Varende varkens

André Masson: le misanthrope (self portrait)

Waarom heb ik een tamelijke grote hekel, elk seizoen opnieuw en nu weer in toenemende mate, hoewel ik verder geloof ik weinig mankeer, aan door de grachten varende feestvarkens? Is dat omdat ze lawaai maken en het lawaai op het water 'lekker ver draagt'? Neu. Ik maak zelf ook lawaai, anders mijn kinderen wel, hoewel ik de overlast probeer te beperken, en trouwens, het lawaai van de varkensboot is per definitie tijdelijk. Althans, de lawaai van die  e n e  varkensboot. Omdat men feest terwijl er niets is te feesten? Dat komt al meer in de buurt, maar: waarom zou   i k   daar iets op tegen hebben? Het staat toch elk individu vrij om zijn tijd naar eigen inzicht te doden, en als iemand zijn tijd op een  f e e s t e l i j k e   manier wil doen, dus met lawaai en alcohol, dan is dat toch nog altijd beter dan op een  o o r l o g s z u c h t i g e   manier, even ervan afgezien dat feesten nogal eens naadloos overgaan in oorlogen (en omgekeerd)? Omdat de varkens samengeklonterd zitten/staan op een bijzonder kleine oppervlakte, dikwijls een stalen kuip? Omdat ze niet zelden van het achterdek (of, als ze echt feestelijk zijn, van het voor- of zijdek) in de gracht piesen? Omdat ik, zijnde flexitariër per definitie een complexe relatie heb met varkens? Nee, nee en nog eens nee. Jaloezie dan misschien, omdat ik zelf niet op die feestboot zit, omdat ik zelf geen deel uitmaak van de varende varkensvloot, omdat ik zelf niet ben uitgenodigd om mee te kleppen, te slempen, mee te hoeren en te snoeren met deze zonder uitzondering cosmetisch verantwoorde, jonge, goed doorbloede menigte? Nee, dat toch ook niet. Het moet een milde vorm van misantropie zijn. Valt mee te leven.

International man of mystery



Hij is kapitein op een enorm motorjacht van een Russische familie. 'Ze bellen me op en zeggen: kom ons daar en daar oppikken, dan gaan we een stukje varen. En dan doe ik dat.' Momenteel is hij een jaar betaald vrijaf in afwachting van een nieuw, nog groter jacht, dat de Russen laten bouwen in Engeland. Zijn vader woont in Kaapstad, zijn moeder in Tel Aviv, dus Tel Aviv noemt hij dan voor het gemak thuis. (Thuis is waar je moeder is.) Hij heeft een stukje grond gekocht in Zuid-India, waarop hij eigenhandig een huis heeft gebouwd. Hij werkt daar als yogaleraar. 'Ik probeer vier, vijf maanden per jaar in India te zijn om mezelf op te laden. Het leven is daar heerlijk en kost bijna niets.' Hij heeft ook nog een kippenboerderij op Cyprus, maar dat is meer een investering, daar hoeft hij niet bij te zijn. En nu is hij dus even in Amsterdam, om een scheepje, dat hier nog lag, uit de mottenballen te halen. 'Amsterdam is een rare plek aan het worden... Ik bestelde koffie in een coffeebar, en toen ik wilde afrekenen, zei de verkoopster: we nemen geen cash. Creditcard dan? Ook niet. Alleen pin. Ik had geen pin. De verkoopster pakt me mijn koffie af en gooit de kop leeg in de gootsteen.' Ik heb de klacht eerder gehoord, van Amerikanen. Wellicht loopt men hier te lande iets te hard van stapel met digitaal betalen. Hoe zit het met de liefde? Zoals het zeelui betaamt heeft onze kapitein in elk stadje een ander schatje. Weten ze van elkaar? 'Als ik bij de een ben, ben ik eerlijk, als ik bij de ander ben, ben ik eerlijk. Dat is voor mij genoeg eerlijkheid.' Je bent een international man of mystery, zeg ik. Dat vindt hij leuk om te horen. 'Vooral dat mystery-gedeelte.'

Nudisme voor beginners

Anton Mauve: Morgenrit op het strand (1876)

De eerste duik in zee dit jaar had enige voeten in de aarde. Om te beginnen had ik geen zwembroek bij me en ook geen handdoek. Het strand was tamelijk druk en ik had nu eens geen zin om mijzelf cq. de mijnen te generen. Dus: wandelen. Het is goed om te gaan wandelen als men ergens niet uitkomt; dit wisten de Grieken al. Ik wandelde langs het water richting het noorden, met de zon in mijn rug. Het aantal strandgasten verminderde aanzienlijk, maar helemaal leeg werd het niet. Ik keek naar de zee. Die was kalm en uitnodigend, ook al had mijn moeder vooraf gewaarschuwd dat het water slechts 8 graden was. Ik had daarop geantwoord dat ik een paar jaar geleden afdaalde in de Oostzee, toen 6 graden, maar niet dan nadat ik was voorgekookt in de sauna.
De strandhuisjes in de duinen werden hier en daar al bevolkt. Een groepje in het bijzonder van een man of zes, viel mij op, en ik denk dat ik hen ook ben opgevallen. Iemand die iets van plan is, valt op. Ik draaide mij om en overzag de uitgestrekte watervlakte, die sinds de aanleg van windmolens in zee, iets minder uitgestrekt lijkt, en trok mijn t-shirt uit. Daarna trok ik mijn broek en mijn onderbroek in één moeite door uit, legde mijn kleding op een stapeltje en liep de zee in.
'Hé!' hoorde ik achter mij uit de verte roepen. Ik reageerde niet. Toen ik eenmaal zwom dacht ik: 'Ze pakken mijn kleren. Ze verscheuren mijn kleren voor mijn ogen. Ze steken mijn kleren in brand.' En: 'Ze waarschuwen de autoriteiten.'
Nadat ik vijftig meter de zee in was gezwommen, begon mijn lijf te tintelen. Ik keerde om. Mijn kleren lagen er nog, onaangetast. Ik ging met mijn blote kont in het zand zitten drogen in de zon. Een jongen en een meisje met een Sint Bernard – dewelke laatste, vreesde ik, wellicht zijn snuit in mijn kruis zou willen steken –, liepen met een grote boog om mij heen.

Huilnummer



In een Libération die ik uit Parijs heb meegetorst, lees ik dat animateur (dat beroep kende ik ook niet) Stéphane Saunier's favoriete huilnummer 'Drunk in the morning' is. Ik ken dat nummer niet, en aangezien ik een zwak voor huilnummers heb, tijp ik het in op YouTube. Onmiddellijk start een vreselijk opgewekt pop-nummertje, met bijbehorende video, waarin een vadsige krullenbol, die zich 'Lukas Graham' noemt, zingt hoe hij, als hij 'drunk in the morning' is, een meisje belt, van wie hij aanneemt dat ze 'lonely' is, en dat hij dan hoopt dat ze opneemt, ook al weet hij niet zeker of hij het goede nummer heeft. Geen Nobelprijs-materiaal, dit. Het zal toch ook niet het huilnummer zijn, dat de Parijzenaar in Libé bedoelde? Hiervan zullen hooguit zij huilen die een hekel hebben aan de mensheid. Inderdaad, even doorscrollen naar onder leert dat er nog een 'Drunk in the morning' is, en wel van Mick Farren. Lijkt er al meer op. Twee, drie akkoorden, een slepende slaggitaar, op de tel. Toch hoor je meteen dat het muzikaal is. Farren zingt op een Jim Morisson/Dylan-achtige manier, hij spuwt de woorden uit, bijna met tegenzin, dikwijls vals. 'Feels like I ate some old brass keys.' Kijk, dat begint er op te lijken. Farren blijkt frontman van protopunk band The deviants te zijn geweest. Stonede plaat, Ptooff (1967). Huilen weet ik niet, nog geen zin in, maar toch een fijne ontdekking.

Live in Betondorp

Lilou Dekker

We zijn wat vroeg in Betondorp voor Circus Reve, een voorstelling van Arie Storm over de volksschrijver in een open tent bij zonsondergang, aan de rand van de A10, dus we maken een ommetje. Zo vaak komt een mens niet in Betondorp, dus dat is alvast winst. We zien een man op de stoep brood voeren aan een nijlgans. 'En,' kan ik niet nalaten te vragen, wijzend op het parade-achtig gedoe op het grasveldje verderop, toeschouwers komen druppelgewijs langzaam aan vanuit de stad, 'wat vindt u ervan?' 'Asociaal,' antwoordt de man zonder een moment na te denken. Er valt een stilte die niet anders dan ongemakkelijk is te noemen, dus wij verwijderen ons en nemen plaats in de toneeltent en wachten op wat komen gaat. In elk geval dit: koude en zonsondergang. Voor ons op de tribune zijn er dekens maar niet voor Lilou Dekker, de beminnelijke vertelster/huisvrouw in de voorstelling, die in een broekpakje met ultrakorte pijpen aan een touwladder hangt. Arie Storm heeft Gerard Reve tot leven gewekt, zoveel is zeker, voor schoolkinderen van alle niveau's, en Sebastiaan Frowijn speelt hem met verve, ook al is hij pakweg veertig jaar te jong. Curieus dat niet alleen het rooms katholicisme ('een paardenmiddel'), maar ook het revisme te enen male ontbreekt. Er zijn twee Jongens (niet blond, maar toch) en er is een bijl, maar niemand wordt getuchtigd. In de verte gaat een zwarte poes voorbij, en, volgens een goddelijke regie, een konijntje. Het is geen straf om naar teksten van en over Reve (van 'een fan') te luisteren, en daarbij getuige te zijn van dansjes, sketchjes en wat dies meer zij, maar een stuk wordt het niet. 'Where's the drama?' om een geliefde uitspraak van Storm de criticus aan te halen. Nou ja. Reve kon het ook niet, toneelschrijven. Het is een andere kunst.

