tot aan zijn onverbiddelijke einde. Als elke goede roman te lezen is als het afscheidsbriefje van een zelfmoordenaar, dan is dit een bijzonder puntig afscheidsbriefje.
Er staan mooie, zwart-romantische overpeinzingen in dit boek. Typische adolescenten-overpeinzingen, maar dat zijn de mooiste overpeinzingen. Is er leven na de puberteit? Wat ooit een psychische en emotionele rollercoaster was, wordt een invuloefening. Groots en meeslepend leven – dat kan na je 21ste eigenlijk niet meer, misschien al niet meer na je 17e.
Mij deed De dag die nooit komt in de verte denken aan Die Leiden des jungen Werthers en aan de adolescentenromans aller adolescentenromans, The catcher in the rye. Lezen dus, die Reps. Laat je niet afschrikken door het kinderachtige omslag. Laat je verleiden door de titel (geleend van Metallica).

De organisatie van het geluk

William Wegman

Veere, maandag 7 mei, 2018. Het gezelschap bestaat uit vier volwassenen en vier kinderen. Het doel is lunchen bij het restaurant aangeraden door culinaire kennissen en dat weliswaar geen ster heeft, maar dat wel is opgemerkt door Guide Michelin, zo blijkt uit plakkaten aan de gevel, en volgens weer andere plakkaten door Misset is uitgeroepen tot hebbende het op een na mooiste terras van Nederland. Probleem: er is niet gereserveerd. Het geaccidenteerde, zonovergoten terras met uitzicht op het St Tropez-achtige haventje zit vol. Het dienstdoende personeel is welwillend, maar er is geen plek. Hoog boven op het terras, in de weldadige schaduw, verzamelt zich een gezelschap dat  w e l  heeft gereserveerd. Omkeren? Dat ware verstandig geweest, minder stressvol ook, maar de jarige doesn't take no for an answer. We parkeren onszelf en de kinderen aan drie aaneen geschoven tafeltjes in de schaduwloze rookhoek. De kinderen klagen over hitte en worden ten minste drie keer verplaatst naar andere stoelen. 'Verzeihung für die Stuhl Tanz,' mompel ik tegen de Duitsers achter ons. Als voor het gemak vier dezelfde drankjes voor de vier kinderen worden besteld beginnen twee van hen te steigeren en te jammeren over zoveel onrechtvaardigheid, enzovoorts enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Ondertussen blijkt er elders, onder de parasols, ruimte vrij te zijn gekomen, naast een hevig getatoëerd stel met twee mastiffs ter grootte van kalveren, die liggen te slapen op de koele tegels. We verhuizen. Nu begrijp ik de kommen met water die her en der over het terras staan; dit is een hondvriendelijke tent. Als ze opstaan, de mastiffs bedoel ik, reik ik met mijn hand naar hun bekken, terwijl ik bij een van de baasjes informeer 'of de mastiffs ook handen lusten'. Dit blijkt niet het geval. Toch krijg ik een uitbrander van een lid van het gezelschap wegens roekeloos gedrag; ik snauw terug. We eten en het smaakt, maar de sfeer was ooit beter. Nadat we betaald hebben, lopen we om het haventje terug naar onze auto's. Onder de ruitenwisser van de mijne vind ik een parkeerbon à €109.

