Synopsis voor een kort verhaal. Deel 3: Crash

Vlak voor vertrek van de Colemans is de hittegolf voorbij en heerst er eindelijk absolute, weldadige stilte in La Divina. Shanti uit hierover haar verbazing. De Nederlandse hippies, Fons en Imre heten ze, hadden immers aangepapt met de Duitse veganiste, Helke, die leuke kunstjes deed met 'Chucky'. Het drietal werd min of meer gedoogd, behalve door het oudere – Franse – echtpaar, dat hun afkeuring door liet schemeren over de naakte zwart-kampeerders in omfloerste conversatie op het terras. Coleman zegt dat hij alleen maar dankbaar kan zijn dat hij op zijn minst één dag van zijn vakantie, al is het de laatste, mag doorbrengen in de hem in het vooruitzicht gestelde kindvrije omgeving. Maar dan, als de Colemans voor de laatste keer in hun vertrouwde stoelen aan de infinity pool plaatsnemen, en hij zachtjes, met duim en wijsvinger, haar nek masseert, terwijl zij doorleest in haar Murakami, komt de manager van het luxe oord aanzetten met Imre en 'Chucky' in haar kielzog. Ze lopen over de parkeerplaats naar de landweg erachter en staren de diepte in. De Hollandse hippie-familie is die nacht de heuvel afgehobbeld, dwars door de wijngaarden, om tegen een oude pijnboom tot stilstand te komen. Fons heeft zijn schouder gebroken en is naar het ziekenhuis overgebracht. Met zijn dochtertje, dat in shock uit haar hoogslaper stortte, gaat het wel weer. Imre is ongedeerd. Terwijl de manager lunch voor hen laat aanrukken, komt Irme op Shanti's strandstoel uithuilen, met het meisje op schoot, over de kapotte kampeerbus. Hij stond niet op de handrem. Helke stelt voor geld in te zamelen; anders maakt ze graag glutenvrije cupcakes voor het goede doel. Shanti wil daar niets van weten. Ze belooft dat haar man de investment banker voor een gulle donatie zal zorgen. 'Ja, toch, Josh?' Maar Coleman is niet al meer te bekennen bij het zwembad. In de baby-villa pakt hij zijn koffers.

Synopsis voor een kort verhaal. Deel 2: Monsters

Nadat Joshua en Shanti Coleman twee keer 's ochtends vroeg zijn gewekt in hun baby-villa, een keer door een luide schreeuw gevolgd door een plons, en een keer door gestamp op de voordeur van hun baby-villa, (het kleine meisje bleek op zoek te zijn naar haar vader), stapt Coleman opnieuw naar de manager van La Divina, een gracieuze dame met grijze slapen. Die hoort de bezwaren over de overlast van de Hollandse hippies en 'that Chucky-like monster' welwillend aan, maar er gebeurt niets. Want als de Colemans terugkeren van een copieuze lunch op een dorpsplein in de buurt, ziet hij de kampeerbus alweer staan. Er komt nu ook muziek uit, hippiemuziek. Het meisje danst bloot met haar bijna blote, aantrekkelijke, maar vroegoude moeder op de parkeerplaats; de dreadlocks vliegen in het rond. Nog steeds vindt Coleman zichzelf te goed en te belangrijk om de hippies rechtstreeks tot de orde te roepen. Als hij ziet dat de bijna blote moeder probeert aan te pappen met Shanti, sleept hij zijn vrouw mee naar hun privé-domein, en eist dat ze ieder contact met de vijand vermijdt. Die nacht, als de Colemans weer eens proberen de liefde te bedrijven, zoals het plan was, komen ze niet ver, omdat zijn wraakfantasieën steeds gewelddadiger worden.

Synopsis voor een kort verhaal. Deel 1: De Colemans zijn not amused

Joshua en Shanti Coleman uit New York, hij investment banker, zij toneelregisseur, besluiten een week hun hectische levens te ontvluchten om hun ietwat uitgebluste huwelijk nieuw leven in te blazen, vooral door minstens een keer per dag met elkaar naar bed te gaan, hebben ze zich – hij ernstig, zij lacherig – voorgenomen. Ze verblijven een week in La Divina, een 'kindvrij' luxe-oord in de heuvels van Toscane. Nu hebben ze er eindelijk de tijd voor, is de gedachte, en zal alles hoofdpijnloos en intiem zijn. Ze krijgen een pittoreske baby-villa toegewezen temidden van de wijngaarden en olijfboomgaarden, voorbij de lounge-area en het terras waar volmaakte jonge mensen klaarstaan om behalve cocktails te shaken en finger sandwiches uit te delen, ook een aardig woordje Engels te spreken. Ze blijken opmerkelijk goed op de hoogte te zijn van de laatste ontwikkelingen op welk gebied dan ook. Waar Joshua en Shanti Coleman niet op hebben gerekend is de hittegolf die op het moment door Italië woedt, en hen min of meer veroordeelt tot de 'infinity pool'. Ook 's nachts is het te heet voor hun agenda-seks; de ironie hiervan ontgaat haar niet. Als ze in de middag van dag drie opnieuw in de perfecte strandstoelen bij het zwembad liggen, hij bezig op zijn telefoon, zij verdiept in een roman van Murakami, tegenover een ouder echtpaar en een alleen-reizende, bovenmatig-getatoëerde Australische veganiste, klinkt opeens, uit het niets, de snerpende huil van een klein meisje dat water in haar ogen heeft gekregen. De Colemans zijn not amused. Het huilende meisje blijkt te horen bij twee Nederlandse hippies in een kampeerbusje op de parkeerplaats, die zich alle luxe laten aanleunen van La Divina zonder betaalde gast te zijn. Op dag vier, als de hippies weer hun meisje hebben meegebracht naar het zwembad, belooft Coleman zijn geliefde met gevoel voor drama, dat hij op alle hem beschikbare manieren een einde zal proberen te maken aan deze inbreuk op hun welverdiende vakantie-rust. Shanti draait zich hoofdschuddend op haar andere zij.

