89. De vreemde man




Hij stond in de speeltuin het geheel te observeren. Ik had hem niet eerder gezien. Hij was grijs, wat aan de vadsige kant maar niet dik, droeg een lange zwarte jas (net zo een als ik heb) en stond met zijn schoenpunten overdreven naar buiten gekeerd bij een van de banken opgesteld. Waarom ging hij niet zitten? Hij had zijn handen in zijn jaszakken en keek wat voor zich uit en om zich heen. Dat was opmerkelijk, want alle andere aanwezigen keken naar kinderen, die van henzelf of de kinderen met wie hun kinderen speelden. Of ze keken op hun telefoon.
Het is niet verboden om in een speeltuin te zijn zonder kind bij je, herinner ik me nog dat ik dacht; we leven nog altijd in een land waar elk mens zich, binnen een bepaalde bandbreedte, vrijelijk door de publieke ruimte mag bewegen.
Na een poosje was ik hem vergeten. Of eigenlijk: ik was gewend geraakt aan zijn verschijning, ik keek niet meer op van zijn afwijkende houding. De andere ouders dachten hetzelfde.
In een speeltuin in de stad leren ouders elkaar via de kinderen snel kennen, soms zelfs voor een middag maar. Het duurt niet lang voordat ze hun kinderen aan elkaar toevertrouwen. Jij blijft hier toch nog wel even? zeg je dan bijvoorbeeld. Ik ben zo terug.
Ouders hebben een geheim bondgenootschap met andere ouders, een wederzijdse zorgbelofte voor zolang het duurt.
Impliciet is dat de ouder tegen wie je zegt dat je even weg bent (je zegt dit zelden of nooit tegen een niet-ouder), voor die periode de verantwoordelijkheid overneemt over jouw kind, het gezag, de zorg. Drie termen die niet hetzelfde betekenen, maar in de context van een speeltuin op hetzelfde neerkomen. Je troost een kind als het zich bezeert, je helpt een kind als er een probleem is, je spreekt het vermanend toe (tot op zekere hoogte) als het zich misdraagt, je slaat alarm bij een ramp.
Ik keek naar een ouder en zei: ik moet even mijn telefoon halen. Dat was gelogen. De telefoon zat in mijn broekzak. Ik moest naar de wc, maar dat vond ik wat gênant om te zeggen. Kon ik het dan niet ophouden? Waarom nam ik mijn kind niet mee?
Ik ben zo terug, zei ik tegen mijn kind, nadat de plaatsvervangende ouder me goedkeurend had toegeknikt.
Ik nam me voor het kort te houden.
Het was in ieders belang, niet alleen dat van het kind, maar ook het mijne, dat ik het kort hield.
Terwijl ik naar huis liep wierp ik nog een laatste blik op de vreemde man, de enige die geen kind bij zich had, en die ook niet op zijn telefoon keek, of een boek las – want dat had ook nog gekund.
Ik sloeg de hoek om.
Mijn kind bevond zich definitief buiten mijn blikveld.
Ik weet nog goed hoe het voelde toen ik mijn kind voor het eerst een blokje om liet gaan, hem voor het eerst helemaal uit mijn zicht liet verdwijnen, hem op eigen krachten door de buurt liet navigeren. Dat was een waterscheiding, een mijlpaal, voor hem, maar ook voor mij.
Het voelde alsof ik opnieuw de navelstreng doorknipte.
De ouder in de speeltuin aan wie ik de verantwoordelijkheid had overgedragen, de stand in-ouder zogezegd, haar telefoon ging, ze nam op, het was een belangrijk telefoontje. Deze moet ik nemen, dacht ze.
Het was zelfs zo'n belangrijk telefoontje, voor haar althans, dat ze zich, al bellende, enigszins verwijderde van de luidruchtige groep kinderen, zich daarna half omdraaide, en tenslotte helemaal, om zich beter op het gesprek te kunnen concentreren.
De kinderen, haar kinderen, mijn kind, waren in de zandbak en het zag er niet naar uit dat ze daar binnenkort uit zouden komen.
Niemand had mijn kind nu nog in het oog, behalve enkele andere ouders misschien in de periferie van de speeltuin, aan wie ik niet had gevraagd even op mijn kind te passen, en de vreemde man die zonder kinderen in de speeltuin stond.
Kinderen kijken elkaar nauwelijks aan. Alleen als ze samen spelen, soms.
Toen ging het snel. Want de vreemde man, zo hebben we later gereconstrueerd, moet iets tevoorschijn hebben gehaald waartegen mijn kind niet bestand was, hij moet hem een voorstel hebben gedaan dat hij niet kon afslaan.
Snoep kan dit niet geweest zijn, want mijn kind is niet zo'n zoetekauw. Waarschijnlijk was het een gadget. Als er iets is waarvoor mijn kind onmiddellijk voor de bijl gaat is het een gadget.
Dat kan een heel simpel gadget zijn, dat hoeft niet eens een laptop of een iPad te zijn. Iets elektronisch. Iets met een knop erop, die, als je hem indrukt, iets in gang zet.
Misschien was het een drone. Een kleine, die hij in zijn zak had zitten, opgevouwen.
Ik weet dat hij zo'n ding heel graag wil hebben, dat hij dat het allermooiste is wat er bestaat. En wij hebben hem al verteld dat hij hem van ons niet hoeft te verwachten.
Toen ik terugkeerde van mijn zo kort mogelijke bezoek aan de wc, ik denk dat ik alles bij elkaar niet langer ben weggeweest dan vijf minuten, was zowel de vreemde man verdwenen, als mijn kind.
De ouder aan wie ik mijn kind had toevertrouwd was nog steeds aan het bellen. Niet meer met haar rug naar de zandbak, zoals eerst, maar ook niet met haar volle aandacht bij wat er in de zandbak aan de hand was.
De andere ouders, die ook aanwezig waren, hadden niet gezien wat er was gebeurd.
Ze wilden wel geloven dat mijn kind er niet meer was, ze wisten ook dat er een man had gestaan die er nu niet meer stond, een man die ze nog niet eerder gezien hadden inderdaad, maar ze hadden de verdwijning van de een niet gekoppeld aan de verdwijning van de ander.
Ik moest denken aan dat experiment waarbij een man in een paars gorillapak door een kamer loopt maar niemand ziet hem omdat de aandacht expliciet op iets anders is gericht.
Ondertussen was ik mijn kind kwijt.
Iedereen was in rep en roer, de ouder aan wie ik gevraagd had op mijn kind te passen was in totale paniek, voelde zich al meteen heel erg schuldig, maar ik ging er nog steeds van uit dat er niets aan de hand was. Zelfs al was mijn kind meegegaan met de vreemde man, dan nog dacht ik dat ze alleen maar voetbalplaatjes gingen halen, of iets dergelijks, of dat mijn kind de man ging helpen met zijn demente moeder.
Ik heb hem nooit meer teruggezien.