Vijfentwintigste werkdag



Op de trap naar de oud-bibliothecaresse stuit ik op een zorgteamlid dat ik nog niet eerder heb ontmoet: een in het wit geklede, stralende vrouw met weelderige krullen, zo opgewekt en zo opgeruimd, dat je haar onmiddellijk zou inhuren voor je eigen oude dag. Hoe goed ze is, ook voor de oud-bibliothecaresse, blijkt wel als ze op mijn vraag hoe het met de wanen is gesteld, antwoordt dat mevrouw niet meer bang is voor de krokodil op het dak omdat er geen krokodil op het dak meer is. 'Ik heb meteen gevraagd aan de mensen die daar wonen of ze die drie planken even van het dak wilden halen, en toen was het probleem opgelost.' Vanochtend hebben ze al een terrasje aan de gracht gepakt, ijsje gegeten, enzovoorts, ze laat me de foto's op haar iPad mini zien – héérlijk was het.
'Nou, dan kan ik wel weer naar huis.'
'Nee, jôh! Ga lekker naar boven!'
Ouderen die worden verwaarloosd krijgen alle aandacht, maar zij die te maken hebben met een onophoudelijke stroom mantelzorgers, bezorgde buurtbewoners, schrijvers, enzovoorts, worden niet gehoord. Hebben ouderen geen recht op tijd voor zichzelf?
Nu omkeren zou jammer zijn, dus ga ik toch maar naar boven. De oud-bibliothecaresse verklaart nogal plichtmatig dat ze blij is me te zien. Ze is bezig in Volkskrant Magazine. Mijn stuk over Liebespuppen in Dortmund heeft ze overgeslagen, maar als ik terugblader naar de foto waarop de schrijver door twee van zulke poppen wordt geflankeerd, zegt ze dat mijn gezicht haar wel bekend was voorgekomen. Ik lees het stuk voor. Ze hoort het met opgetrokken wenkbrauwen aan. Pas bij de pop die door midden brak, hoor ik een grinnik.
We gaan een biertje drinken. Na een schuifelwandeling door de bomvolle Jordaan belanden we op een terras op de Westerstraat. De oud-bibliothecaresse wil graag pal in de zon zitten; ik zet mijn zonnebril over haar bril heen op haar neus.
Na een lange stilte zeg ik: 'Jij wilt nooit in een verpleegtehuis, hè?'
'Nee. Als ik in een verpleegtehuis moet, duik ik onder.'
'Bij mij mag je altijd onderduiken. Ik ben dol op onderduikers.'
'Daar houd ik je aan, Viktor.' Glunderend trekt ze aan haar shaggie.

Lunchen met een kater



De kater was er al, toen ik binnenkwam. Hij lag half in de vensterbank, half over ons vaste tafeltje. Eigenlijk zoals hij altijd ligt. Hij wil enerzijds niet te veel zonnewarmte missen, zeker niet in deze na-winter, maar aan de andere kant wel volop aan de conversatie mee kunnen doen. Hoewel, conversatie. Meestal luistert hij alleen. Met zijn ogen dicht. En voor die opstelling valt veel te zeggen.
'Leuk je weer te zien,' zei ik, terwijl ik mijn jasje uittrok en tegenover hem ging zitten, met mijn rug naar de muur. En ik meende het.
'Insgelijks,' zei de kater. 'Wat neem jij, ik neem de bagel met zalm.'
'En dan eet je zeker weer alleen de zalm van de bagel af?' kaatste ik terug, kribbiger dan ik had gewild.
'Wat zou het? Jij mag de avocado-schijfjes hebben, als je wilt.'
'Graag. Maar ik vind het zo decadent.'
'Als ik zo vrij mag zijn,' sprak de kater, terwijl hij een slokje van de mierzoete muntthee nam, die kennelijk al een tijdje voor hem op tafel had staan afkoelen, 'jij beschuldigt anderen wel erg makkelijk van decadentie en spilzucht, terwijl je zelf de decadentste persoon bent die ik ken.'
Er viel een korte stilte. Ik nam de Telegraaf erbij.
'Nou, gezellig hoor,' zei de kater, sarcastisch. 'Lunchen we een keer, gaat meneer de Telegraaf zitten lezen.'
'Je moet ergens de Telegraaf lezen, en dan kun je het maar beter hier doen. Geen zorgen, ik heb hem zo uit, dat is een van de kwaliteiten van de Telegraaf.'
De kater sloot zijn ogen. Hij spinde niet. 'Nou, kom maar op, wat lees je in de Telegraaf?'
Alsof het zo was afgesproken werd net op dat moment de bagel met zalm voor de kater neergezet. Uit solidariteit had ik ook een bagel met zalm besteld. Trouwens niet alleen uit solidariteit, ook uit nostalgie. Die bagel met zalm en cream cheese transporteert me, als is het maar voor even, terug naar New York.
'Ik lees hier een ronkend stuk over Willem Alexanders eerste vijf jaar als koning der Nederlanden.'
'En daar ga je dan natuurlijk weer cynisch commentaar op leveren,' zei de kater, met zijn ogen wijd open en zijn mond vol zalm.
'Hoeft niet. Er staat hier dat hij zijn belangrijkste bevoegdheid heeft ingeleverd.'
'Leest hij de drie prinsesjes niet meer voor?' De kater grijnsde.
'Wim heeft niets meer te schaften met de kabinetsformatie. Hij heeft alleen nog maar te schaften met premier Rutte, elke dinsdagmiddag om drie uur.'
'Wat een vreemd tijdstip. Te vroeg voor thee, te laat voor lunch.'
'Maar any time is the right time for –.'
'Zie je wel? Daar ga je weer.'