(Geen) lucht

Nadat de klerenkastvormige steward in het gangpad verveeld heeft uitgelegd hoe je het zuurstofmasker omdoet voor het geval de lucht wegvalt in de cabine, en de achtjarige naast mij uitvoerig de pictogrammen heeft bestudeerd op de veiligheidskaart uit de sleuf van de stoel voor hem, vraagt hij: 'Waarom moet je eerst het masker bij jezelf omdoen en daarna pas bij anderen?'
Goede vraag. Hier raakt de achtjarige aan een fundamenteel ethisch beginsel.
'Stel voor de lucht valt weg in de cabine en ik doe eerst een masker bij jou om, wat gebeurt er dan?' 'Dan krijg jij geen lucht, pappie.'
'Daarom moet ik het masker eerst bij mezelf omdoen.'
'Maar dan krijg  i k  toch geen lucht?'
'Nee. Maar als ik mijn eigen masker om heb kan ik jou beter helpen.'
'En zij dan?' De achtjarige wijst naar de driejarige die een stoel verder op een 'booster seat' aan de raamkant zit, niet om van het uitzicht te genieten, maar om het plastic luikje alsmaar omhoog en omlaag te doen.
'Als ik eerst mezelf en daarna jou help,' ga ik dapper verder, 'dan kunnen wij samen jouw zusje helpen het masker om te doen.'
Ik ben eigenlijk wel in mijn nopjes over de uitleg, maar de achtjarige blijft sceptisch.
'Weet je wat,' zegt hij na een tijdje, 'ik hou mijn adem wel in.'
Alsof de goden ons gesprek hebben afgeluisterd, krijgen we boven de Alpen te maken met flinke turbulentie. Ook de klerenkastvormige steward wordt vriendelijk verzocht zijn gordel om te doen. Halfschertsend roep ik tegen lieftallige: 'Alle royalties naar de gymnasiast.' De kleintjes naast mij echter hebben de grootste pret. Wat hen betreft kan er niet genoeg turbulentie zijn.

Afsluitend vuurwerk

San Giovanni, het volksfeest van Florence, heeft dit jaar voor het eerst in zijn geschiedenis een numerus clausus ingevoerd. Niet meer dan twintigduizend mensen mochten het afsluitende vuurwerk boven de Arno van dichtbij aanschouwen. Wij hadden al vroeg bedacht niet de stad in te gaan, maar juist de bergen, richting Fiesole, op te zoeken. Om negen uur, half tien viel de avond. Ik parkeerde spontaan bij een kluitje toeschouwers dat zich halverwege had opgesteld bij een riant palazzo van, naar later bleek, de familie Ferragamo. Die duldt elk jaar wel wat gepeupel op zijn oprit, en anders hebben ze altijd nog de hond. In de aanloop naar il fuoco wilde de achtjarige berekenen hoe hoog de vuurpijlen zouden komen. 'Niet veel hoger dan de Dom vermoedelijk, want die is, weten we, 90 meter hoog,' doceerde ik, 'en wij kijken naar beneden,' maar ik wilde zijn hooggespannen verwachtingen niet vergallen. Het knallen en vuurspuwen nam een aanvang. Van deze afstand zag het er reuze imposant uit voor wie nog nooit zoiets heeft gezien. 'Dit wil ik ook op mijn verjaardag,' zei de driejarige. Wij vroegen ons af of de burgemeester van Florence nog met een boodschap voor zijn volk zou komen. 'Probeer dit jaar eens wat belasting te betalen.' Of: 'Maakt u geen zorgen over de rookontwikkeling, wij hebben alles onder controle.' Wat een sluwe, lugubere grap was het geweest als terroristen het vuurwerk zouden hebben gegijzeld en wij live naar een aanslag keken.

Il poeta è un fingitore

Ik zit aan een tafeltje in Pasticceria Cesare (spreek uit: TJEEzaree, en dus niet, bijvoorbeeld, seeZAre) achter mijn tweede cappuccino en probeer een gedicht te schrijven. Dit koffiehuis van de oude stempel is een perfecte plek om te proberen de dichter uit te hangen. Als je het even niet meer weet, kun je je laven aan het theatrale schouwspel om je heen; de mini-operette die wordt opgevoerd door de barrista's, drie in aantal, eentje kaal, eentje met een hipster/terroristenbaard en een dikke met een snor, alledrie echter in smetteloze zwarte bretels en stropdassen. Ik hou ervan om naar ze te kijken. Net zoals naar de te zwaar aangezette dames in vergelijkbaar uniform die de taartjes, petits fours, croissantjes, etc. uitdelen. Maar het mooist is nog de keizerin die troont achter de kassa, de eigenaresse. Aan haar vertel je wat je hebt geconsumeerd, dan rekent zij het af. Ik hou van dat systeem. Door haar keurig gecoiffeerde zilvergrijze haardos heen kun je haar schedel bewonderen. Maar zover is het nog niet. Eerst nog dichten. Mijn oog valt op een verbodsbordje aan de muur, dat ik het liefst in het Italiaans zou weergeven maar ik ben vergeten het over te schrijven. De strekking luidt dat er een boete van €27,50 à €275 staat op roken. De hoogte van de boete is afhankelijk van de aanwezigheid van zwangere vrouwen, de aanwezigheid vrouwen die borstvoeding geven en de aanwezigheid van kinderen onder de twaalf. Waarom nog dichten, met al die poëzie om me heen?

Regel uit Pessoa's Autopsicografia, in het Italiaans. Hier uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens. Mooi gedicht. Ik kwam er op toen Google mijn woorden il poeta è un afmaakte.