Koude en warme douche

Arin Rungjang: Golden teardrop

Niet onaangenaam, reizen per Thalys eerste klas naar Rotterdam Centraal, je zoeft door het saaie edoch lieflijke Noord-Franse landschap, iedereen spreekt op gedempte toon, hier is een vlotte medepassagier die fotomodel zou kunnen zijn, daar leest iemand een echt boek; het gratis verstrekte poppenflesje wijn helpt om de pijn van het Parijs achterlaten te verzachten. Maar dan: hollen naar perron 16 voor de overstap op de Sprinter naar Amsterdam. Geen beenruimte, lawaaivolk, stampij, het ene na het andere vochtige en tochtige stationnetje dat je doet afvragen waarom je er ook weer voor 'gekozen' hebt om je leven te leiden in deze zompig-grimmige uithoek temidden van half-analfabete, fantasieloze schreeuwlelijken. Gelukkig word je, op het eiland Amsterdam, afgehaald van het station, door je geliefden, je dochter! Ze heeft je, vanaf pakweg honderd meter, het station uit zien komen en begint te rennen. Je zet je bagage neer en spreid je armen. Kom maar schatje! Ik heb jou ook gemist, wat heerlijk om je terug te zien! Ze rent, zo hard als ze kan, met stampende schoentjes om haar broer bij te houden, zij moet er als eerste zijn! Gelukkig beschik je over twee armen. Een arm voor elk kind. De zoon zal aankomen in de linkerarm, de dochter in de rechter. Maar je heb iets over het hoofd gezien: je knieën. Die steken, door de gehurkte houding, vooruit. Je dochter stoot zich keihard aan de uitstekende knieën en zet het op een brullen. Van weerzien naar troosten in tien seconden. Later, toch nog, op de familietoren, nadat de zoon ook emotioneel is geweest over een onrechtvaardigheid, twee schitterende tranen bungelen plagerig lang als parels onderaan zijn oogleden, het warme onthaal.

Prul



Weken geleden had buuf me al gevraagd om, op de avond voor grofvuildag, mee te helpen de zolder die ze had verpatst aan de nieuwe huiseigenaar leeg te ruimen. Het zou om heel veel, en heel zware items gaan, die vier trappen omlaag moesten. Gisteravond was het dan zover. We waren 'met' een half uur klaar. Ergens als een berg tegenop zien heeft als voordeel dat het meevalt; een nadeel is dat men veel tijd kwijt is met tobben.
Terwijl ik de items op straat zette, inspecteerde de Grote Vuilraper in mij een en ander grondig. Wat voor de één prul is, is voor de ander van onschatbare waarde. Zo schoot mij te binnen dat het meubilair dat buuf hier afdankte, wel eens mijn gymnasiast van pas zou kunnen komen, wanneer hij in september zijn studentenkamer betrekt. Maar waar het in de tussentijd op te slaan? Achter de piano?
Vanaf het sociale cohesie-bankje, onder een inktblauwe hemel, keken buuf en ik toe hoe het passerende volk zijn slag sloeg. 'Jullie zijn vroeg met koninginnedag,' sprak een hippie-achtige vrouw. 'Koningsdag, bedoel ik.'
'Morgen is het allemaal weg,' zuchtte buuf.
'Ik gooide eens een oude matras op straat,' ging de vrouw verder, 'en in no time had iemand hem meegenomen. Dat gelóóf je toch niet!'
'Misschien rook hij lekker,' zei ik.
Een oudere man met een verwaaid uiterlijk bepotelde twijfelend een cd-speler zonder snoeren. 'Ik heb er al zestig,' zei hij, terwijl hij hem toch maar in zijn boodschappentas laadde, naast twee pakken karnemelk. 'In het bejaardentehuis zijn ze er blij mee.'
Het voelt goed om iets voor mensen te doen, vooral als je er niets voor hoeft te doen.
'Hier, nog een typmachine!' jubelde buuf, terwijl ze mij een zwaar, uitpuilend koffertje overhandigde. Als een kat die een muis de zitkamer in smokkelt, torste ik het ding mee naar mijn schrijftempel.
Vanochtend verbrijzelde de grijpmuil van de vuilniswagen de laatste items die niemand wilde hebben.


Met populisme is niets mis, behalve als er wel iets mis mee is.



Arjen Lubach wil dat 'wij' morgen 'om 20.00' met zijn allen 'Facebook' van 'onze computers' verwijderen. Hoezo dat? Nou, FB werkt met onzichtbare pixels op websites die 'ons' surfgedrag registreren, aan de vuiltjes op foto's die de lens heeft achtergelaten kunnen 'ze' zien dat foto's door dezelfde persoon zijn genomen, waardoor 'ze' nog beter advertenties en andere kapitalistische troep op 'ons' kunnen targeten, enzovoorts enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Dat riedeltje, dat het altijd goed doet op feesten en partijen. Lubach speelt hiermee in op 'sentimenten die leven onder de samenleving'; met andere woorden, hij is een populist. Met populisme is niets mis, behalve als er wel iets mis mee is. Wat zijn de 'sentimenten' waarop Lubach inspeelt? Grote bedrijven zijn slecht. Grote Amerikaanse bedrijven zijn slechter. Grote Amerikaanse internetbedrijven beïnvloeden ons, onschuldige internetters, op slinkse wijze. Plak vlug een pleister over je webcam, anders zuigt Mark Zuckerberg je leven leeg. Of zoiets.
Mij doet deze hysterie nogal denken aan die golf van verontwaardiging niet heel lang geleden, maar ik weet niet eens precies meer wanneer, want toen was het ook hysterische onzin, tegen sluikreclame, of eigenlijk, onbewuste manipulatie van de kijker door middel van subtiele visuele boodschappen. Lieve Arjen Lubach, zolang er mensenmassa's bestaan kunnen ze, herstel:  w i l l e n  ze gemanipuleerd worden, ergo 'we' worden gemanipuleerd. De enige remedie tegen domheid en ongevraagde manipulatie is je verstand gebruiken. Dikwijls is het daarvoor nodig de tizie uit te zetten, de laptop dicht te klappen, en een boek te lezen van iemand die ergens verstand van heeft. Lubach heeft nergens verstand van – net zoals ik trouwens, romanschrijvers en filosofen hebben per definitie nergens verstand van. Als komediant heeft hij wel een makkelijke cop out als strax iedereen vrolijk door blijft facebooken, hijzelf incluis. Hij maakte maar een grapje.

Das dritte Reich?

Reve rond 1962
Je bent als assistent/tassendrager met een fotograaf mee op pad in Nordrhein Westfalen en je verbeidt de tijd door praatjes te maken met deze of gene, niet alleen om de fotograaf niet op de vingers te kijken en af te leiden met slechte suggesties, (je bent immers geen fotograaf; ieder zijn stiel), maar je helpt hem juist door derden die niet op de foto hoeven bij hem weg te houden en dus te onderhouden. Dat gaat wonderwel goed, want ja, je zit goed in je Duits, en met iedereen is wel van alles te bepraten, als je hoofd er naar staat, en deze geblondeerde, ietwat gepokte vrouw, je schat haar begin zestig, is niet onsympa. Je vindt haar zelfs zo sympa dat je foto's uitwisselt van (klein)kinderen, en zij opmerkt over jouw dochter, dat ze Schalk im Nacken heeft. Goed gezien en mooie uitdrukking. Er is Kola met een schijfje Zitron, ze deelt zelfs Pfannkuchen in een boterhamzakje uit, die haar Schwiegertochter die ochtend heeft gebakken en die verorber je met smaak. Alles gemütlich en toll.
Eén klein dingetje: je had, om de tijd te doden, deel 6 van het Verzameld Werk van Reve bij je. De vuistdikke gebonden paarse band lag opengeslagen op tafel bij een stuk over Reves eerste bezoek aan Oost-Berlijn, maart 1962. Niet verwonderlijk bespeurt de schrijver, die een tik van de communistische molen kreeg, in Oost-Berlijn de 'Furcht und Elend des Vierten Reiches'.
De sympa Duitse vrouw werpt een blik op jouw Verzamelde Reve, en vraagt, met toch iets van hoop in haar stem: 'Das dritte Reich?' Eerst denk je haar niet goed te hebben verstaan, maar je hebt haar wel goed verstaan en dat beangstigt je.

Geraüsch im Hotel



Ik logeer in een hotel in Nordrhein Westfalen met een fotograaf, en ik heb, om de opdrachtgever niet op kosten te jagen, een Doppelzimmer voor ons samen geboekt.
'Kan je tegen snurken? Want ik snurk wel een beetje,' zei de fotograaf toen we ons gisteravond als een gelegenheidsechtpaar ieder aan een zijde van het spartaanse bed installeerden voor de nacht. 'Als je er last van hebt moet je me maar een por geven.'
O jee, dacht ik. Ik had al zo'n vermoeden. Maar ik dacht ook: misschien ben ik moe genoeg om er doorheen te slapen.
Om drie uur word ik wakker van hevig gesnurk. De fotograaf snurkt in verschillende toonaarden, maar in geen enkele toonaard kan ik er aan wennen. Ik geef hem een por. De por zet geen zoden aan de dijk. Nog geen minuut later begint hij opnieuw.
De mens is een fabriek; sommige fabrieken lopen moeizamer dan anderen.
Dan, alsof dit nog niet genoeg is, neemt de tizie die ik al een tijdje op de achtergrond heb waargenomen, flink in volume toe, zozeer, dat hier sprake is van Evident Asociaal Gedrag, waarvan je dus iets mag zeggen, ook al is het vier uur 's nachts. Nee, juist om vier uur 's nachts. Ik stap uit mijn bed, trek mijn broek verkeerd om aan in het donker en stap de gang op. Das Geraüsch komt van de belendende kamer, dus daar begin ik als een waanzinnige op te bonken. Geen reactie. Toch weer altijd die The Shining-associatie, de deur gaat open en een zee van bloed overspoelt mij, maar na nog wat meer bonken komt een man in boxershort met een tattoo op een van zijn benen aan de deur, hij slaat mijn hoofd niet in met een bijl, maar zet meteen de tizie uit. Lang leve de beschaving.
Als ik weer op een oor lig, snurkt de fotograaf weer op volle sterkte.
Er zit niets anders op dan oordoppen in te doen. Ik had dit al eerder moeten doen, ik moet oordoppen laten implanteren, maar oordoppen stel ik, net zoals medicijnen, altijd tot het laatste moment uit, dat is een zwakte van me.
Met de oordoppen in, luister ik naar mijn eigen ademhaling. En hoewel dat ook geen Kleine Nachtmusik is, moet ik toch hebben geslapen want vanochtend werd ik wakker.