Roze sneeuw



Mijn avondlijke wandeling valt net na een regenbui, waardoor de roze sneeuw is vereeuwigd op de auto's. De Japanse kers laat zijn bloesem los, maar het is nog niet voorbij. Er zit nog wat aan. Ondertussen liggen de goten van de straten vol met vlokken. Aanlokkelijk om een handje te grijpen en jezelf onder te sneeuwen, of nog beter, een passant, maar de kans dat deze spontane ondersneeuwing als een daad van medemenselijkheid en liefde wordt opgevat is op dit tijdstip gering. Misschien een Japanner, misschien een Japanner die het begrijpt. Waar gaat dit heen? Hetzelfde rondje, ik kom niemand tegen, zelfs geen honden; de cafés zijn leger dan normaal. De vrouw die altijd met haar laptop op schoot televisie kijkt kijkt ook nu weer met haar laptop op schoot televisie. Ik herinner me dat ik, hoelang alweer geleden, een foto maakte van een Japanse kers in de nacht, met flits, van onderaf. Dat moet rond deze tijd zijn geweest. Bloesem in de nacht. Ik wou dat het nog steeds sneeuwde maar het sneeuwt niet. Het sneeuwt ook alleen als ik niet kijk, als er net een windvlaag is; is het windstil, dan dwarrelt het heel langzaam, bijna onmerkbaar. Heel langzame roze sneeuw. Een vertraagde film, roze sneeuw in slow motion. Niemand die er acht op slaat, of iets over zegt, althans niet tegen mij. Een vriend van me is drie weken naar Japan. Hij wel, maar hij is  n e t  te laat voor de kers. De bloesem viel vroeg dit jaar. Hier hebben we nog even, maar ook niet lang meer. Zal ik eens flink aan de boomtakken schudden?

Adolescent interview



'Meneer mogen wij u interviewen?' Twee adolescenten – aandoenlijk, zoals alle adolescenten –, maar omdat het gymnasiasten zijn (twee meisjes van het Cygnus), nog aandoenlijker.
'Tuurlijk, ga zitten.' Ik zit zoals zo vaak op mijn bankje op het zijplein van de school van mijn vier- en achtjarige, en ik lees, zoals zo vaak, terwijl zij spelen (het verbaast me dat ik de enige ben). Ik schuif een stukje op en luister naar de meisjes.
'Wat vindt u van de Plantagebuurt.' 'Vindt u dat het te druk is in de Plantagebuurt.' 'Zou u iets aan de Plantagebuurt willen veranderen.' Enzovoort, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. 'Het is voor aardrijkskunde.' 'In mijn tijd...'
Het ene meisje heeft lang donker haar en is al een halve vrouw; het andere meisje, met plaatjesbeugel en jeugdpuistje, is op weg een kwart vrouw te worden. Beiden houden hun mobieltje voor zich omhoog als een soort schild (of wapen). De donkere meisjesvrouw maakt de aantekeningen, het beugeltje stelt de vragen. Misschien zou je omgekeerd verwachten. Schaamte is iets dat groeit.
Mag ik jullie ook nog een vraag stellen, vraag ik na afloop, als ze een selfie met mij hebben gemaakt (anders gelooft het Cygnus niet dat het interview heeft plaatsgevonden): 'Waar dromen jullie van?'
Peinzende gezichten. Dat vinden ze een moeilijke vraag. Is het ook. Ik probeer ze op weg te helpen met mijn theorie, dat mensen rond hun twaalfde, dertiende nog durven te dromen, nog overal mogelijkheden zien; daarna laten ze zich steeds makkelijker terugfluiten door de realiteit. Then again, waarom zouden deze meisjes dat zomaar willen delen met een wildvreemde die hun vader, misschien zelfs grootvader, zou kunnen zijn?
Dan, eindelijk, na een stilte, bekent de kwartvrouw met de beugel: 'Ik droom wel eens van een truitje, of een bloesje, dat ik graag wil hebben.'