Warmte-management

Warmte-management in een palazzo, was ons door de eigenaren van te voren op het hart gedrukt, bestaat uit het gedurende de hele dag dichthouden van de houten luiken en deuren, om de hitte buiten te houden, en gedurende de hele nacht juist alles open te zetten – behalve de hor, die moet altijd dicht.
Maar die hor is het hele punt, want die trek je makkelijk omlaag aan een koord, als een nauwsluitend rolgordijn, en klik je aan de onderkant onzichtbaar vast, maar hoe krijg je hem weer open, bijvoorbeeld om de luiken te sluiten aan het eind van de nacht om niet alleen de hitte buiten te sluiten maar ook het ochtendgloren, opdat er nog wat kan worden doorgeslapen?
'Fikkie, weet jij hoe die hor werkt?' was lieftallige's eerste vraag dienaangaande, vanuit een van de slaapkamers, terwijl ik in de zeer royale tuin probeerde te lezen met mijn voeten in een kinderbadje. 'Ik krijg hem niet open.'
'Kantelen,' riep ik terug, 'en dan komt ie vanzelf los, en dan laat je hem rustig vieren.'
Stilte.
'Het lukt niet. Wil je even komen?'
Ik stuurde mijn achtjarige omhoog om het hor-probleem op te lossen. Ik leefde in de veronderstelling dat hij wel wist wat kantelen was en hoe dit te bewerkstelligen, maar ook hem lukte het niet om de hor los en omhoog te krijgen. Er zat niets anders op dan op te staan en het voor te doen. Dus dat deed ik. 'Kijk,' zei ik, op die geïrriteerde toon die elke vakantie vroeg of laat aanvreet, de onderkant van de hor 45 graden naar mij toe trekkend, 'kantelen, dan komt ie los. Dan laten vieren en het ding gaat omhoog.' De hor deed wat hem gevraagd werd, maar lieftallige lukte het niet, ook niet na herhaalde pogingen. 'Kantelen!' riep ik. 'Beter kan ik het niet uitleggen.' Gefrustreerd ging ik weer in de tuin zitten.
Op zulke momenten verlang ik naar A/C.

Slimey

Een driejarige en een achtjarige meesjouwen door het centrum van Florence bij dertig-plus graden om een tentoonstelling van Bill Viola in het Palazzo Strozzi te bezoeken, is een ongeveer even goed idee als een bad nemen met je ouders in een tobbe gevuld met appelstroop. Maar we deden het. De driejarige begon dertig seconden uit de bus – die haar nog wel kon bekoren – te roepen: 'Tillen!' en zou hier niet meer mee ophouden, behalve als ze aan een ijsje likte. De achtjarige hield zich sterk, maar nadat ik had geweigerd voor hem een slimey te kopen van een straatverkoper bij de Galleria degli Uffizi, kon hij alleen nog maar heel sip kijken, en zelfs af en toe een huilbui hebben (of veinzen) vanwege dit grote gemis. 'Wat is Bill Viola?' vroeg hij tenslotte. 'Tizie kijken,' zeiden wij. 'Heel veel tizie kijken, dus dat gaan jullie leuk vinden.' En die voorspelling kwam ook uit. Zelfs de 34 minuten durende installatie Il Delugio werd door hen voor het belangrijkste deel uitgezeten, echter niet zonder elke twee minuten te informeren of er nog iets ging gebeuren. 'Jawel,' zei ik. 'Nog even wachten. Bill Viola test ons geduld.' Omdat de driejarige nu ook zeker wist dat ze een slimey nodig had om gelukkig te worden, hebben we op de terugweg nog gezocht naar de straatverkoper met de slimey's, zonder resultaat.

Florence

Florence ligt er majestueus bij, als we uit de heuvels naar beneden rijden langs uitbundig bloeiende hortensia's, citroenbomen en weet ik wat voor flora. Zeven jaar geleden waren we er ook, twee weken zelfs, maar toen was ik doodziek; voor mijn gevoel heb ik de meeste tijd op de wc doorgebracht. Nu gaan we op de avond van aankomst al meteen de deur uit om dat fantastische restaurant te vinden, met die heerlijke bediening, zonder vooraf huiswerk te hebben gedaan. Dat lukt dus niet. Bekaf en uitgehongerd na eindeloos te hebben rond gesjokt langs dichte trattoria's en treurig stemmende dronkemansbarretjes in de buurt van een aftands voetbalstadion, plant ik mijn kinderen achter een formica tafeltje bij "FC Kebab" en bestel friet met mayonaise en veel cola. Iets is beter dan niets, dacht ik, maar lieftallige is nijdig een supermarkt in geschoten om in ons geleende palazzo alsnog een fijne pasta in elkaar te draaien. Om 10 uur 's avonds hebben we ons huiswerk wel gedaan en eten we amandelijs en saffraanijs in een ambachtelijke gelateria. Likkende bambini bij neonlicht. Een brutaal joch met een One Direction-kuif en het bovenste knoopje dichtgeknoopt van zijn hagelwitte hemd, steekt af en toe plagerig de punt van zijn ijsje in de wang van zijn vriendin, en schept tegen ons op over de 4 die hij kreeg voor Engels. 'You know why? Because my mother,' hij gebaart druk naar een vrouw verderop die driftig nee schudt, 'told me to play instead of study.' Het had een scene uit Carlo Collodi's vrolijk-wrede kinderboek Pinokkio kunnen zijn, of een broeierige film van Visconti.

'Have you tried working?'