Inclusiviteit

Ria Lavrijsen had een droom

Het is niet mijn gewoonte om over mijn cursisten te bloggen, maar een cursist die een boek publiceert, nog voordat de cursus ten einde is, dat is iets anders. Annebregt Dijkman had me uitgenodigd voor de presentatie van Heb je een boze moslim voor mij? van Zoë Papaikonomou en haarzelf in Vondel CS en ik had geantwoord dat ik zou proberen te komen. En dat deed ik, zowel proberen als komen, zij het pas heel laat, toen de boekpresentatie en aansluitende discussie voorbij waren, en het netwerkfeestje, zo werd mij verteld, in volle hevigheid was losgebarsten. Ik was nog niet binnen of ik liep de auteur tegen het lijf, dus ik dacht: feliciteren en meteen weer weg, maar dat is ook zowat, dus ik zei tegen lieftallige, met wie ik net buitengewoon geanimeerd had getafeld bij Meneer de Wit heeft honger (wij ook nog, trouwens, maar dat is een ander verhaal): 'Laten we één rondje maken.' Aldus worstelden wij ons door de inclusieve menigte die, mag ik zulks opmerken?, een nogal opgewonden indruk maakte, maar dat lijkt me beter dan een matte of afgetobde indruk. Als in één moeite door, verdwenen we weer, de trappen afdalend, die vroeger naar café Vertigo leidden, maar nu naar een ander, veel groter, en anoniemer café. Juist. Dit konden we afvinken. Overigens ben ik trots op Annebregt Dijkman. Mijn gedachten gingen ook nog uit naar Ria Lavrijsen, een oude vriendin die veel te vroeg is gestorven en die de term inclusiviteit misschien niet heeft uitgevonden, maar er wel al in de jaren negentig van de vorige eeuw over droomde. Wat had ze zich in haar element gevoeld op dit netwerkfeestje.

Tolk


Ik had een Russische vertaling nodig. Nee, dit zeg ik verkeerd: ik had iemand nodig die een document, een brief eigenlijk, wilde vertalen naar het Russisch. Dan denk je eerst: hoezo heb ik iemand nodig, ik heb  n i e m a n d   nodig, ik kan alles ZELF , want ik heb toch Google Translate? Nieuwe Vriend P. had opgeschept hoe hij door China reisde en telkens als hij een Chinees tegenkwam, hetgeen in dat land nogal eens voorkomt, zijn telefoon in de lucht hield, tussen hemzelf en de Chinees in, en begon te praten, in het Nederlands (of misschien toch in het Engels), en dat vervolgens, in 0,07 seconden of daaromtrent, een Chinese vertaling uit de telefoon rolde. De Chinees gaf antwoord in zijn telefoon, en prompt rolde een voor Nieuwe Vriend P. begrijpelijke zin er weer uit. Schitterend, behalve voor tolk-vertalers. Schitterend ook, nu ik erover nadenk, dat de mogelijkheid bestaat dat beiden zich in een Chinese Kamer bevinden (zie voor dat filosofische probleem hier) en niets van elkaar begrijpen. Maar dat maakt dus niets uit, want er vond, kennelijk zinvolle, hoewel ik daar niet over heb doorgevraagd, communicatie plaats. Maak daarvan: geen handgemeen.
Goed, mijn Russische brief kwam vandaag eindelijk af, nadat ik het ding had voorgelegd aan een half Russische vriendin, die het ding weer voorlegde aan haar Russisch Nederlandse moeder, en haar man, die slavist is, bemoeide er zich ook mee. De Russische brief kwam terug met de opmerking dat Google Translate er een rommeltje van had gemaakt. Dat vreesde ik al; hence de hulpvraag. Maar hoe ging ik deze vertaling beoordelen? Juist, door hem door Google Translate te halen. Verhip, nu kwam vrijwel ongewijzigd het origineel eruit, waaruit ik afleid dat het een erg goede vertaling is – met dien verstande dat mijn voornaam óók was vertaald. In 'Victor'. En ik maar denken dat Viktor Russisch was.

Amerikaanse Neef

Tom Bachtell

De Amerikaanse Neef wilde koffie drinken. Het werd bier, in het Bimhuis.
Ik loop nu naar de deur, smste hij één minuut voor de afgesproken tijd.
Ik zit aan de bar, smste ik terug.
Overbodige communicatie: een Amerikaanse uitvinding.
Hij zag er patent uit zou ik bijna zeggen, als dat geen cliché was.
Zelf al voorzien, bestelde ik een bier voor hem, waarop hij er twee bestelde: een voor hemzelf en nog een voor mij. Vervolgens werden wij gedwongen de spontane toespraak aan te horen van een jonge Mexicaanse jazzbassiste, die wees op mensenrechtenschendingen, niet alleen in Mexico, en het belang van muziek. 'Iedereen heeft een keus om het goede of het slechte te doen, muziek kan helpen de goede keuze te maken.'
Ontroerend.
'Waarom kom je niet gewoon weer in Nederland wonen?' trapte ik af.
'Waarom zou ik? Ik hou van mijn baan, ik heb een leuke vriendin en ik communiceer elke dag met mijn dierbaren.' De zorgen over Trump deed hij op Trumpiaanse wijze af. 'En dan dat weer van jullie.'
Ik begon terug te verlangen naar Amerika.
Toen gebeurde waar ik stiekem op had gehoopt: homerisch gelach, inclusief buikpijn en afgeknepen hoog stemmetje, naar aanleiding van een verhaal over zijn dochter die hij eens naar een feestje bracht nadat zij al fiks had ingenomen met vriendinnen. Bij het stoplicht kwam alles eruit. Hij leverde haar toch af, op ultrahoge hakken, maar even later werd hij gebeld, of hij haar weer op kon komen halen, want ze voelde zich niet zo lekker. Er zijn weinig mensen met wie ik de hoogste staat van lachen bereik zonder gebruikmaking van lachopwekkende spiritualia. Opeens stond hij op, ik was bang dat hij wegging, mijn Amerikaanse neef, maar hij zocht naar papier om zijn en mijn tranen te drogen.

Eenzaam protest



Het is nog vroeg, het miezert, en ik zit in mijn early week dip dus heel raar is het niet dat ik me dooderger aan de dikke vette Volvo naast me die wachtend voor de brug zijn motor laat draaien. Ik ben de enige in het groepje fietsers die er wat van zegt, mogelijk de enige die het is opgevallen, want het is een stille motor, maar hij draait wel degelijk en ik meen uitlaatgassen te hebben geroken.
'Hé!' Ik fluit op mijn vingers; goddank komt er geluid uit. De man achter het stuur zit op zijn mobieltje en reageert niet. 'Hé jôh! Doe die motor even uit!' Ik oogst geen enkele bijval van het langzaam aanzwellende groepje wachtende fietsers. Na nog wat kabaal merkt de Volvo mijn actie eindelijk op, opent eerst het verkeerde raampje, namelijk aan zijn kant, dan het goede, en richt vervolgens zijn vragende, niet onsympathieke baby face mijn kant op. 'Of je je motor even uit wilt zetten, ik heb geen zin om jouw uitlaatgassen in te ademen!' hoor ik mezelf foeteren.
Opmerkelijk hoe een deel van je persoonlijkheid zomaar uit het niets kan opzetten, zoals een bel uit een ballon waar je in knijpt. Op ieder ander moment had ik mijn schouders opgehaald, was het me niet eens opgevallen, droomde ik voor me uit over de Amstel of bestudeerde ik in stilte een of meerdere medemensen om me heen. Wordt mijn hysterie ingegeven door de berichtgeving over door auto's veroorzaakte fijnstof in de stad (zou het inademen van dit Volvo-gas een dag leven schelen? Een dagdeel? Een uur?) Val ik ten prooi aan acute klageritis, die me in een andere situatie, bij een ander, enorm zou hebben geïrriteerd?
De man begrijpt de boodschap en zet zijn motor uit. 'Zo goed?'
'Ja. Dank je. Enorm bedankt, hoor.' Ik kijk de andere kant op.
De brug gaat alweer open. De menigte zet zich in beweging.
Protest maakt eenzaam – een van de redenen, vermoed ik, dat zo weinigen protesteren.

Freudiaanse verjassing

Nychos

Als ik mijn jas in de achterbak werp na het bezoek aan mijn schoonouders, valt mijn oog op de ceintuur. Ik wist niet dat mijn jas, die ene, over een ceintuur beschikte. Ik wijd daar verder geen gedachten aan, totdat ik de jas aantrek, en vaststel dat hij mij weliswaar perfect past, maar toch mijn jas niet is. Mijn jas heeft geen ceintuur om te beginnen, besef ik, en deze heeft een ronde boord in plaats van een hoekige. Bovendien zit mijn portemonnee niet in de zak, terwijl die daar recentelijk wel in zat. De Verkeerde Jas dus. Alarm! Wiens jas is het dan wel? Niet die van svigerfar, blijkt, want die hangt nog aan de kapstok. Hij moet van mijn vader zijn. Een Freudiaanse verjassing. Ik bel mijn moeder en krijg mijn vader. Dat betekent dat mijn moeder de deur uit is, en tevens, dat ik met mijn telefoontje mijn vader heb gedwongen naar het toestel te komen en daarmede, wellicht onnodig, heb uitgeput. Hij zegt dat hij de jas mee zal geven aan Tante Vergeetachtig, naar Amsterdam. Een hele geruststelling.
Op mijn avondlijke wandeling loop ik in mijn vaders jas op straat. Ik trek de ceintuur nog maar eens aan – comfortabel, zo'n ceintuur, maar ook een beetje, nou ja, gay, vrees ik – en vraag me af hoe toevallig het is dat mijn vader en ik identieke jassen hebben. Ik meen me nu ook opeens te herinneren dat mijn moeder this very coat  eens aan mij aanbood, want ja, had ik geen jas nodig en zat mij deze niet als gegoten, enzovoorts, enzoverder, tot in de eeuwigheid amen, en dat ik die toen resoluut heb afgeslagen. De transformatie die een man doormaakt van 'individu' naar een afgietsel van zijn vader kan zich langzaam voltrekken of snel, maar is hoe dan ook onstuitbaar.