Varende varkens

André Masson: le misanthrope (self portrait)

Waarom heb ik een tamelijke grote hekel, elk seizoen opnieuw en nu weer in toenemende mate, hoewel ik verder geloof ik weinig mankeer, aan door de grachten varende feestvarkens? Is dat omdat ze lawaai maken en het lawaai op het water 'lekker ver draagt'? Neu. Ik maak zelf ook lawaai, anders mijn kinderen wel, hoewel ik de overlast probeer te beperken, en trouwens, het lawaai van de varkensboot is per definitie tijdelijk. Althans, de lawaai van die  e n e  varkensboot. Omdat men feest terwijl er niets is te feesten? Dat komt al meer in de buurt, maar: waarom zou   i k   daar iets op tegen hebben? Het staat toch elk individu vrij om zijn tijd naar eigen inzicht te doden, en als iemand zijn tijd op een  f e e s t e l i j k e   manier wil doen, dus met lawaai en alcohol, dan is dat toch nog altijd beter dan op een  o o r l o g s z u c h t i g e   manier, even ervan afgezien dat feesten nogal eens naadloos overgaan in oorlogen (en omgekeerd)? Omdat de varkens samengeklonterd zitten/staan op een bijzonder kleine oppervlakte, dikwijls een stalen kuip? Omdat ze niet zelden van het achterdek (of, als ze echt feestelijk zijn, van het voor- of zijdek) in de gracht piesen? Omdat ik, zijnde flexitariër per definitie een complexe relatie heb met varkens? Nee, nee en nog eens nee. Jaloezie dan misschien, omdat ik zelf niet op die feestboot zit, omdat ik zelf geen deel uitmaak van de varende varkensvloot, omdat ik zelf niet ben uitgenodigd om mee te kleppen, te slempen, mee te hoeren en te snoeren met deze zonder uitzondering cosmetisch verantwoorde, jonge, goed doorbloede menigte? Nee, dat toch ook niet. Het moet een milde vorm van misantropie zijn. Valt mee te leven.

International man of mystery



Hij is kapitein op een enorm motorjacht van een Russische familie. 'Ze bellen me op en zeggen: kom ons daar en daar oppikken, dan gaan we een stukje varen. En dan doe ik dat.' Momenteel is hij een jaar betaald vrijaf in afwachting van een nieuw, nog groter jacht, dat de Russen laten bouwen in Engeland. Zijn vader woont in Kaapstad, zijn moeder in Tel Aviv, dus Tel Aviv noemt hij dan voor het gemak thuis. (Thuis is waar je moeder is.) Hij heeft een stukje grond gekocht in Zuid-India, waarop hij eigenhandig een huis heeft gebouwd. Hij werkt daar als yogaleraar. 'Ik probeer vier, vijf maanden per jaar in India te zijn om mezelf op te laden. Het leven is daar heerlijk en kost bijna niets.' Hij heeft ook nog een kippenboerderij op Cyprus, maar dat is meer een investering, daar hoeft hij niet bij te zijn. En nu is hij dus even in Amsterdam, om een scheepje, dat hier nog lag, uit de mottenballen te halen. 'Amsterdam is een rare plek aan het worden... Ik bestelde koffie in een coffeebar, en toen ik wilde afrekenen, zei de verkoopster: we nemen geen cash. Creditcard dan? Ook niet. Alleen pin. Ik had geen pin. De verkoopster pakt me mijn koffie af en gooit de kop leeg in de gootsteen.' Ik heb de klacht eerder gehoord, van Amerikanen. Wellicht loopt men hier te lande iets te hard van stapel met digitaal betalen. Hoe zit het met de liefde? Zoals het zeelui betaamt heeft onze kapitein in elk stadje een ander schatje. Weten ze van elkaar? 'Als ik bij de een ben, ben ik eerlijk, als ik bij de ander ben, ben ik eerlijk. Dat is voor mij genoeg eerlijkheid.' Je bent een international man of mystery, zeg ik. Dat vindt hij leuk om te horen. 'Vooral dat mystery-gedeelte.'

