85. Life is fragile, when to panic? (X)





De dooi had definitief ingezet.
Ik weet nog dat ik een ijsbreker door de grachten zag varen en het ijs hoorde kraken tussen de woonboten, lange scheurlijnen schoten als bliksemschichten over de glasachtige vloer, en dacht: zinloos geweld. Wacht een, twee dagen en de massieve hardheid is vanzelf, als bij toverslag, verdwenen.
De zaken namen een dramatische wending toen Frederik, nadat Lukas Einthoven drie weken bij ons had gelogeerd, bij het avondeten – het was weer een sushi-avond – plechtig verklaarde dat hij dood wilde.
'Wat zeg je me nu?' Ik meende het. Ik had nog nooit enige doodswens bij hem bespeurd. Ja, hij maakte er wel eens grapjes over, zoals hij overal grapjes over maakte, maar nooit meer dan dat. 'Waarom zou jij, Frederik Dumoulin, herstel: professor Frederik Dumoulin, een einde aan je leven willen maken?'
'Het is mooi geweest,' zei hij. Niet sip, niet gelaten, niet bedroefd, niet dramatisch, gewoon, op dezelfde toon als iemand zou zeggen: de vaatwasmachineblokjes zijn op.
Hoe vreemd en onverwacht deze openlijke euthanasieverklaring ook klonk, ik was niet geschokt. Ik kan niet zeggen dat het nieuws me verheugde, nee, zo ben ik niet, en trouwens, ik hield nog van hem, we hadden jarenlang met elkaar geleefd, we hadden – hoeveel? – fotoboeken samen (niet samengesteld, want het samenstellen deden we niet, er waren zelfs feitelijk geen fotoboeken, het samenstellen lieten we aan Apple Foto over), en, een niet onbelangrijk detail, hij had me uit de wind gehouden. Sinds BZ me niet meer boekte voor buitenlandse posten en ik evenmin op het ministerie werd gevraagd landen en hoofdsteden te stampen (zoals Frederik mijn diplomatieke werk zo aardig definieerde), voelde ik me nutteloos. Mijn inkomen was nooit heel hoog geweest, maar was langzaam aan het verdampen.
Ik was van hem afhankelijk. Dat was de keiharde, niet zo flatteuze waarheid.
Bij Frederik Dumoulin weggaan was geen optie.
'Wanneer ben je op het idee gekomen?' Terwijl ik de vraag stelde, we zaten aan de cognac, we hadden al aardig wat cognacglazen geleegd, keek ik naar Lukas Einthoven, die zich weer eens van zijn zwijgzame kant liet zien. Ik was van zijn zwijgen gaan houden. Ik was zijn zwijgen gaan verkiezen boven het eeuwige gezwatel van Frederik. Lukas keek niet naar mij, hij keek naar zijn cognacglas, dat hij bijna horizontaal hield, de vloeistof stroomde er net niet uit.
Frederik gaf geen antwoord, behalve dan dat hij met zijn hoofd schudde als om te zeggen: wat doet dat er in godsnaam toe, verzin eens een betere vraag, ik verdien een betere vraag...
'Vind je me niet meer aantrekkelijk?' 
Frederik had mijn aantrekkelijkheid altijd bejubeld, geroemd, bezongen, en als ik heel eerlijk was, moest ik hem gelijk geven. Zeker vergeleken met hem.
Toeval of niet, ik had me diezelfde dag nog in de spiegel bekeken.
Het was in de gang. Ik had mijn roze nepbontjas aan. Mijn haar had ik net nog gestraight, dus dat zag er strak uit, met een zwarte haardband hield ik het geheel op zijn plek. Mijn nieuwe bril, een rechthoekige, gaf me iets strengs, maar ook iets sensueels. Iets streng-sensueels. Mijn huid was gaaf. Mijn volle lippen glommen als geoliede babybillen.
'Elvira, je weet dat ik je altijd heel erg aantrekkelijk heb gevonden dus dat is het punt niet, het is ook niet zo dat ik niet meer van je houd, integendeel, zoals je weet ben ik dol op je, maar ik heb sterk het gevoel dat het leven mij niets meer te bieden heeft, behalve meer van hetzelfde, het verlangen is weg, ik heb niets meer om naar te streven er valt voor mij niets meer te bereiken... Noem het voltooid, noem het ondraaglijk lijden, dat kan me niet schelen, maar ik ben er klaar mee.'
Awkward stilte. Mega awkward stilte. Ik liet hem lang duren. Ik ging hem niet niet beëindigen, de stilte, iemand anders mocht dat doen. Ik had een aantal vragen gesteld, daar was geen goed antwoord op gekomen.
'Ben ik het?'
De vraag voelde als een dolkstoot in de rug, waarbij het lemmet nog een paar keer werd omgedraaid tussen de ribben. Althans, dat leidde ik af uit Frederiks gepijnigde gezichtsuitdrukking. Opnieuw keek ik naar Lukas, maar die keek naar Frederik, want ja, aan hem had hij de vraag gesteld.
Frederik antwoordde indirect. Hij kon geen nee zeggen en geen ja. Hij kon alleen maar heel erg lang om de hete brei heendraaien. Maar ik denk dat de conclusie toch wel moest zijn dat Lukas er iets mee te maken had, dat Lukas niet geheel irrelevant was in dit verhaal, dat zijn komst iets had bewerkstelligd in het hart, in het brein van de oude hoogleraar, dat hij dacht: ik heb een waardige opvolger gevonden.
Toen zei hij iets dat een siddering veroorzaakte bij mij, zijn geliefde.
'Lukas, ik wil dat jij het doet.'