Vierentwintigste werkdag



Ik had gehoord dat de oud-bibliothecaresse aan hallucinaties leed, en dat vooral ook de angsten die deze hallucinaties met zich meebrachten, met name 's nachts, op hun beurt tot ordeverstorend gedrag leidden, maar ik had de zinsbegoochelingen nog niet live vast mogen stellen. Gisteren was ik nog niet binnen of ze vroeg: 'Heb je die krokodil op het dak gezien?'
Ik ging voor het raam naar de binnenplaats staan. 'Welk dak?'
'Dat zie je toch wel, daar recht voor je!'
'Dat kleine, hoge dak bedoel je?' vroeg ik, want daar zag ik drie planken liggen in een dusdanige compositie dat men er, indien men tot hallucineren was geneigd, of een levendige fantasie had, inderdaad bek en poten van een krokodil van kon maken. Het leek me goed om haar zelf te laten zien dat ze hallucineerde. Ik zette haar bril op de neus en vroeg haar naar het raam te komen. 'Wat zie je daar, op dat dak?'
'Een krokodil! Ik zie hem nu zelfs nog veel duidelijker! En hij komt op ons af! Viktor, moeten we dekking zoeken?'
Mijn experiment was mislukt. 'Ga maar weer zitten.'
Ze ging zitten.
'Ik hoor dat je vooral 's nachts bang bent, en dan rare dingen gaat doen, maar daarvoor heb je medicijnen gekregen. Die kun je maar beter innemen, als ze werken. Aan angst heb je niks. Ja, wel als er een reële dreiging is. Hoewel, misschien zelfs dan nog steeds niet.'
Het was even stil. Toen zei de oud-bibliothecaresse: 'Jij bent zeker nergens bang voor.'
Ik vind juist dat ik met de jaren wat bangig ben geworden. Aan de andere kant wil ik graag geloven dat ik weinig angst ken. 'Ik heb zorgen,' redde ik me eruit. 'Iedereen met een gezin heeft zorgen.'
'Ik heb ook zorgen,' kaatste ze terug.
'O ja, om wie dan?'
'Om mezelf... Om die krokodil die steeds dichterbij komt.'
Ik begon de wanhoop van mantelzorgers die te maken hebben met demente ouders beter te begrijpen.
Ik probeerde het geval van een andere kant te benaderen. 'Je weet wat je moet doen, hè, als die krokodil voor je neus staat? Dan moet je,' ik zocht om me heen naar een geschikt voorwerp en zag alleen een schaakbord zo oud dat de witte vakken vrijwel onzichtbaar bruin waren geworden, 'dit schaakbord rechtstandig tussen zijn kaken planten.'
Ze lachte kort en hard. 'Ik zal het proberen te onthouden.'

Helikopters



Een politiehelikopter boven mijn woonwijk doet mij altijd denken aan New York. Daar stikte het van zulke helikopters, die volgens mij, maar wat wist ik ervan, vooral werden ingezet bij wijze van intimidatie. De boodschap was: beste criminelen, we weten dat jullie ons bijna altijd te snel af zijn, dat is het bijna komieke lot van de politie, die immers per definitie achter de strafbare feiten aanloopt, en slechts een hoogst enkele keer een geplande misdaad weet te verijdelen, – waarvan dan dus helaas geen bewijs is te leveren –, maar nu hebben wij iets dat jullie niet hebben, althans, wij hebben er meer dan jullie: helikopters. En nu zouden wij jullie dolgraag opsporen met die dingen, maar als je denkt: dat heeft iets speld in een hooiberg-achtigs, dan zou je wel eens gelijk kunnen hebben. Blijft over: Hollywoodiaans machtsvertoon. Shock and awe. En: wij kunnen verder kijken dan jullie, en 's avonds met groot licht laag overvliegen, etc. Dat dus. En nu hier, in Amsterdam, dat steeds meer een mini-New York wordt, een New Yorkje, zowel qua criminaliteit als criminaliteitsbestrijding. Ik sluit niet uit dat het werkt. Wat mij betreft mogen veel, zo niet alle middelen worden ingezet om de zinloze onderwereldoorlog (is er een zinvolle onderwereldoorlog? Misschien wel) te stoppen, nu de broer van de kroongetuige Nabil B. in het OM onderzoek is omgelegd, de eerste van diens familieleden, tegen wie zijn vijanden hadden gedreigd: 'Jouw familie gaat slapen'. Nooit gedacht dat ik het zou opschrijven, maar hier dan: geachte politie, graag meer helikopters. Niemand mag gaan slapen.

Over het opwarmen van een lijk

©Sander Veeneman

Buying the band, sinds gisteren weer online, is geen meesterwerk, maar deze kalm vertelde documentaire van Teus van Sintmaartensdijk legt de condition humaine toch mooi bloot, de grenzen van het geld, van 'leiderschap', en de onmogelijkheid om succes te 'creëren'. Het verhaal is eenvoudig: Jan 't Hoen, rijk geworden met vastgoed, en amateur-drummer, droomt ervan om de band van zijn jeugdidool Herman Brood tot leven te wekken. Klein probleem: Brood is dood, maar zakenmensen geloven niet in problemen, die geloven in uitdagingen. 't Hoen pompt geld in 'Romanza Brava', en graaft zelfs het lijk van Nina Hagen op in Berlijn, om met die heldin van weleer opnieuw te kunnen touren. Dat grapje kost hem 80.000 euro. Nieuw probleem: Nina is niet vooruit te branden. Mooie scène in de lounge van American Hotel, waar een persmoment met Hagen plaatsvindt. Ze begeleidt zichzelf op gitaar voor de camera van AT5. Het klinkt afgrijselijk. 't Hoen bepotelt ondertussen op de achtergrond nerveus zijn mobiele telefoon. Het aangrijpendste uit deze documentaire, een Griekse tragedie waardig, is als 't Hoen de tweede leadzanger, tevens zijn jeugdvriend, ontslaat. Gewoon, vanachter het bureau in zijn kantoor. De man krijgt te horen dat hij niet goed genoeg is. Hij weet dat zelf ook wel, maar hij hoopte dat zijn goedbetaalde droom nog even kon voortduren. Als de twee mannen op elkaar aflopen na dat 'you're fired'-gesprek verwacht je dat de jeugdvriend een schaar van tafel grist om die in de rug te planten van de manager. Maar dat gebeurt niet. Het blijkt ook helemaal niet nodig, want de band valt even later vanzelf uit elkaar. Tegen die tijd voel je allang ook empathie voor de vastgoedman, die, zoals iedereen, iets wil dat niet kan, en het maar blijft proberen.

Schrijver/zondagsschilder met macht

Churchill's laatste schilderij

Gary Oldman als Winston Churchill is even wennen, mij zat het beeld van de historische Churchill eventjes in de weg, maar misschien komt Oldmans portret dichter in de buurt van hoe hij was. Enorme, papperige onderkin, bijna ziekelijk bleke huid en pretoogjes. Niet voor niets luidde zijn koosnaam Pig, althans volgens de film 'Darkest Hour'. Het vervelende van historische drama's is dat je na afloop wilt weten hoe het precies zat. Maar naar ik heb begrepen is Oldman's personage vrij accuraat, dat vinden zelfs zijn kleinkinderen die WSC nog hebben meegemaakt. Ze maakten wel bezwaar tegen de cruciale, sentimentele metro-scene – Churchill reist één stop met de underground om de stemming onder het volk te peilen, waarbij een zwarte Londenaar zijn Macaulay-quote over Horatius afmaakt. 'Preposterous,' zei zijn kleinzoon. Fijn woord. Net zoals 'rebarbative', als in 'drunkenly rebarbative, oftewel prikkelbaar en aangeschoten, over een van WSC's stemmingen, een woord dat ik in deze recensie tegenkwam.
Darkest Hour laat zien dat regeren destijds en misschien wel nog steeds voor een groot deel dicteren is, spelen met woorden in brieven, telegrammen en, vooral natuurlijk: speeches. Dicteren doet WSC aan zijn secretaresse Layton, die, als hij een keer de draad kwijt is midden in de nacht in zijn ondergrondse bunker, zegt: 'You can put words together like no other'. Churchill als schrijver met macht, als filosoof-koning, is een interessant maar misschien ook preposterous idee, hoewel hij nog altijd geldt (dacht ik) als de meest geciteerde politicus, die tevens het grootste oeuvre heeft nagelaten.
Toen hij Hitler, 'that man', in de film uitfoeterde voor 'housepainter!' dacht ik: maar dat ben jezelf toch ook? Twee gemankeerde zondagsschilders. De betere van de twee won.

Schitterende nieuwe titels



Zomercatalogus van de uitgeverij op de mat. Omdat er deze zomer niets van mij verschijnt, heb ik sterk de neiging om deze reclamefolders voor boeken gericht aan de boekhandel en pers geruisloos in de papierbak te laten glijden. Wat heb ik er aan om te worden dood gegooid met wat mijn concullegae de afgelopen tijd bij elkaar schreven? Ik zal verlammende afgunst voelen bij romans die ik had willen schrijven, en verontwaardigd afgrijzen bij boeken die ik nooit zou willen lezen (waarom geven ze dit in vredesnaam  u i t ?) Uiteraard wint de nieuwsgierigheid. Curiosity not only killed the cat, it'll wipe out humanity. En wie zie ik, wanneer ik de catalogus opensla? Het verkreukelde hoofd van Peter Buwalda, en zijn nieuwe roman, Otmars zonen, die eind september uitkomt. Eind september? Maar dit is toch de  z o m e r c a t a l o g u s van de uitgeverij? Enfin. Gegeven het succes van Bonita Avenue (350.000 ex), hoef je als schrijver van Nederlands proza niet heel blij te zijn met een nieuwe Buwalda. Elk boek dat hij verkoopt is een boek dat ik niet verkoop. Het is helaas niet zo dat de markt voor Nederlands proza  g r o t e r  wordt als er weer een roman van mij uitkomt, die is tegen die tijd eerder  k l e i n e r  geworden. Daarbij, Buwalda's roman blijkt de eerste te zijn van een trilogie, waarvan de volgende delen in '20 en '22 uitkomen, dus dat eet lekker weg. Wat verder? Teveel om op te noemen. Ga van de zomer en daarna maar kijken op de tafels bij uw plaatselijke boekhandel. Daar zullen de nieuwe titels liggen. De een na de ander. Hoog opgetast, ongetwijfeld. Hoog opgetast en prachtig vormgegeven. De schitterende nieuwe titels van de uitgeverij. Ik zal daar niet bij zijn. Niet op die tafels en niet voor of naast of achter die tafels. Als u denkt, wat een gefrustreerde ouwe zuurpruim is die Frölke eigenlijk, en laat die man alsjeblieft aan het werk gaan in plaats van de zomercatalogus van zijn eigen uitgeverij uit elkaar te trekken, dan heeft u volkomen gelijk.