A friend from New York was in town and told me to meet her at the Hampton Inn, 'near Rembrandt Square'. I jumped on my bike, figuring I'd find it easily, but on my way there I began to doubt. I passed the Waldorf Astoria. Very New York, but not the Hampton Inn.
Since when does downtown Amsterdam have a 'Hampton Inn', I wondered. Hampton Inn sounds New Jersey to me, airporty, Econolodge-y. If I had a working smartphone I could have looked it up. Nobody on or near Rembrandt Square would know anything – except perhaps, it dawned to me, a receptionist at a hotel – so I parked in front of one, and when I walked in, my friend walked out. Quelle coïncidence! It turned out to be the Hampshire Hotel.
We hadn't seen each other in nine years. I had had two kids in the meantime. She had lived in Mexico and then moved back to Philadelphia, the city she grew up in.
'You look great,' I said.
'I gained 30 pounds,' she quipped.
We walked along the river, sat down on a bench and started discussing our lives. Almost immediately a man approached us, a man of my age, a disheveled looking man, with bad teeth and varicose veins on his calves. He wanted to shake our hands. 'Do you speak Dutch?'
We said no. That didn't prevent him from begging. Begging is a universal language. There are no linguistic restrictions for begging, even a dog knows how to do it. I didn't feel like giving him change, but my friend from New York was already going through her handbag.
'Have you tried working?' I asked the beggar. It came out awkward, but I meant it.
The beggar shook his head indignantly and walked away.
'Did you just say: have you tried working?' my friend from New York asked.
I nodded.
We laughed.

Negende werkdag

Ik dacht de oud-bibliothecaresse een plezier te doen door een volvette haring voor haar mee te brengen, met augurk, op een pistoletje, van haringkar 'Gigant'.
'Hou ik niet van,' zegt ze.
'Eitje dan maar weer?'
'Graag. Hardgekookt. Met alleen zout. Geen peper.'
Twee noviteiten: er staat een tafeltje met een stok kaarten voor haar vaste stoel. 'Patiencen,' verklaart ze, met toch nog wel iets van gêne. 'Als ik echt niets meer weet.' Maar nu weet ze wel wat, – en dat is de andere noviteit –, want ze is haar eigen zorg-dossier aan het doornemen: een map met groene vellen waarop iedereen die iets met haar te maken heeft aantekeningen bijhoudt, naar haar verwijzend met Mw, als in: 'Mw ligt in bed, geen zin om op te staan'.
'Kun je het lezen?'
'Nee. Al dat gekrabbel. Vreselijk.'
Ik vind een gebonden uitgave van Poesjkin in haar boekenkast, vertaald door Aleida Schot, met het alleszins leesbare verhaal De doodkistenmaker. Een doodkistenmaker, die ook kisten verhuurt ('Getverdemme, graven ze die dan op voor hergebruik?'), verhuisde met tegenzin naar een nieuwe woning. Zijn nieuwe buurman, een Duitse schoenmaker, kwam zich voorstellen. Ze bespraken de handel. De schoenmaker meende dat de doodkistenmaker in de betere business zat. 'Een levende kan zonder schoenen nog wel lopen, maar een dooie kan zonder kist niet leven,' riep de schoenmaker uit. Om die uitspraak moeten wij lachen. Op een buurtfeest waar veel gedronken werd, ook door de doodkistenmaker, begon de Duitser op van alles en nog wat te toasten, en ook en vooral op de klant, want zonder klanten waren ze nergens. Maar u kunt natuurlijk niet op de klant toasten! maakten de gasten de doodkistenmaker belachelijk, want die zijn allemaal dood! Dezelfde nacht had de doodkistenmaker een afschuwelijke droom, waarin hij werd bezocht door iedereen aan wie hij in het verleden een kist had verkocht (of verhuurd). Een ervan, een sergeant, die hij een vurenhouten kist had verkocht voor de prijs van eikenhout, bestond alleen nog uit een wankel skelet, dat de doodkistenmaker probeerde aan te vallen en uiteindelijk voor hem op de vloer in stukken uiteenviel. Een prachtig macaber beeld, vinden wij.




Onthulling

Het is enige tijd geleden dat ik geroerd werd door poëzie, maar gisteren, bij de onthulling van Remco Camperts dichtregels Verzet op de zijgevel van de uitgeverij, was dat toch echt onmiskenbaar het geval. Dat kwam niet alleen door Remco Camperts dichtregels, en het op zichzelf poëtische gebaar van het met een gigantisch gelegenheidsgordijn onthullen van een tekst (niet meer, maar zeker ook niet minder, dan een groepje op bepaalde wijze gerangschikte Nederlandse woorden op een bakstenen muur), maar vooral ook door de verschijning van de dichter zelf. Hij is tien dagen jonger dan mijn vader. Beter ter been, maar bijna even krom. Met zijn wandelstok deed hij me nog het meest aan een oude cowboy denken die alles al gezien heeft en daarom zijn wapens kan thuislaten. Voordat Campert zijn dichtregels voordroeg, met die teder-melancholische stem van hem, keek hij met geknepen ogen en een vertrokken gezicht, alsof hij net een citroen had uitgezogen, over de verzamelde menigte heen. Het late zonlicht flikkerde door de boombladeren. In de verte twinkeleerden gevederde, en ongetwijfeld katholieke, vrienden. De omstandigheden konden niet beter zijn. Een AT5-cameraman volgde Campert terwijl hij wegliep van de microfoon. Ik liep de andere kant op, om te voorkomen dat hij mijn ontroering vastlegde, want dat wilde ik zelf doen.

Bericht van de cramping IV: Vrijheid

Porth Ysgaden Colour of Water Llyn Peninsula Wales
The colours of water
Ik float. Dat wil zeggen, ik zwem, maar met de ogen dicht, zonder te weten waar naartoe. Mijn enige oriëntatie is de zon die door mijn oogleden heen schijnt en het geluid van de golven, maar er zijn nauwelijks golven. Er zijn altijd golven, er moeten golven zijn, maar vandaag zijn de golven zeer bescheiden. Rimpelingen. Er zijn ook geen mensen in het water aan wie ik me vast zou kunnen klampen.
Zwem ik richting Engeland, Noorwegen? Is dit dobberende vrijheid, niet weten welke kant je op gaat? Dat het niet uitmaakt? Dat je, zonder je te bekommeren om navigatie, 'voort' beweegt? Moet je, met andere woorden, een zoveel mogelijk controle opgeven om vrij te kunnen zijn? En hoe lang duurt het eigenlijk voordat ik van uitputting zou bezwijken?
De wind suist zachtjes, het water kabbelt, druppelt, spettert om me heen. Ik zou dit ambient geluid willen opnemen, bedenk ik me, als dat kon, maar ik weet niet waarom. Ik open mijn ogen en zie dat ik schuin terug naar de kust zwem. Een overscherende meeuw maakt een geluid dat nog het meest op uitlachen lijkt.

