74. De laatste ex-pat van Amsterdam




Mijn naam is Sybille Habig. Ik ben op 1 maart vanuit mijn woonplaats Frankfurt naar Amsterdam verhuisd voor het bedrijf waarvoor ik werk (dat ik helaas niet mag noemen, maar het doet er ook niet toe).
Mijn uitzending kon niet meer worden teruggedraaid: het huis waar ik nu zit, op de Prinsengracht, was al voor een jaar gehuurd (de huur was vooruit betaald), en mijn eigen huis had ik ook al onderverhuurd, de termijnen sloten vrijwel naadloos op elkaar aan.
We dachten dat het niet zo lang zou duren, maar nu lijkt het een eeuwigheid. Ik ben mijn idee van tijd kwijt. Van ruimte, van werk en van leven, eerlijk gezegd.
Ik adem nog.
Dit appartement is veel te groot, het is een zeventiende eeuws museum, helemaal gerenoveerd van alle gemakken voorzien. Ik weet niet wat mijn werkgever bezield heeft. De luxe waarmee ik word omringd maakt dat ik me nog nuttelozer voel.
Het werk dat ik doe heeft nooit iets voorgesteld. Dat heeft me nooit dwars gezeten tot nu. Inloggen en uitloggen, dat is het. Meer niet. Elke dag weer. Ook in de weekenden.
Het betaalt goed. Mensen waren jaloers toen ze hoorden dat ik werd uitgezonden. Naar Amsterdam. Prinsengracht? Anne Frank!
Amsterdam, dus. Mooie stad, naar het schijnt. Ik heb er weinig van gezien. Tuurlijk wandel ik me suf, zoals iedereen, maar ik wandel altijd hetzelfde rondje: Prinsengracht – Brouwersgracht – Singel – Vijzelgracht – Prinsengracht. Dus ja, ik ben een grachtengordeldier, zo noemen jullie dat toch? Maar Bos en Lommer? Indische Buurt? Museumplein? Nooit geweest. Wat moet ik daar?
Ik had niet gedacht dat ik bang zou zijn in deze stad, dat deze stad mij angst in zou boezemen, maar there you have it.
Alle sloten doe ik erop en ik blijf uit de buurt van de ramen.
Vrienden heb ik hier tot dusver niet kunnen maken. Niet dat ik er naar op zoek ben, maar toch, je ontmoet wel eens mensen in het gebouw. Als ze horen dat ik Duits ben (hoe zou ik dat kunnen verbergen?) haken ze af. Ik zie aan hun ogen dat ze het kort willen houden, dat ze weg willen, verder. Ach, die Holländer!... zo heerlijk direct... je weet wat je aan ze hebt.
Ik sta op, log in, drink wat koffie. Dan ga ik lang in bad liggen, met de Goldbergvariaties zachtjes op de achtergrond, en de FAZ binnen handbereik (wordt thuisbezorgd, sjiek nah?). Dat is mijn ritueel. En elke dag een andere soep lepelen, van een ander continent, met een mini-quiche erbij. Ik besta, heb ik berekend, inmiddels voor 75 procent uit soep.
Ik geniet heus van de ambiance, maar ik kan me hier onmogelijk thuis voelen.
Het is van de laptop aan de keukentafel naar de bank en weer terug. Af en toe een dutje. Boodschappen, andere benodigdheden (boeken, geloof het of niet, en een Furious Rabbit, laatst) worden allemaal aan huis bezorgd. Ik zie vaak de bezorger niet eens, omdat hij het in de hal neerzet.
Ook al is dit huis enorm, ik voel me toch als een leeuw in een te klein verblijf zonder perspectief.
Alle werk heeft iets tragisch, maar het mijne is wellicht het meest tragisch. Ik heb altijd willen zingen. Sinds kort durf ik het ook een beetje, in de wc. Het klinkt nergens naar, maar dat geeft niet.
's Middags de wandeling, weer of geen weer. Het is lekker om er even uit te zijn. 's Avonds verspil ik helaas te veel tijd met doomscrollen en facebookprofielen checken van oude vriendjes, middelmatige Netflixseries en de roddelpagina's. Steeds weer diezelfde berichten. Help!
Er gaan dagen voorbij dat ik niemand spreek, mijn stem niet gebruik. Bellen doe ik steeds minder. Ik heb gebroken met mijn familie, dat scheelt. En trouwens, waar moet ik het in godsnaam over hebben? Ik heb geen verhaal, dat is het. Ik ben een vrouw zonder verhaal. Ik vind dat het ook fysiek aan me af te lezen is, dat alles hangt, maar misschien overdrijf ik.
Het enige telefoontje dat ik nog aanneem is nota bene dat van mijn op een na laatste ex. Ik ben niet zo iemand die eindeloos vrienden blijft met een ex (de laatste heb ik zelfs op alle mogelijke manieren uit mijn leven gewist), maar voor die een na laatste ex heb ik een uitzondering gemaakt.
Andrei heet hij. Russisch. Of eigenlijk Oekraïens. Als ik Russisch zeg, corrigeert hij me: ex-Sovjet, niet Rus! Enfin, hij is getrouwd, zijn vrouw is in verwachting, maar we konden altijd goed bellen, en dat zijn we dus weer gaan doen. Hij belde me van de zomer met de smoes dat hij van plan was naar Amsterdam te komen, of ik nog tips had. Ja: blijf weg. Het heeft geen enkele zin om nu naar Amsterdam te komen, of wanneer dan ook, eigenlijk. Deze stad is dood.
Ik weet niet of zijn vrouw het leuk vindt, ons contact, ik weet niet of ze ervan afweet, maar dat gaat me niet aan. Dat is zijn zaak.
Ah kijk, daar heb je hem weer. Tarkovsky, zo staat hij in mijn telefoon. Sorry, ik ga opnemen. Hij weet het niet en ik ga het hem ook niet vertellen maar het is wel waar. Andrei is mijn redding.