Genitale selectie



Gisteravond 'per ongeluk' na Lubach naar RTL5 gezapt, waar Naked Attraction net begonnen was (toeval?), een dating programma waarbij kandidaten worden geselecteerd op hun genitaliën. Darwin had het niet beter kunnen bedenken. Ja, waarom pas aan het eind van een avondje daten (of, ouderwetser, op het hoogtepunt van de verliefdheid), het grootste geheim, het diepste wonder der natuur, de hoofdprijs van de liefde, blootgeven, als het ook onmiddellijk kan, ten overstaan van honderdduizenden tiziekijkers in binnen- en buitenland? Alle romantiek is tijdverlies, en privacy is voor losers. Dus zo kwam het, dat lieftallige en ik, samen met de eerste kandidaat, Marlie, een veel te leuk bruin meisje met zoenlippen en vrolijke zwarte krullen, alsmede de host, een valse tante die nog haar moeder zou verkopen als ze daar een paar quid aan verdiende, de penissen van zes bleke Britten zaten te bestuderen. Het was lang geleden dat ik zoveel penissen op rij had bestudeerd, maar misschien moet ik beter mijn best doen. Op die van twee penissen na, waren alle schaamstreken rondom kaalgeschoren. Eentje was nogal klein (dat vond hij zelf ook, de poor lad, ook al zei Marlie lief dat size doesn't matter), een was krom (geen woord daarover) en twee waren besneden. Voorhuid blief ik niet, riep Marlie uit, dat doet me denken aan een worstje, ik wil meteen zien wat eronder zit. Dat is haar goed recht, maar dat bij een van de besnedenen het randje onder de eikel nogal beurs, rauw en verweerd oogde, bleef onopgemerkt. Marlie koos uiteindelijk voor het meest atletische lijf, dat aan het grootste leeghoofd bleek toe te behoren. Ik dacht: snuffelen werkt beter, maar daar kun je geen tizie van maken. Na de reclame kwamen de vagina's. Het werd tijd om naar bed te gaan.

Hot date



'When the robots haven taken over, they'll be bored to death,' hoor en zag ik John Banville vanochtend schertsen bij VPRO-boeken met zijn neusvleugeltjes wapperend. Ik had Banville nog nooit gezien, wel geprobeerd te lezen, en werd weer herinnerd aan de wittiness der Angelsaksen. Wordt hun werk daar beter van, is de vraag. Ik was trouwens wel van plan om niet alleen The sea nog maar eens te proberen te lezen, dat me ooit van meerdere kanten was aangeraden, maar waar ik niet doorheen kwam, maar ook een verhaal te schrijven, een grounded SF -verhaal zo je wilt, over robots die zich dood vervelen nadat ze de mensheid hebben verdreven, maar dat lijkt me typisch zo'n plot die al van alle kanten door Philip K. Dick is behandeld. Hoe dan ook, mijn schrijfdrang werd gefnuikt door lieftallige, die naar Friesland moest en zou om een scheepje te bezichtigen dat ze wilde kopen en ik moest mee, ook al wilde ik geen scheepje kopen (ik heb al een scheepje; het is een van de weinige dingen die ik heb), maar ik bond in. Tegen de plannen van lieftallige is geen mens bestand. Het scheepje bleek begeerlijk, want gaaf en zeilklaar, en misschien zelfs wel een koopje, en ik dacht: waarom ook niet, het is mijn geld niet, maar omdat de sympathieke verkoper het 'eerst komt eerst maalt'-principe hanteerde, en wij nr. 2 waren, zagen wij het begeerde scheepje aan onze neus voorbijgaan. Ondertussen had ik, onderweg erheen, wel een nieuw idee voor een verhaal opgedaan. Schrijvers maken verhalen af waarvan ze beginnetjes om zich heen ontwaren – althans, laat ik niet generaliseren: zo werk ik, niet zelden. Wat was het beginnetje? Een blondine in een Porsche Boxter, die plotseling naast ons de A6 op schoot bij Emmeloord. Ze droeg van die autorijhandschoentjes zonder vingers en met gaten erin. Ze scheurde ons voorbij de event horizon in, maar ze werd niet opgeslokt in een zwart gat, althans niet meteen, want we zagen haar even later in een parkeerhaventje langs de weg bij Idskenhuizen. In tegengestelde positie. 'Die wacht op haar hot date,' zei lieftallige. Nu nog even afschrijven. Of misschien is dit al genoeg. 'Ik schrijf geen begin-midden-eind-romans,' zei Banville. 'Ik schrijf alleen middens.' Een leugen, zij het een geestige.

Lastige auteurs



Bij de boekpresentatie van Hannes Wallrafen's De blinde fotograaf, gisteren, in de broeikas van AtlasContact, sprak ik een studente die uitgeverij studeerde. Een mooie studie. Aan de Frederik Muller Academie? vroeg ik. Nee, gewoon aan de UvA. Van de Frederik Muller Academie had ze nog nooit gehoord.
Wat leer je daar zoal?
Nou, bijvoorbeeld omgaan met lastige auteurs, dus, pretoogde ze.
Hoe ga je met lastige auteurs om?
Je moet bepaalde methodes gebruiken om gedaan te krijgen wat jij wilt.
Dat lijkt me bij alle mensen verstandig, om bepaalde methodes te gebruiken om gedaan te krijgen wat je wilt, maar ik kan me zo voorstellen dat je bij lastige auteurs nog wat extra wapens in moet zetten.
Een van de manieren, vervolgde ze, is om het tegenovergestelde van wat je wilt voor te stellen aan de auteur. Ze liet een tactische pauze vallen. Dan doet hij of zij uiteindelijk toch wat je wilt.
O, dus als je wilt dat je auteur een groene trui aantrekt moet je suggereren om een blauwe trui aan te trekken. Dan begint hij te stijgeren: een blauwe trui, ben je belazerd, daar begin ik niet aan, een blauwe trui dat is bezopen, wie denk je wel niet dat je voor je hebt, enzovoorts, enzoverder tot in eeuwigheid amen, en het eind van het liedje is dus dat hij een groene trui aantrekt. Laat dat nu net de bedoeling zijn geweest. Reverse psychology heet dat geloof ik, maar die term gebruikte het meisje niet.
Ik vroeg me af of ik een lastige auteur was, hoe vaak mijn uitgever deze methode op mij had toegepast en wat Frederik Muller hiervan had gevonden.


Wilson



Ik vroeg aan K. hoe het met Wilson ging. 'Goed,' zei hij, 'maar hij blijkt geen dominant type te zijn. Dat is een probleem, want Harding is ook geen dominant type.  Er is geen rollenpatroon. Ze weten niet wat ze met elkaar aanmoeten.'
Wilson, weet ik, kwam in de plaats van Taft, die recent overleed. Dat was een drama. Niet alleen voor de kinderen. Ook K. had er tranen bij geplengd. Om Harding te laten wennen aan de dood van Taft, werd het lijk een tijdje bij hem neergelegd. Dat hielp in het rouwproces.
Van die 'lijk-gewenning' heb ik foto's gezien.
Wat ik me herinner is dat D., K.'s voortvarende geliefde, stad en land afreisde om een nieuwe partner voor Harding te vinden – in Großstad A. bleek er geen te zijn. In Hilversum vond ze er uiteindelijk een die karakterologisch, emotioneel en qua denkbeelden bij Harding zou passen: Wilson.
Ik heb niet aan Wilson mogen snuffelen, Wilson werd meteen bij Harding gebracht. Ik had Wilson wel even willen bekijken, een praatje maken misschien. Dat was aardig geweest. Maar ik kreeg de kans niet. Mijn mening ter zake werd niet gevraagd. Er stonden belangrijkere zaken op het programma.
Misschien dat Wilson zich vroeg of laat toch nog als een dominant type ontpopt. Dan valt het niet te hopen dat Harding tezelfdertijd ook dominant wordt, anders wordt het een bloedbad.

De wil tot democratie (3)



Het probleem met de wil tot democratie is dat die nogal ambigu is, en ook onder druk staat, trouwens. Want wat is, om te beginnen, beter: een benevolente alleenheerser, die alles goed regelt zodat je nergens meer naar hoeft om te kijken en je helemaal positief apathisch laat zijn en je geen stembiljet ter grootte van een landkaart hoeft op te vouwen in je stemhokje? Of een rommelige democratie als de onze, die voortdurend een beroep op je doet? Met andere woorden, zou je je vrijheid willen opgeven in ruil voor minder gedoe? Ik soms wel, als ik die alleenheerser kon vertrouwen. Maar dat is nu juist het probleem, alleenheersers zijn per definitie niet te vertrouwen; er is bij mijn weten nog nooit een alleenheerser geweest die de corruptie van de macht kon weerstaan (ja, God, ja, Churchill en Eberhard van der Laan, maar die zijn allemaal dood). Een van de problemen van democratie is het inherente amateurisme waarmee het gepaard gaat. Natuurlijk is het sympathiek dat de regering het volk raadpleegt om na te denken over veiligheidsvraagstukken, maar wat weet het volk daarvan af? Het lijkt slim om als burger vol voor privacy te gaan, met de argumenten van Bits of Freedom in de hand, maar misschien is dat juist heel dom, zoals het ook dom is om je kinderen niet te laten inenten. De afweging die de referendumcommissie het volk heeft voorgelegd, kan iemand die geen veiligheidsexpert is, en/of IT-specialist, onmogelijk maken. (Het is ondertussen onsympathiek van de regering om dat referendum meteen weer af te schaffen.) Vertrouwen is het sleutelwoord hier. Vertrouw ik de regering? Wie vertrouwt wie nog, in dit tijdsgewrocht, wie heeft er  g e e n  dubbele agenda? Alleen pasgeborenen en comateuzen hebben geen dubbele agenda. Die hebben trouwens ook een broertje dood aan democratie.