Leporello

Alles wordt marketing – als het al geen marketing was –, als je manuscript zo goed als af is, zoals het mijne, dus ik loop al een tijdje door de stad met een stapeltje door de uitgeverij vervaardigde leporello's (leporelli) over Het dispuut, mijn forthcoming roman. Een leporello, zoek maar op, is een harmonica-achtig drukwerkje. Die van mij vouw je uit tot een folder, met aan de buitenkant omslag en flaptekst inclusief de auteur als Pretty Boy – te verwachten als je getrouwd bent met een fotograaf die een schurftige bultenaar nog sexy neerzet –  en aan de binnenkant een fragment.
Allemaal voor de hand liggend zou je denken, maar toen ik gisteren voornoemde leporello overhandigde aan een bevriende moeder van het schoolplein, nam zij hem beleefd aan, bekeek het kleurrijke pakketje van alle kanten, en zei: 'Dat ziet er goed uit'. Ze kwam niet op het idee (of ze had er geen zin in of geen tijd voor, dat kan ook) om hem open te maken. Dus deed ik het voor haar en gaf hem weer terug. Nu bleef haar blik steken bij de auteursfoto op de achterkant. 'Zo,' zei ze, 'dat had ook iedereen kunnen zijn, hè?' 'Ja,' adremde ik, 'totale inwisselbaarheid is mijn handelsmerk.'

Captive snake

Prosper Luizinga werd midden in de nacht wakker met plastic folie over zijn neus en mond, terwijl een naakte vrouw bezig was met een soeplepel honing uit een glazen kom over zijn borstkas uit te gieten. 'What the?' riep hij, maar het geluid kwam niet ver, het verliet zijn stembanden nauwelijks. Prosper mocht blij zijn dat hij onder deze omstandigheden nog kon ademen. Hij wilde opstaan, maar de naakte vrouw hield hem tegen. 'What have you done?' zei ze, keer op keer, als een bezwerende formule. 'What you have done, is done.' En: 'To lull hatred to sleep, like a captive snake, and tell fear to give up'. Het ging maar door, tot het niets meer betekende. Luizinga vroeg zich af of dat laatste, over die 'captive snake', een citaat van Shakespeare was, uit King Lear bijvoorbeeld, maar dat was allemaal academisch. Hij werd afgeleid door de borsten van de vrouw die als kwallen op haar bovenlijf lagen. Ondertussen begon het een behoorlijke plakboel te worden, in bed, op zijn buik, tussen zijn benen. Er leek geen eind aan te komen. Hij protesteerde opnieuw tegen zijn behandeling, maar al minder overtuigend, de naakte vrouw hoefde niets te doen om hem tegen te houden. Toen legde ze de kom met honing weg, pakte een andere kom gevuld met donzen veertjes en begon de veertjes over hem uit te strooien, precies op de plekken waar het plakte, terwijl ze een klaagzang afstak in een taal die leek op Chinees. Mooie boel, dacht Prosper.

Met dank aan Derreck Ryan Claude Mitchell

'Attempts to embrace'

De performance 'Attempts to embrace' door Pierre Audi in het kader van het Holland Festival gisterenavond in de Zuiveringshal op het Westergasfabriekterrein was beslist statisch te noemen, maar dat was juist onderdeel van de charme. Het was onnadrukkelijk, subtiel, kabuki-achtig theater, wat hij ons tweeënhalfuur lang voorschotelde. Er gebeurde niet veel, zeg maar gerust bijna niets, en er werd niets gecommuniceerd, maar dat gaf het geheel juist een zekere mystiek. Hij zat daar maar, eigenlijk, met zijn jas op schoot en met zijn rug naar ons toe. Af en toe keek hij op zijn Apple-watch, hetgeen ons in staat stelde zijn profiel goed te bestuderen. Pierre Audi's hoofd ziet eruit alsof er een panty overheen is getrokken.
Meteen in de eerste acte al sloeg hij een arm om zijn – toegegeven: ravissante – vriendin, en dat was dan. Theatraler, dramatischer, en romantischer zou het niet worden, afgezien van dat moment laat in de voorstelling, dat de vriendin haar hoofd tegen zijn schouder te rusten legde (en gelijk had ze, op dat punt aangekomen).
Ik vond het vooral spannend om te zien hoe lang die arm daar zou blijven liggen. Zo'n arm ligt niet lekker, dat is algemeen bekend. Voor de omarmer niet, maar ook niet voor de omarmde, die het gevoel heeft beklemd te raken, maar misschien moest dit minimalistische armenballet worden geïnterpreteerd als een uitdrukking van de onmogelijkheid tot liefde in het huidige tijdgewricht.
Er was weinig tekst. De tekst die er was bleek onverstaanbaar (een boventiteling zou, zeker gezien de prijs van de kaartjes, geen overbodige luxe zijn geweest). Pierre Audi smiespelde wat tegen zijn vriendin. Wilde hij weg? Wilde hij weten of zij weg wilde? Wilden ze samen weg? Dat zou een statement zijn, maar ze bleven zitten. Wij ook.
Toen Pierre Audi in de vierde acte voor de laatste keer een arm om zijn vriendin sloeg prikte hij in het voorbijgaan enkele malen met zijn elleboog in mijn knie. Een Holland Festival-performance was nog nooit zo  f y s i e k  geweest.