Nudisme voor beginners

Anton Mauve: Morgenrit op het strand (1876)

De eerste duik in zee dit jaar had enige voeten in de aarde. Om te beginnen had ik geen zwembroek bij me en ook geen handdoek. Het strand was tamelijk druk en ik had nu eens geen zin om mijzelf cq. de mijnen te generen. Dus: wandelen. Het is goed om te gaan wandelen als men ergens niet uitkomt; dit wisten de Grieken al. Ik wandelde langs het water richting het noorden, met de zon in mijn rug. Het aantal strandgasten verminderde aanzienlijk, maar helemaal leeg werd het niet. Ik keek naar de zee. Die was kalm en uitnodigend, ook al had mijn moeder vooraf gewaarschuwd dat het water slechts 8 graden was. Ik had daarop geantwoord dat ik een paar jaar geleden afdaalde in de Oostzee, toen 6 graden, maar niet dan nadat ik was voorgekookt in de sauna.
De strandhuisjes in de duinen werden hier en daar al bevolkt. Een groepje in het bijzonder van een man of zes, viel mij op, en ik denk dat ik hen ook ben opgevallen. Iemand die iets van plan is, valt op. Ik draaide mij om en overzag de uitgestrekte watervlakte, die sinds de aanleg van windmolens in zee, iets minder uitgestrekt lijkt, en trok mijn t-shirt uit. Daarna trok ik mijn broek en mijn onderbroek in één moeite door uit, legde mijn kleding op een stapeltje en liep de zee in.
'Hé!' hoorde ik achter mij uit de verte roepen. Ik reageerde niet. Toen ik eenmaal zwom dacht ik: 'Ze pakken mijn kleren. Ze verscheuren mijn kleren voor mijn ogen. Ze steken mijn kleren in brand.' En: 'Ze waarschuwen de autoriteiten.'
Nadat ik vijftig meter de zee in was gezwommen, begon mijn lijf te tintelen. Ik keerde om. Mijn kleren lagen er nog, onaangetast. Ik ging met mijn blote kont in het zand zitten drogen in de zon. Een jongen en een meisje met een Sint Bernard – dewelke laatste, vreesde ik, wellicht zijn snuit in mijn kruis zou willen steken –, liepen met een grote boog om mij heen.

Huilnummer



In een Libération die ik uit Parijs heb meegetorst, lees ik dat animateur (dat beroep kende ik ook niet) Stéphane Saunier's favoriete huilnummer 'Drunk in the morning' is. Ik ken dat nummer niet, en aangezien ik een zwak voor huilnummers heb, tijp ik het in op YouTube. Onmiddellijk start een vreselijk opgewekt pop-nummertje, met bijbehorende video, waarin een vadsige krullenbol, die zich 'Lukas Graham' noemt, zingt hoe hij, als hij 'drunk in the morning' is, een meisje belt, van wie hij aanneemt dat ze 'lonely' is, en dat hij dan hoopt dat ze opneemt, ook al weet hij niet zeker of hij het goede nummer heeft. Geen Nobelprijs-materiaal, dit. Het zal toch ook niet het huilnummer zijn, dat de Parijzenaar in Libé bedoelde? Hiervan zullen hooguit zij huilen die een hekel hebben aan de mensheid. Inderdaad, even doorscrollen naar onder leert dat er nog een 'Drunk in the morning' is, en wel van Mick Farren. Lijkt er al meer op. Twee, drie akkoorden, een slepende slaggitaar, op de tel. Toch hoor je meteen dat het muzikaal is. Farren zingt op een Jim Morisson/Dylan-achtige manier, hij spuwt de woorden uit, bijna met tegenzin, dikwijls vals. 'Feels like I ate some old brass keys.' Kijk, dat begint er op te lijken. Farren blijkt frontman van protopunk band The deviants te zijn geweest. Stonede plaat, Ptooff (1967). Huilen weet ik niet, nog geen zin in, maar toch een fijne ontdekking.