Eenzame uitvaart



Voor F. Starik

De man die jarenlang om niet eenzamen begeleidde naar het graf,
Voor hen een niet onopgemerkt einde componeerde,
Een grafdicht, rouwpoëem, gelegenheidsvers,
Misschien putte hij uit een vast repertoire,
Had hij een mapje Eenzame Uitvaarten op zijn bureaublad,
Met varianten gerangschikt naar doodsoorzaak, leeftijd en geslacht,
Wie schrijft honderd originele gedichten bij het verscheiden van wildvreemden,
Die man dus, die dichter met de sigaret, en de neus in de lucht,
En zijn negentiende-eeuwse voorliefde voor de dood,
Of eigenlijk was zijn voorliefde twintigste-eeuws,
En waarom zou een muzenzoon in deze eeuw geen voorliefde mogen hebben
Voor that undiscovered country whose bourne no travellers return (Shakespeare),
Wat zeg ik, deze tijd lijkt   b i j   u i t s t e k   geschikt om
Te dichten over de dood, de hele dood en niets dan de dood,
Welnu, die is dood.

De wil tot democratie (2)


Vormen van afwezigheid (I.M. Aristide von Bienefeldt)



Schrödinger, onze permanente logeerkat, is kwijt. Althans, dat geloven wij, want de voordeur stond open en hij vertoont een niet te bedwingen aandrang om de straat op te gaan. Telkens als hij kwijt is, merk ik dat ik onmiddellijk mijn wereldbeeld aanpas, namelijk van een wereldbeeld met Schrödinger, naar een wereldbeeld zonder Schrödinger. De rechtvaardigingen volgen vanzelf. 'Misschien maar beter zo.' 'Kunnen we eindelijk een hondje nemen.' 'Wat heb je aan een kat?' Daarna: 'Toch wel jammer. Was een leuk beest. Voor de kinderen ook, hoewel hij soms gemeen uithaalde naar de vierjarige.' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Maar zie, daar komt Schrödinger alweer aangesjokt. Door de achterdeur. Hij was niet kwijt, alleen maar op jacht. Ik schat dat hij per dag vijftig keer door het kattenluikje op jacht gaat, om vijftig keer per dag door het kattenluikje terug te keren van de jacht. Teleurgesteld, doorgaans. Soms schiet hij inderdaad de straat op, langs onze benen, als er iemand aan de deur is, maar ver durft hij nooit te gaan. Hij zet niet door. Ook als hij er is, binnen, bij ons, is hij er niet. Schrödinger kan onwaarschijnlijk goed afwezig zijn, en niet alleen door op onverwachte plekken zich te verschuilen, maar ook als hij gewoon in zijn doosje in de vensterbank ligt. Hij blijft onbereikbaar. Daarom ben ik zo op hem gesteld.

Kruikje

Icehotel

'Ik heb goed nieuws en ik heb slecht nieuws,' zegt lieftallige tegen de vierjarige. 'Het slechte nieuws is dat ik geen kruikje meer in je bed leg.' Stilte. En het goede nieuws? 'Het goede nieuws is dat het voorjaar is aangebroken en het lekker weer wordt, dus het is ook niet meer  n o d i g  om een kruikje in je bed te leggen.'
De vierjarige kijkt haar moeder even sip aan, in afwachting van nog meer nieuws, maar als ze beseft dat dit alle nieuws is, barst ze definitief in tranen uit. Geen kruikje? Maar dat is absoluut onaanvaardbaar! Hoe haalt ze het in haar hoofd, om haar hoogsteigen kruikje weg te nemen, dat haar al maanden vergezelt onder de dekens – haar steun en toeverlaat in koelte, kilte en koude? Weet ze wel hoe  b e l a n g r i j k  dat kruikje voor haar is, in haar leven?
De moeder bindt in. Oké, ze heeft het wat onhandig geformuleerd. Misschien had ze het niet in termen van goed nieuws en slecht nieuws moeten verpakken, misschien is een vierjarige nog niet rijp voor de goed nieuws/slecht nieuws formule, die in sommige andere situaties zo goed werkt, misschien had ze überhaupt geen nieuwsuitzending moeten verzorgen over het kruikje en het 'gewoon' niet meer in haar bed moeten leggen, – alhoewel de vierjarige deze lacune  z e k e r  was opgevallen, en dan waren de rapen ook gaar, misschien nog wel gaarder. Maar de vierjarige krijgt haar zin. Niet voor het eerst, trouwens. Ze krijgt het kruikje weer mee naar bed, om haar voetjes aan te warmen. En de elektrische deken? Die gaat ook aan. Gelukkig maar. De winter is ook nog lang niet voorbij. Het gaat weer vriezen.

Deo

Aluminiumchloride (werkzame stof uit deo) onder de microscoop

Meteen na het eten vlucht ik naar mijn kantoor om mij aan het gezin te onttrekken, ik bedoel, te buigen over Lacans probleem van de man in de cel – een man zit in een cel, zonder ramen of spiegels, met een kruis of een rondje op zijn voorhoofd; kruis betekent dat hij dood is, rondje dat hij leeft, hoe komt hij erachter hoe het met hem is gesteld? – maar het duurt niet lang voor ik word gestoord door mijn achtjarige, die zich in zijn oversized fleece ochtendjas naar binnen werkt, zijn arm omhoog steekt en zegt: 'Moet je mijn deo eens ruiken.'
Ik steek mijn neus in zijn gladde jongensoksel. Het was mij ook al eens opgevallen dat sommige van zijn kleren sporen droegen van werkende zweetklieren, maar ik vond het nog niet zo erg dat tot de aanschaf van lichaamverzorgende produkten moest worden overgegaan. Hij, en zijn moeder, dachten daar anders over. Sterker, het was een project van die twee, met bijna samenzweerderige eigenschappen (een daarvan was bijvoorbeeld dat ik onder geen beding de deo mocht kopen, maar dat was ik ook geenszins van plan, omdat ik zulke lichaamsverzorging bij een pre-puber zoals hij dus totaal prematuur en bovendien onnodig vind, want wat is er mis met een beetje lichaamsgeur?).
'Lekker.'
Hij glom.

Hacken via een ander

The art of folding a flat diaper

'Voor een categoraal gymnasium gebruiken ze veel harddrugs,' zegt mijn gymnasiast als het Cygnus ter sprake komt.
Hij doet nog meer gedenkwaardige uitspraken, bijvoorbeeld over Het dispuut, dat hij aan het lezen is voor zijn lijst. (Niet op mijn aandringen, haast ik mij toe te voegen, maar ik ben vereerd; de roman is niet voor niets aan hem opgedragen.) Hij is op de helft. 'En,' vraag ik zo nonchalant mogelijk.
'Ik vind de zinnen mooi, je kunt merken dat je er zorg aan hebt besteed.'
Mijn borst zwelt op van trots. 'Wat ik ook leuk vind is dat je er dingen van jezelf in hebt gestopt.' Tactische stilte. 'Bijvoorbeeld die Lucas, met die pink.'
Ik ontplof zowat.
De sleepwet. Ik probeer chocola te maken van de folder van de Referendumcommissie die ik in de brievenbus heb gevonden. Hoe kan ik inschatten of 'hacken via een ander' geoorloofd is, om maar iets te noemen? Dankzij mijn gymnasiast begrijp ik dat ze dat willen om hun identiteit te verbergen, net zoals de Amerikaanse inlichtingendiensten dat ooit deden met de speciaal voor dat doel ontworpen Tor-browser. Ik kan hier inkomen, ware ik inlichtingendienst. Het blijft iets tegenstrijdigs hebben, een geheime dienst die naar transparantie streeft. Uiteindelijk gaat het om vertrouwen. Is de NL overheid een bad guy of een good guy, daar gaat het uiteindelijk om. Dat ik überhaupt die vraag stel, toont aan hoezeer Nederland is geïnfecteerd door dat typisch Amerikaanse wantrouwen tegen de overheid. Lekker.
Mijn gymn komt nog met een aansprekend voorbeeld van privacyschending – niet door de overheid, mind you, maar door de commercie, die natuurlijk allang veel meer van ons weet, omdat we zoveel over onszelf prijsgeven, in een poging indruk te maken op anderen, maar nog vaker uit lui- en onnozelheid.
'Een meisje van achttien kreeg in haar webbrowser alsmaar aanbiedingen van luiers en babymelk. Toen haar vader dat zag en opheldering vroeg bij Google, kreeg hij te horen dat ze niet speciaal werd getarget. Het meisje had waarschijnlijk eerder een paar keer gegoogeld om de uitslag van een predictor test te checken of zo. Uiteindelijk bleek ze ook zwanger. Google wist het eerder dan haar vader.'