Den Haag

Het eerste dat me opviel in Den Haag was de dame die dwars een drukke straat overstak en het verkeer tegenhield door een opgerolde krant omhoog te houden. Dat vond ik Haags. Daarna zag ik een man op een fiets met een golfclub in zijn hand. Dat vond ik ook Haags.
Niet typisch Haags, denk ik, maar wel opmerkelijk, vond ik het hoofdkantoor van de vrijmetselarij, dat we passeerden, en de Berlage-kerk. Ik wist dat Berlage het Gemeentemuseum had ontworpen, maar die kerk kende ik nog niet.
'Waar zijn de parkeermeters?' vroeg ik aan de barman van café Gember, ter linkerzijde van het Gemeentemuseum, waar ik voornemens was met een driejarige en een achtjarige een Mondriaan-tentoonstelling te bezoeken.
'Zijn er niet.'
'Dus het is gratis parkeren hier?'
Hij knikte. Ik juichte. Den Haag kon wat mij betrof niet meer stuk.

Achtste werkdag

O, de veerkracht der tachtigplussers! Nu eens denk je: die haalt de avond niet, en dan weer sta je versteld van hun wederopstanding. Vandaag tref ik de oud-bibliothecaresse bijvoorbeeld aan in een stoel bij het raam, in plaats van bij de kachel, met een boek in plaats van de krant en in kleurige, schone kleding.
'Aan het lezen?'
Ze kijkt me verbaasd aan. 'Altijd.'
Jammer, want ik had zin om haar oude Russen voor te lezen. Ik voel me overtollig. Maar na een straffe bak koffie en een hardgekookt ei legt ze haar boek graag terzijde voor 'Kinderen' en 'Schatje' van Tsjechov. Het mooie aan de verhalen van Tsjechov is dat ze zonder moraal zijn, in tegenstelling tot die van Tolstoj. Misschien komt dat omdat Tsjechov arts was.
Het eerste verhaal gaat over een groepje kinderen dat 's avonds laat aan tafel 'lotto' speelt. Zonder ouderlijk toezicht. Voor kopeken en roebels. Vechtend tegen de slaap. Op een gegeven moment roept de achtjarige Grisja uit: 'Een kakkerlak! Sla hem dood!' Dan roept een ander: 'Niet doen, misschien heeft hij kinderen!' Daar moet mijn toehoordster hartelijk om lachen. 'Dat zeiden wij vroeger ook.'
Het verhaal 'Schatje' gaat over een vrouw van wie iedereen houdt, en die het niet kan laten van iedereen te houden. Eerst wordt ze vrouw en daarna weduwe van een misantrope theaterdirecteur, en vervolgens van een doodsaaie houthandelaar. Tenslotte wordt ze verlaten door een eerder gescheiden vee-arts, wiens zoon ze opvoedt als was hij de hare. Olenka, de vrouw uit het verhaal, huilt dat het een aard heeft, is het niet uit droefenis, dan wel uit blijdschap, en ook bij ons springen bijna de tranen in de ogen bij zoveel onverdiend leed.
'Wat kunnen die Russen toch goed huilen,' zeg ik.
'Ja,' zegt de oud-bibliothecaresse. 'En thee drinken. God, wat drinken die lui veel thee!'

Monnikskapspier

We vonden dat we een massage hadden verdiend. Het was een nieuw tentje. We gingen één voor één omdat simultaan niet kon (de voordelen van een simultane massage moeten ook niet worden overdreven). Ik werd onderhanden genomen door een ex-kunstenares uit Philadelphia met een kettinkje van een drukbenerft boomblaadje om de hals. 'Voor mij komt masseren en schilderen op hetzelfde neer,' zei ze, terwijl ze een elleboog in mijn monnikskapspier plantte en die daar voorlopig niet meer weghaalde. Ik probeerde te knikken, wat nog niet meevalt met je hoofd in een gat, maar ik begreep eigenlijk niet wat ze bedoelde. Ik wilde zeggen: 'In beide gevallen probeer je indruk te maken?' maar dat was onzin, hooguit een flauw woordgrapje. Misschien dat beide met hun handen werken, of zoiets, maar verder zag ik geen overeenkomsten. Ze maakte me ook een compliment, namelijk dat haar massage op mijn lichaam zo goed lukte, dat ik kennelijk precies de juiste tegendruk gaf. 'Is het een soort dans?' vroeg ik. Ja, het was een soort dans. Voor haar.

Winner takes all

Mijn schoonbroer, een Brit, wil niet verklappen wat hij gestemd heeft by mail voor de verkiezingen in Groot Brittannië. Ook niet aan zijn vrouw, trouwens. Ik vind dat ongelooflijk Brits, om over je stemgedrag te zwijgen, maar omdat ik van vrijwel alles houd dat Brits is, houd ik hier dus ook van. Waarom ook meteen kleur bekennen? Wat gaat anderen dat aan? En als je weet wat iemand stemt is het toch veel minder spannend om te discussiëren? Affijn. Ik vermoed overigens wel dat hij op May heeft gestemd, al was het maar omdat hij, zoals zovelen, een intense dislike voor Corbyn blijkt te hebben. Hij legt me nog eens uit dat het districtenstelsel in zijn land fundamenteel afwijkt van het systeem van proportionele representativiteit hier te lande. Districtenstelsel is winner takes all; proportionele vertegenwoordiging is all inclusive. Vandaar dat derde of vierde partijen maar nauwelijks uit de verf komen, noch in VK noch in VS. Is het districtenstelsel democratischer? Hangt van je definitie van democratie af. Het is in een bepaald opzicht kapitalistischer.

Dit vind ik ook heel Engels: a proper scrum.

Informatieverwerking

Ik ben nu twee etmaal zonder telefoon en het bevalt me uitstekend. 'Lekker rustig' is het woord.

