76. Life is fragile, when to panic? (I)




Nadat ik het enige museum dat nog open is had bezocht, tevens het kleinste vermoed ik, aan de gevel van Paradiso, het is eigenlijk meer een vitrine, het aardigste vond ik het doosje gevuld met wimpers, en de post-it met de slordige notitie Life is fragile, when to panic?, wilde ik mijn wandeling vervolgen, toen mijn oog viel op een zwarte stoffen massa aan het einde van het pad dat leidt naar de zij-ingang links van het bakstenen gebouw.
Ik dacht meteen even kijken, en niet bijvoorbeeld wat het ook moge zijn, laat maar liggen, en liep in de richting van de stoffen massa, die het uiteinde van een slaapzak bleek te zijn. Of het begin, dat kon ook.
Het was laat, maar nog niet helemaal donker. Over het algemeen wint mijn nieuwsgierigheid het van mijn voorzichtigheid, wie zijn gedrag door voorzichtigheid laat bepalen leidt weliswaar een veilig, maar ook rimpelloos leven, dat overeenkomsten heeft met de dood (dit laatste weet ik niet zeker, ik ben nog nooit dood geweest).
Hier lag iemand, languit, doodgemoedereerd. Of dit moest een kunstwerk zijn, of een practical joke. Ik ging er gemakshalve uit dat de iemand die hier lag een man was, mede gezien de grote sneakers die uitnodigend en hoopvol naast zijn slaapplaats stonden opgesteld, maar het was een aanname want hij bleef onzichtbaar, geheel bedekt onder de slaapzak. Ik wist niet eens zeker waar zijn kop zou moeten zitten en waar zijn teen. Zijn  g e z i c h t  was onzichtbaar. Een mens is vooral een gezicht, dacht ik nog, zolang het gezicht er niet is, kan de mens die erbij hoort gemakkelijk worden uitgevaagd.
Geen gewone buitenslaper, deze. Niet alleen omdat het buiten buitenslaapseizoen was, maar ook omdat hij een zwarte computertas gebruikte als hoofdkussen (misschien was die leeg). Naast zijn schoenen lag een pet-flesje met een urinekleurige vloeistof en een koptelefoon. Een dure, volgens mij, maar ik heb geen verstand van koptelefoons.
'Excuse me!' zei ik, meer uit instinct dan uit wat dan ook. Ik wilde hem attenderen op de aanstaande koude. 'Hello? Sir?'
De poging tot conversatie stierf weg in de kille, donkergrijze vooravond. Even overwoog ik met mijn schoenpunt de slaapzak te beroeren. In plaats daarvan boog ik me voorover en probeerde uit het al dan niet bewegen van de stof, al was het maar een minieme beweging, af te leiden of daaronder iemand in- en uitademde.
Niets.
Ik besloot terugtrekkende bewegingen te maken, totdat mijn oog opnieuw viel op de koptelefoon. Mijn zoon zijn koptelefoon was net stuk gegaan en hij had hem hard nodig. Mijn hart begon sneller te kloppen. Ik keek om me heen: niemand. Niet hier aan de zijkant van Paradiso, dat grensde aan een braakliggend terrein, maar ook niet verderop, aan de straatkant. Dit deel van de stad, uitgaansgebied nota bene, was compleet verlaten; behalve de man hier voor me, die niet bewoog. Ik maakte nog enige halve cirkels om de bultige slaapzak heen, griste toen de koptelefoon van de betonnen vloer en maakte mij uit de voeten. Niet haastig, maar ook niet traag.
Net voordat ik de stoep bereikte, voelde ik iets naderen van achteren, maar voordat ik me kon omdraaien om te zien wat het was, hoorde ik een hese stem: 'Hey, you!'