Halve black out

Iwan Baan, de halve black out van 2012

Iedereen in Amsterdam heeft weer stroom, heb ik begrepen. Ik kan het ook zien, want aan de overkant branden lichtjes. Dat was gisteravond wel anders: totale duisternis in de Diamantbuurt. Ik had medelijden met de twee Diamantbuurters die ik ken, maar het ging me wat ver om ze op te bellen en te vragen: hebben jullie stroom, want dat was een retorische vraag, en willen jullie een kaars lenen, een professionele zaklamp of een fat boy-lampje. Ook zo wat. Een mens moet zich niet te veel willen bemoeien met zijn medemens, zelfs niet als hij lijdt. Wachten op een noodkreet blijft het beste.
Ondertussen hadden wij leedvermaak over zij die in het duister zaten. De scheidslijn van de haves (wij) en de have nots (de anderen) was in mijn beleving nog nooit zo duidelijk geweest. Ik verbaasde me over deze duisternis, die vrijwel absoluut scheen. Slechts een of twee ramen van de pakweg vijftig waarop mijn raam uitzicht biedt waren een heel klein beetje verlicht. Had iedereen besloten vroeg naar bed te gaan? Was men en masse bij vrienden met stroom ondergedoken? Uit?
Zulke black outs doen me aan New York denken, waar niet alleen de stroom regelmatig uitviel in mijn appartement, en in mijn blok, maar ook een keer in de hele stad. Dat was in 2003. Ik fietste op mijn racefietsje door een compleet verduisterd Manhattan. Fantastisch. Stroomverlies doet je niet alleen stroom opnieuw waarderen, maar ook de onverlichte wereld.

Recensiedeal



Een oude vriend van me, – misschien wel mijn oudste –, Michiel Cobben, heeft zijn debuutroman geschreven, Het offer op de Canigou, maar niet alleen dat, hij heeft ook meteen een webwinkel geopend, waar ik de roman kan aanschaffen, en, dat is origineel: hij geeft korting als ik die roman recenseer. Michiel Cobben is er aldus in geslaagd (als eerste schrijver, bij mijn weten) om niet alleen de produktiemiddelen, maar ook de distributiemiddelen en de communicatiemiddelen in eigen hand te houden.
Die recensiedeal, zoals hij het noemt, roept bij mij overigens nog wel een paar vragen op. Bijvoorbeeld: wat is een recensie? Als ik schrijf, 'puik boek Chiel', heb ik dan mijn korting (à 7 euro) verdiend? Zo ja, dan is dat €2,33 per woord. Zoveel heb ik nog nooit per woord betaald gekregen, zelfs niet van Playboy, nog altijd bij mijn weten het best betalende literaire tijdschrift. Dus dat is winst. Voor mij, maar niet voor de debutant/uitgever/webwinkelier/recensie-generator, want die heeft denkelijk nix aan 'puik boek, Chiel', en nog minder, denkelijk, aan 'troep', of soortgelijke haastklusjes, waarbij de per woord-tegemoetkoming alleen nog maar hoger ligt.
Een andere vraag die ik heb bij deze recensiedeal (de term is niet van Wereldtijdschriftachtige echo's gespeend) is hoe de auteur-ondernemer, als hij over een bruikbare recensie beschikt, deze gaat pluggen. Beschikt hij over een algoritme waarmee hij een en dezelfde goede recensie (liefst telkens onder een andere naam, even anders geformuleerd) op talrijke 'literaire' websites kan laten figureren? Of gebruikt hij daarvoor 'simpelweg' Google Adwords?
Overigens wens ik hem alle succes van de wereld met zijn debuut. Ik ga hem adviseren om in elk geval ook de oude media te bestoken met zijn doe 't zelfkapitalisme, want in de krant komen, dat kan nog steeds geen kwaad. Daar zitten de lezers.

Race to the bottom



Dankzij Max Pam's column in de Volkskrant op internationale vrouwendag weet ik dat Alexander Pechtold zijn vrouw verlaten heeft voor een nieuw liefje in Meppel, dat ook weer over de nodige kinderschare beschikt. Pam gaf deze roddel in zijn column met de titel 'Beweringen en Bewijzen' (sic) op als een van de belangrijkste argumenten waarom Pechtold thans geen goede politicus is, want wie zijn gedachten heeft bij zijn nieuwe liefdesnest en zich zorgen maakt over zijn ex en kinderen kan zich volgens Pam onmogelijk behoorlijk inzetten voor 's lands belang. Over bedilzucht gesproken. Maar het gaat me niet om de bedilzucht. Een politicus zonder bedilzucht is geen politicus, maar een columnist. Daarom kun je beter geen columnisten een land laten regeren. Er zou niets veranderen. Het gaat mij om Pams off hand onthulling op zich, waarvan zelfs de ferventste roddel-consument in mijn huishouden geen weet had ('maar ik heb dan ook al een paar dagen niet meer op de Telegraaf-site gekeken, en trouwens, ik interesseer me alleen voor buitenlandse sterren.') Tegen roddels kun je niets doen. Maar op het moment dat roddels als 'bewijzen' in 'serieuze' kranten worden aangevoerd, 'bewijzen' voor iemands 'incompetentie' in dit geval, krijg je een race to the bottom. 'Max Pam dronk vier glazen wijn toen hij zijn column schreef, twitterde zijn slijter, dus ik hoef zijn bewijzen niet serieus te nemen.' Of: 'Max Pam is dit jaar nog niet behoorlijk van bil geweest, aldus Nu.nl, dus zijn argumenten tegen vrouwenquota in de top van het bedrijfsleven moeten met een korreltje zout worden genomen.' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. (Liever niet, dus.)

Behang



'Ik durf het bijna niet te vragen,' sms ik mijn uitgever, 'maar is er, voor deze zwoeger, misschien nog 1 kaartje voor het Boekenbal vrijdag?'
Geen antwoord.
Ik heb het eerder opgemerkt: de allocatie van kaartjes voor het felstbegeerde fissa van het jaar (volgens sommigen), verdient een wetenschappelijke studie, maar misschien is die er al. Overigens verandert dat niets aan het feit dat ik me aan de verkeerde kant van de schaarste bevind. Het is beter om je aan de goede kant van de schaarste te bevinden, ook al besef je dat dikwijls niet eens.
'Schrijvers zoals wij zijn behang op het boekenbal,' troost de Monnik, die wel een kaartje heeft bemachtigd. 'Stel jezelf de vraag: hoe zeer verheugen mensen uit het boekenvak zich om Viktor Frölke op het boekenbal tegen te komen?'
Ik stel mezelf de vraag, beeld me in dat mensen uit het boekenvak mij tegenkomen op het boekenbal, en probeer hun reactie te peilen. Geen vrolijkmakende exercitie.
De Monnik geeft zelf antwoord. 'Schrijvers als A.F.Th., Tommy Wieringa, Connie Palmen en soortgelijken, ja, die willen mensen uit het boekenvak graag tegenkomen op het boekenbal...'
'The usual suspects...'
'Inderdaad. Wij zijn behang.'
Ik zou niet graag als behang de geschiedenis in gaan. Misschien als wandkleed, tegeltjes wellicht, maar niet als behang. Aan de andere kant, behang is beter dan een kale muur.


Slaafje

Sophie Walraven


Telefoon van de glamourbejaarde. Ik weet al waarover het gaat. De tafel. Althans, het houten onderstel – een soort van antiek frame met vier dikke poten die aan elkaar vast zitten – dat iemand bij de afvalcontainer aan het begin van de straat heeft gedumpt. Toen ik dat ding zag dacht ik: misschien iets voor de glamourbejaarde, want ik had eerder al een tafelblad bij het grofvuil vandaan gehaald op haar verzoek, en daarvoor ook nog andere tafels bezorgd. Haar zoektocht naar de ideale tafel voor weinig kent geen einde.
'Is bij jou de lente ook begonnen?'
'Ja, heerlijk hè,' zegt ze. 'Zo blij dat die kou voorbij is. Kou is tot daaraan toe, maar die wind. Die wind is verschrikkelijk.'
'Inderdaad. Zeg... je belt zeker over die tafel.'
'Ja.'
'Zal ik hem eerst even opmeten, voordat ik hem naar je toe sjouw? Hij ziet er nogal zwaar uit.'
'Ik denk dat ik hem sowieso wil hebben.'
'Dan moet ik hem misschien meteen halen voordat iemand anders hem meeneemt.'
'Dat zou fijn zijn.'
Wie zelf iets op het oog heeft, denkt onmiddellijk dat anderen datgene ook op het oog hebben. Een misverstand. De halve tafel staat er nog steeds, eenzaam en verlaten. Gelukkig is hij minder zwaar dan ik dacht.
'Uw tafelbezorgdienst,' roep ik door de intercom met het ding op mijn schouder.
Ik hoor de glamourbejaarde lachen. Maar ik ben wel haar slaafje.
Als ik weer achter mijn computer zit om mij te wijden aan de Hohe Kunst, mompel ik tegen lieftallige: 'Jij zou precies hetzelfde doen, als je zo oud was als zij.'
Ze knikt.

De wil tot democratie




Het eerste tastbare bewijs dat Nederland ook in 2018 in het algemeen, en Amsterdam in het bijzonder een democratie wil zijn, is dat er een betonnen bak wordt neer geplant op de stoep, een betonnen bak die een standaard blijkt te zijn voor een enorm billboard waarop de diverse partijen en hun kandidaten zich mogen/kunnen afficheren in het kader van de campagne voor de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen.
Zoom even in, als je wilt, en kijk mee.
Mijn oog viel het eerst op Iwan Leeuwin, voor een 'menswaardig Amsterdam'. Een mooie foto van een sympathiek ogend figuur, en een nobel streven.
Voordat ik kon overpeinzen wat Leeuwin met een menswaardig Amsterdam zou kunnen bedoelen, en hoe dat te bereiken, werd ik afgeleid door zijn buurman links, Forum voor Democratie. Ik denk niet dat de campagnemakers van FvD heel lang over de slogan hebben nagedacht, en ook niet over de combinatie van die slogan en de twee kandidaten, maar misschien ben ik pervers (nee: ik ben  z e k e r  pervers, maar ik ben, denkelijk, de enige niet).
Vervolgens trok mijn linkeroog naar de Partij tegen Scooters, waar ik me onmiddellijk bij aan zou willen sluiten, maar mijn rechteroog traande bij de mevrouw op de scootmobiel. Een dilemma.
Ik moest al gauw verder, niet met mijn zondagse wandeling, die ik voor de wil tot democratie onderbroken had, maar met mijn partijen en kandidaten-scan. Steve Brown? Was dat niet die ...? En sinds wanneer kan er geen lachje meer af bij Steve Brown?
Het werd tijd op de partijen te focussen die mijn belangen behartigen, zoals 50 Plus, de Partij van de Ouderen – wat is er met de Partij voor de Ouderen gebeurd? – maar ik wil niet oud zijn. Niemand wil oud zijn. Dus wordt het dit jaar maar weer de Basisinkomenpartij. Het ware aardig geweest, en goed voor de zaak, als Rutger Bregman zich kandidaat had gesteld, maar een mens kan niet alles hebben, in dit tijdsgewrocht.