NB: Dit is een bericht aan al mijn 'contacten'. Als ik niet reageer op telefoontjes, smssen, app'jes en instagram-notificaties, weet je waardoor het komt.

De oorsprong van mijn telefoonloosheid in 5 stappen.

1. Hij viel op straat. Volkomen onnodig. Met het glas naar beneden. Een iPhone 5. Met een 'bumper' erop. Maar die bumper bleek dus niet afdoende. De kapotte iPhone 5 verdween in een la voor 'toekomstige reparaties'.

2a. Ik ging op zoek naar mijn oude telefoon, een iPhone 4, die ik niet naar Afrika had gestuurd opdat een heel dorp zich zou kunnen aansluiten op de moderne tijd, zoals ik me had voorgenomen, maar die ik had bewaard.

  b. Ik werd kwaad toen ik dat ding vrij snel vond. Waarom werd ik kwaad? Omdat ik er enige maanden geleden ook naar op zoek was omdat ik hem weg wilde geven (alweer niet aan een Afrikaans dorp), en hem niet kon vinden, nergens, en niemand in huis ergens iets van af zei te weten.

3. Toen ik uitgeraasd was en de oude iPhone in gebruik nam, verbaasde ik me over de traagheid van het apparaat. Dat ik ooit genoegen nam met dit tempo informatieverwerking!

4. Tegelijkertijd was ik 'blij' verlost te zijn van de innovatie-dwang, die inhoudt dat mensen die innovaties waar ze niet om gevraagd hebben in de maag worden gesplitst, dwangmatig gaan gebruiken, zoals een junkie. Zo was ik verslaafd aan de slow motion functie op de camera van de iPhone 5. Een volstrekt onnodige, tijdverslindende onzin-optie, maar ik deed op een gegeven moment niet meer anders, ging de wereld anders zien, in casu opdelen, namelijk in momenten die zich wel dan wel niet leenden voor de slomo optie. Ook verkwistte ik veel tijd met GoogleMaps en Wikipedia. Het eerste is niet goed voor je geheugen en het tweede is ook niet goed voor je geheugen (denk digitale dementie).

5. Totdat lieftallige haar leen-iPhone 6 (haar eigen iPhone 5 was in reparatie) in de wc-pot liet vallen en mijn iPhone 4 opeiste voor een spoedklus.

Voilà. Tot u spreekt een vrije slaaf. iPhone-junkies aller landen, verenigt u en werpt uw telefoon van u af.


Bericht van de cramping III: Visite

Omdat we logés hebben, of eigenlijk: omdat wij onszelf als logés hebben aangeboden, slapen we iets krapper dan normaal in het tenthuisje. Ik lig op het hoogste bedje in de kinderkamer. Als ik op mijn rug lig, prikken mijn tenen in het dak, als ik iets te enthousiast op mijn zij draai, stort ik bovenop vrouw en kinderen. Maar krapte of vertigo is niet de belangrijkste reden dat ik niet kan slapen. Achter de wand in de grote mensenslaapkamer ligt de gastheer slash logé, eerst zachtjes, één kant op, maar allengs harder, twee kanten op: in- en uitademend dus, te snurken. Ik vind het moeilijk om na het overdadige maal van eerder die avond, niet aan een varken te denken. Als ik er iets van zeg tegen mijn één verdieping lager gelegen echtgenote, fluistert ze: 'Wat wil je dàn?' Goede vraag. Maar zie, de echtgenote van de snurker heeft mijn klacht ook opgevangen, dat moet wel, want niet veel later – ik weet niet wat ze heeft moeten doen maar het lukt, zelfs zonder hapering of protest – is het stil. Net als ik me nog eens omdraai en me verkneukel over de geheel tot rust gekomen cramping, hoor ik uit de verte een groep nachtbrakers aankomen. Zul je net zien. Pinksterweekend; ja, dan zijn er natuurlijk evenementen, voor jong en oud, de goegemeente moet bezig gehouden worden, ntuurlijk, wat wil je, drank erbij, en dan krijg je dit. Ze komen dichterbij, ik voel bij mijzelf een klaagzang opkomen, de neiging zelfs om er iets van te gaan zeggen, iets door het tentzeil heen te roepen, en dan ineens besef ik: ze zijn boven me, ze vliegen over me heen, naar andere oorden.

Zevende werkdag

De oud-bibliothecaresse, in haar vaste stoel bij de kachel, heeft haar kopje laten hangen. Ze draagt een smoezelig, vrolijk bedoeld T-shirt en haar benen zijn omzwachteld. Nadat ik haar een straffe bak koffie heb gegeven, een hardgekookt eitje en een bakje met druifjes, leeft ze op. Begint zelfs te stralen als ik haar uitnodig om naar mijn aanstaande boekpresentatie te komen.
'Dan moet je niet in de tussentijd doodgaan, hè?'
'Nee.'
Uit Tolstojs Verzameld Werk, deel 2, lees ik Heeft een mens veel land nodig? voor. De oud-bibliothecaresse luistert aandachtig, rolt zelfs geen shaggie uit angst iets te missen. Het verhaal gaat over Pachom, een man die steeds meer land wil hebben. Hij reist alsmaar verder, op zoek naar gouden bergen. Uiteindelijk komt hij bij de Basjkieren, die hem koemis schenken, en heel veel desjatinen land in het vooruitzicht stellen.
'Weet jij wat een desjatine is?' vraag ik aan de oud-bibliothecaresse. Nee, dat weet ze ook niet. Volgens Google is het een oude Russische maat die ongeveer overeenkomt met een hectare. 'Wel eens van Basjkieren gehoord?' Nee, evenmin. Blijkt een Russisch volkje te zijn op de grens met Turkije. En koemis, dat is paardenmelk. 'Gatverdamme,' zegt de oud-bibliothecaresse.
Pachom hoort van de Basjkieren-hoofdman dat hij voor duizend roebel zoveel land kan krijgen als hij in één dag kan lopen. Is hij niet voor zonsondergang terug bij zijn vertrekpunt, dan is hij al zijn geld kwijt.
's Nachts kan de landverzamelaar niet slapen van de opwinding. De volgende ochtend gaat hij vroeg op pad onder toeziend oog van de hoofdman, die op een berg zit, en alvast zijn buik vasthoudt van het lachen (daarvan heeft Pachom even tevoren trouwens ook gedroomd). Pachom loopt vijftien werst (ruim vijftien kilometer) en slaat dan linksaf. Opnieuw loopt hij vijftien werst, verlekkerd uitkijkend over al het land dat spoedig van hem zal zijn, maar dan ziet hij de zon langzaam ondergaan en vreest dat hij het niet haalt. Hij moet afsteken, anders is hij zijn geld kwijt, maar hij kan eigenlijk niet meer. Hij werpt zijn tas af, dan zijn jas en op bebloede voeten komt hij aan bij het beginpunt – nog net op tijd –, om vervolgens dood neer te vallen.
De oud-bibliothecaresse kijkt me verschrikt aan. Dan ontspant ze.
Een bijbels verhaal, zeg ik.
'Ja. Mooi.'

