86. Life is fragile, when to panic? (slot)




Daar lag hij, Frederik Dumoulin, naast Paradiso, in dezelfde slaapzak als die waarin ik Lukas Einthoven had aangetroffen, vlak voor de Korte Winter. Het was ons niet te doen om de narratieve rijm van dit kop-staartverhaal,  deze circulaire vertelling, maar we gaven hierbij gehoor aan de laatste wens van mijn geliefde.

Wat te doen als iemand graag dood wil? Snel handelen. Anders wil hij misschien weer leven.

Ik was er overigens niet bij.

Lukas deed de begeleiding. Die was uiterst summier. Frederik wilde geen poespas. Die exacte woorden, en hij was een woordenman, gebruikte hij. Geen poespas. Crematie. Geen toespraken, geen vergoelijkingen, geen humoristische of juist tranentrekkende biografische schetsen, geen vrienden of familie; het kwam goed uit dat hij gebrouilleerd was met zijn familie en geen vrienden had. Hij had wel vijanden, maar die zouden het uit de krant halen. Die zouden de obligate advertenties van de universiteit, de faculteit en de vakgroep emotieloos onder ogen krijgen.

Wij hadden ook een overlijdensadvertentie gecomponeerd.

Frederik Dumoulin, geesteswetenschapper

1957 - 2021

Dat was alles. 'De kakkerlak kan zijn rechten niet doen gelden in de bek van de vogel.' Dit citaat wilde hij er graag boven, maar dat heb ik tegengehouden. Hoe mooi ik dit Surinaamse gezegde ook vind, die had hij trouwens van mij, zoiets plaats je niet boven een rouwadvertentie.

'Is er dan werkelijk niets, lieverd, dat jij in je lange loopbaan als hoogleraar hebt gehoord, gelezen of zelf geschreven, dat je wilt meegeven aan de mensheid, over je graf heen?' had ik hem gevraagd op de avond voordat Lukas en hij naar Paradiso zouden gaan om hun ding te doen.

We zaten weer aan de cognac, de cognac ging er in grote hoeveelheden doorheen de laatste dagen van zijn leven.

Ja, hij wist wel wat, hij kon wel wat tevoorschijn toveren, hij had een hele verzameling literaire citaten, Bijbelse spreuken, filosofische adagia paraat, de ene nog toepasselijker dan de ander, en toch voelde het nep, ook en juist voor een beroepsintellectueel. 'Ik moet niet zo moeilijk doen en gewoon in die slaapzak gaan liggen en wachten tot ik dood ben,' zei hij. 'That's all there's to it.'

'Ben je dan niet bang?'

Woest en jongensachtig voor zijn doen schudde hij zijn hoofd. Dat gebaar ontroerde me, het deed me terugdenken aan onze begintijd, toen hij mij, een net gescheiden zwarte moeder, een wandelend cliché, met mijn baby, in Artis aansprak. Dat was leuk, dat was mooi, daar was iets unieks uit voortgekomen dat jaren naar beider tevredenheid had geduurd. Hij had me veel geleerd, uit boeken vooral. Ik had hem verteld over het leven dat je diende te leven, niet van een afstandje aanschouwen, dat er lijden was dat zich niet in woorden liet uitdrukken.

Hij had het voor kennisgeving aangenomen en was weer verder gegaan met lezen.

Met Lester was het nooit iets geworden. Hij was ongelooflijk gefrustreerd, Frederik, hij werd verteerd door een hogere frustratie zoals misschien alleen een – spierwitte – hoogleraar die kon voelen. 

'Nee, ik ben niet bang, El. Ik verheug me.' Hij kon het zelf ook niet geloven dat hij dat zojuist gezegd had. Hoe kon een mens zich verheugen op zijn eigen einde, zeker als dat einde zich zoals in zijn geval zo tergend langzaam zou voltrekken?

Waarom moest het zo? Dat wist hij ook niet, maar het moest.

Lukas ging elke dag kijken. Elke dag gaf hij de stervende water. Na tien dagen was het gebeurd, de stervende dronk niets meer omdat hij was gestorven.

'Wat waren zijn laatste woorden?'

'Truste.'

De politie deed er nog vrij lang over om hem te vinden. Enige connectie met het eerdere signalement aan wijkagent Hans, dat wij, dat Frederik nota bene had gegeven van de buitenslaper in de vrieskou, werd niet gelegd. De informatiesystemen van de hoofdstedelijke politie waren nog niet je dat.

Hij was alleen maar dankbaar, Frederik, hij was iedereen dankbaar, koesterde geen wrok of wat dan ook, en wenste mij en Lukas en Lester een goed resterend leven toe, met de materiële weelde die zijn hooglerareninkomen en -pensioen ons nog verschafte.

De nacht, de laatste nacht, nadat Lukas was teruggekomen met de mededeling dat Frederik niet meer ademde, werd ik om drie uur schreeuwend wakker. Het was lang geleden dat ik een nachtmerrie had gehad. Ik droomde dat mijn man in de dichtgeritste, zwarte slaapzak aan de wandel was gegaan en dat hij puur op zijn gevoel naar de Sarphatistraat was gelopen, als een levensgroot beerdiertje, en dat hij bij ons in de slaapkamer binnen was gekomen en dat hij zich bovenop ons had gestort.