Zug



Duitsland, of meer in het bijzonder: met de trein door Duitsland: het blijft een bijzondere ervaring, natuurlijk in de eerste plaats omdat we (ik) het zo weinig doen (doe). Meteen al na Venlo, in de richting van Duisburg, verandert niet zozeer het landschap (dat blijft nogal saai agrarisch en plat) maar wel de sfeer, de industrie, de architectuur. Opeens overal vuilgele, vuilwitte, bruine gestucte buitenmuren. Om te beginnen bij wat me bevalt: de troeperigheid. De slierten stad en dorp meteen naast het spoor vormen altijd een rafelig niemandsland, ontdaan van opsmuk, alsof het hier toch geen zin (meer) heeft om net te doen alsof, maar in Duitsland zie je ook nog regelrechte puin. Leegstaande fabrieken. Kapotte gebouwen. Half-affe huizen. De Hollandse opgeruimdheid grijpt me soms naar de keel, geeft me het gevoel in een kinderdagverblijf te wonen. Ook opvallend en interessant (nou, ja, vooral opvallend): de talrijke volkstuintjes. Is Nord Rhein Westfalen kampioen volkstuintjes? Dan toch samen met Nederland. Sinister, maar dat kan ingebeelde sinisterheid zijn, zijn de met prikkeldraad omheinde barakken die ik vanuit de trein meen te ontwaren in de bossen. Niet sinister, wel opmerkelijk, omdat ik die in Nederland nauwelijks meer zie: militairen in de trein, bepakt en bezakt. Op het station van Essen sjok ik achter een vrouwelijke militair aan, van ik denk de Bundeswehr, ook wel Heer genaamd. Ze draagt een pet. Op een of andere manier vind ik dat geruststellend.

Voorafgaand aan de ochtend VIII (slot)



Jammerend namen de mannen de schade op. De taveerne lag bezaaid met stukjes mannenruggenvlees in plasjes mannenruggenbloed. Timeu gaf de zweep aan Inzig en zei: 'Jij bent.'
Inzig mocht dan wel zijn, en in bepaalde zin was Inzig ook, dit was het moment suprême, dit was het moment waarop Inzig naar toe had geleefd, maar Inzig kon niet. Inzig kon niet leveren, dat was een thema geweest in het leven van Inzig, er was veel opmaat, er waren hoge verwachtingen, er werd van alles door menigeen gehoopt en beloofd, maar op het belangrijkste moment liet Inzig het afweten.
Teleurgesteld nam Timeu de zweep terug van Inzig en borg hem op in zijn schapenleren tas. 'Nou ja, dan heb je het in ieder geval eens met eigen ogen gezien.'
'Laatste ronde,' riep Zenu vanachter de toog, terwijl ze minieme, bijna onzichtbare brokjes mannenruggenvlees van haar wang en schort veegde.
'Hoe laat leven we?' vroeg Timeu. Zenu raadpleegde de kleinste van de vele horloges om haar pols. 'Het wordt zo licht. Als het licht wordt komen de autoriteiten en dan moet alles voorbij zijn.'
Timeu bestelde geroosterde sardientjes met herdersbrood, en een glas warme melk met honing. Inzig sloot zich erbij aan. De twee gingen aan een tafeltje zitten, en keken om zich heen als een langdurig getrouwd stel; bevredigd, maar toch ook onbevredigd.
Terwijl de mannen in de taveerne elkaars kapotte ruggen depten met speciaal door Zenu daarvoor neergelegde tissues (die op een grote berg werden gegooid), en hun hemden, truien en jasjes een voor een weer aantrokken, hieven ze langzaam een klaaglied aan, dat nog lang nagalmde in Inzigs onheilszwangere hoofd.

Voorafgaand aan de ochtend VII



Als betrof het hier een eeuwenoude traditie, werden in stilte alle tafeltjes en stoelen aan de kant geschoven en ontblootten alle mannen hun ruggen, de ene na de andere werd zichtbaar, en stelden ze zich zodanig op, dat Timeu en Inzig, maar vooral Timeu, er makkelijk bij kon. De vrouw achter de bar, Zenu heette ze, ging van de weeromstuit, omdat ze niet dacht binnenkort nog bestellingen te ontvangen, de toog schoonmaken, waarbij ze de neusvleugels van haar haviksneus, waarschijnlijk een of andere tic, wijdopen zette. Inzig keek uit over de zee van mannenruggen en verbaasde zich erover, dat zij allen behaard waren, maar daarvoor waren het mannenruggen. En zij waren niet alleen behaard, maar ook bespikkeld, beschadigd, gekloofd, gehavend, en wat dies meer zij, en er zouden, gegeven de geestdrift waarmee Timeu de zweep hanteerde, vermoedelijk nog meer oneffenheden op deze blote mannenhuiden ontstaan. Timeu deelde de eerste klap uit, zonder ook maar een woord of gebaar van ceremonie, aan een kleinere, oudere man die als een gebalde vuist op de koude stenen vloer lag en die, voordat hij ineen was gedoken, en zijn neus naar zijn knieën had gebracht, Inzig een blik had toegeworpen van intense tevredenheid, onder zijn niet te missen want volstrekt detonerende haarstuk. IJdelheid was, ook in C, een factor om rekening mee te houden. De man gaf een korte gil, na Timeu's zweepslag, maar dat leek geen uiting van pijn, maar van ontzetting, omdat Timeu zijn haarstuk eraf had gezweept. Het sneue lapje was aan het uiteinde van de zweep blijven hangen.

Voorafgaand aan de ochtend VI



'Waarom draag je eigenlijk een berenvel en zwarte schmink op je huid,' vroeg Inzig aan Timeu, terwijl ze, na een kopje zeer sterke koffie samen richting C hobbelden, waar ze, zo hadden ze gemakshalve besloten, op zoek gingen naar mensen die graag de zweep over de rug gelegd wilden hebben. 'En, now we're at it, waarom draag je een dozijn koebellen op je rug? Zo maak je het hele dorp wakker.'
'Het hele dorp is al wakker,' zei Timeu, met zijn zweep voor zich uit knallend naar een zwerfkat. Dit was niet dezelfde zwerfkat als dewelke Inzig had gevolgd door het landschap; dit was een andere, met een hoek van bijna 90 graden in zijn staart. De kat gaf een klagelijke miauw.
'En die vermomming, wat moet ik daarvan maken?'
'Wat jij wil,' sprak Timeu, en hees het koord waarmee het berenvel bij elkaar gehouden werd nog eens aan. 'Mensen denken dat ze niet vermomd zijn, maar dat zijn ze wel degelijk. Ze dragen de vermomming der middelmatigheid.'
Inzig bekeek zichzelf in het licht van de straatlantaarns die bungelden in de wind. Zoals gezegd droeg Inzig te weinig kleren, maar straalden zij middelmatigheid uit? Dat was niet meteen duidelijk. En trouwens, ging het, ceteris paribus, niet om het innerlijk? Deze overwegingen hield Inzig echter voor zich.
Ze bereikten een piepklein, licht hellend, pleintje. In een grotachtige, helverlichte bar was, Timeu had gelijk gehad, een grote uitsnede van de bevolking van C was samengepakt rondom kleine formica tafeltjes. Zo naar hun vermomming te oordelen alleen mannen; alleen achter de toog stond een vrouw, met een haviksneus en meer horloges om haar polsen dan strikt noodzakelijk. De mannen, die woeste, roodbruine koppen hadden, dronken donkerpaarse drankjes. Ze vielen en masse stil toen Timeu en Inzig binnenkwamen.
'Het zal me benieuwen,' dacht Inzig bij zichzelf, 'wie van deze mannen behoefte voelt om zich Timeu's zweep over de rug te laten leggen.'

Voorafgaand aan de ochtend V



Uren was Inzig nu al onderweg, uren die dagen leken, misschien zelfs weken, maar een bordje "C: x km" was nog niet gezien, en dat kwam niet door de duisternis. In dit landschap was men niet scheutig met naamborden, afstandsborden, of wat voor borden dan ook. Alles sprak voor zich voor wie hier al eeuwen woonde; voor de buitenstaander, zoals Inzig, bleef er weinig anders over dan gokken. Culturen hadden de neiging zich af te sluiten voor de buitenwereld; een open cultuur tekende in zekere zin zijn eigen doodsvonnis. Maar dat was allemaal academisch voor Inzig. Er was een doel, sort of, en dat doel diende, sort of, te worden bereikt. De ochtend was nog altijd niet aangebroken, de dag had nog altijd geen verlichting gebracht, toen Inzig eindelijk aankwam bij een vervallen loods aan de rand van het bergdorp, waar Timeu, gekleed in een wollen berenpak, en helemaal zwart geschminkt, drukdoende was om zweepslagen te oefenen. Verfijning of precisie was kennelijk niet Timeu's belangrijkste oogmerk; het maakte een hels kabaal. Timeu keek nauwelijks op toen Inzig de vochtige, slechts door enkele flikkerende TL-buizen verlichte loods betrad, liet alle plichtplegingen achterwege en kwam meteen terzake. 'U wenst dat ik de zweep over uw rug leg, over die van mijzelf, of dat wij op zoek gaan naar andere ruggen waaroverheen ik de zweep zou kunnen leggen?' De vraag werd meer gegromd, dan gesteld. Inzig moest hier even over nadenken; ontbraken er trouwens niet enkele opties, bijvoorbeeld dat Inzig de zweep over Timeu's rug zou leggen? Niet dat Inzig daar nu de energie voor had, maar toch. Het ging om het idee. Waarom zou Timeu een monopolie moeten hebben op het toebrengen van lichamelijke pijn?