De kleine boekhandel

Meteen bij binnenkomst in de hoge, kleine boekhandel, vroeg de boekhandelaar, veilig verschanst achter zijn met stapels boeken opgetaste balie: 'Kan ik ergens mee helpen?' De schrijver schrok enigszins; hij was gewend dat hij met rust werd gelaten, of eigenlijk genegeerd, dat kwam op hetzelfde neer. Hij dacht: ik kan eerst rondneuzen, de titels die ik wil hebben niet vinden maar wel andere, en me daarmede eindeloos onledig houden, of ik kan meteen informeren of de boekhandelaar de titels in huis heeft. Hij koos, niet alleen uit efficiëncy, maar ook om de boekhandelaar iets te doen te geven, voor het laatste.
De boekhandelaar, pijp in de mond, bril scheef op de neus, kwam achter zijn vesting vandaan, en rukte in één moeiteloze beweging de eerste van de twee titels uit de bakken. Dat was geen prestatie, omdat het een recente bestseller betrof, maar toen de boekhandelaar een trap besteeg en ook titel 2 uit de kast plukte, kon het geluk niet op. (Titel 2 was ook een bestseller, maar geen recente, en alleen in Polen.)
'Als je mijn boek nu ook nog op voorraad hebt, dan kan mijn dag niet meer stuk,' zei de schrijver. Dit bleek niet het geval, maar de boekhandelaar had er toch maar drie exemplaren van verkocht, zag hij op zijn zo te zien vooroorlogse computer.
Waar blijft de oud-uitgever in dit verhaal? Hier: op een stoel met iets te lezen op schoot. Hij had het baardje van een magiër, een priemende oogopslag en een oudemannenbuikje. Te oordelen naar de wederzijdse, liefkozende plagerijtjes, waren de boekhandelaar en de oud-uitgever op vriendschappelijke voet met elkaar. De schrijver toonde, op zijn mobiel, het omslag van zijn forthcoming titel aan de boekhandelaar. 'Verschrikkelijk!' riep de boekhandelaar over de typografie. 'Afschuwelijk!' riep de oud-uitgever over de verknipte foto. 'Jullie lijken mijn moeder wel,' zei de schrijver, 'die vond het omslag ook niet om aan te zien.'
Het werd nog een geanimeerd gesprek, daar in de boekhandel, over omslagen, uitgeven, boekverkopen en oplagen. Opeens schreed er een luchtig gekleed meisje binnen met een rugzak. Ze bliefde niet geholpen te worden. Ze struinde/grasduinde tussen de boeken door, om even later ergens te gaan zitten lezen.
Alleen al voor dit meisje, dacht de schrijver, moet deze boekhandel blijven bestaan.

Onttovering

De meeste junkmail gaat meteen in de papierbak, maar dit keer bleef mijn oog haken bij de flyer van Mister Mady, die niet alleen oplossingen had tegen geldgebrek, examenvrees, seksuele problemen, depressies en dergelijke, maar ook tegen onttovering.
'Hallo?'
'Spreek ik met Mister Mady, het medium?'
'Daar spreekt U mee. Hoe kan ik U helpen. Bent U uw baan kwijt, uw geliefde of uw huis?'
'Nog niet.'
'Dan kampt U met een gat in uw begroting.'
'Dat hebt u goed gezien, maar daar bel ik niet voor. Dat ga ik proberen op andere manieren te dichten. Co-financiering door een medium wordt door de meeste fondsen niet geaccepteerd.'
'Dan belt U zeker omdat U hem niet meer omhoog krijgt. Dat hoor ik steeds vaker, ik heb op dit gebied veel ervaring, met Mister Mady's wonderolie –'
'Nee, ik krijg hem nog wel omhoog. Het duurt wel steeds langer, dat is waar, maar dan heb ik er ook meer plezier van, denk ik dan altijd... Waar ik voor bel is onttovering.'
'U wenst onttovert te worden? Door wie of wat bent U betoverd, als ik vragen mag?'
'Nee, dat is het hem nu juist: ik wil betoverd worden.'
Stilte.
'Meneer Mady?'
'Ja.'
'Wat kost dat, een betovering?'
'Ligt eraan. Wilt u een betovering die ik ook weer ongedaan kan maken?'
'Liefst wel. Straks ben ik betoverd en dan zit ik daar maar. Dat gaat mijn vrouw niet goed vinden.'
'Ik begrijp het. Wilt u het standaard pakket betovering, of betovering extra?'
'Betovering extra. Ik bedoel, als je dan eenmaal kiest voor betovering, kun je het beter meteen goed doen.'
'Groot gelijk heeft u, meneer...?'
Enzovoorts, enzoverder, tot in de eeuwigheid amen.