Live in Betondorp

Lilou Dekker

We zijn wat vroeg in Betondorp voor Circus Reve, een voorstelling van Arie Storm over de volksschrijver in een open tent bij zonsondergang, aan de rand van de A10, dus we maken een ommetje. Zo vaak komt een mens niet in Betondorp, dus dat is alvast winst. We zien een man op de stoep brood voeren aan een nijlgans. 'En,' kan ik niet nalaten te vragen, wijzend op het parade-achtig gedoe op het grasveldje verderop, toeschouwers komen druppelgewijs langzaam aan vanuit de stad, 'wat vindt u ervan?' 'Asociaal,' antwoordt de man zonder een moment na te denken. Er valt een stilte die niet anders dan ongemakkelijk is te noemen, dus wij verwijderen ons en nemen plaats in de toneeltent en wachten op wat komen gaat. In elk geval dit: koude en zonsondergang. Voor ons op de tribune zijn er dekens maar niet voor Lilou Dekker, de beminnelijke vertelster/huisvrouw in de voorstelling, die in een broekpakje met ultrakorte pijpen aan een touwladder hangt. Arie Storm heeft Gerard Reve tot leven gewekt, zoveel is zeker, voor schoolkinderen van alle niveau's, en Sebastiaan Frowijn speelt hem met verve, ook al is hij pakweg veertig jaar te jong. Curieus dat niet alleen het rooms katholicisme ('een paardenmiddel'), maar ook het revisme te enen male ontbreekt. Er zijn twee Jongens (niet blond, maar toch) en er is een bijl, maar niemand wordt getuchtigd. In de verte gaat een zwarte poes voorbij, en, volgens een goddelijke regie, een konijntje. Het is geen straf om naar teksten van en over Reve (van 'een fan') te luisteren, en daarbij getuige te zijn van dansjes, sketchjes en wat dies meer zij, maar een stuk wordt het niet. 'Where's the drama?' om een geliefde uitspraak van Storm de criticus aan te halen. Nou ja. Reve kon het ook niet, toneelschrijven. Een andere kunst.

Koude en warme douche

Arin Rungjang: Golden teardrop

Niet onaangenaam, reizen per Thalys eerste klas naar Rotterdam Centraal, je zoeft door het saaie edoch lieflijke Noord-Franse landschap, iedereen spreekt op gedempte toon, hier is een vlotte medepassagier die fotomodel zou kunnen zijn, daar leest iemand een echt boek; het gratis verstrekte poppenflesje wijn helpt om de pijn van het Parijs achterlaten te verzachten. Maar dan: hollen naar perron 16 voor de overstap op de Sprinter naar Amsterdam. Geen beenruimte, lawaaivolk, stampij, het ene na het andere vochtige en tochtige stationnetje dat je doet afvragen waarom je er ook weer voor 'gekozen' hebt om je leven te leiden in deze zompig-grimmige uithoek temidden van half-analfabete, fantasieloze schreeuwlelijken. Gelukkig word je, op het eiland Amsterdam, afgehaald van het station, door je geliefden, je dochter! Ze heeft je, vanaf pakweg honderd meter, het station uit zien komen en begint te rennen. Je zet je bagage neer en spreid je armen. Kom maar schatje! Ik heb jou ook gemist, wat heerlijk om je terug te zien! Ze rent, zo hard als ze kan, met stampende schoentjes om haar broer bij te houden, zij moet er als eerste zijn! Gelukkig beschik je over twee armen. Een arm voor elk kind. De zoon zal aankomen in de linkerarm, de dochter in de rechter. Maar je heb iets over het hoofd gezien: je knieën. Die steken, door de gehurkte houding, vooruit. Je dochter stoot zich keihard aan de uitstekende knieën en zet het op een brullen. Van weerzien naar troosten in tien seconden. Later, toch nog, op de familietoren, nadat de zoon ook emotioneel is geweest over een onrechtvaardigheid, twee schitterende tranen bungelen plagerig lang als parels onderaan zijn oogleden, het warme onthaal.