Alleen in de stad

Terug in de stad ben ik weer even op mezelf aangewezen, dat wil zeggen, ik heb mij onttrokken aan de familiale expeditie (niet zonder wrijving) richting zwemwater, in ruil waarvoor ik, zo kondig ik plechtig aan, het avondmaal zal bereiden.

'Dat is je geraden ook, ik heb de afgelopen week gekookt, dus dat is helemaal geen ruil,' reageerde A.

Zij de deur uit met de bloedjes, ik de deur uit om boodschappen te doen, dat dan wel meteen, want: eat that frog. Een van mijn voornemens was en is om niet langer haastig en gestrest de Nijeh Trebla door te ploegen om allerlei abjecte onrijpe, gemodificeerde, geplastificeerde massaprodukten in te slaan, maar daadwerkelijk Kleine Leuke Winkeltjes aan te doen om Allerlei Lekkere Spulletjes te kopen. Slow living enzovoorts.

Op de Van Wou koos ik de schaduwzijde, en mij viel op dat bij het eerste Indiase restaurant ter linkerzijde de ruiten waren gebarsten op een manier die een steenworp suggereerde. Het tweede Indiase restaurant en het derde idem. Was het anti-Indiaas sentiment opgelaaid in mijn afwezigheid? Wellicht. Hier stond tegenover dat bij snackbar Florida, geen Indiaas etablissement, ook een ruit was gesneuveld.

De Marokkaanse visboer verkocht veel van wat ik nodig had voor mijn paella. Daarna door naar de kleine Aziatische groenteboer, die zijn doosjes saffraan op twee meter hoogte achter de kassa bleek te hebben verstopt, maar wat ik eigenlijk wil vertellen, dit is allemaal inleiding en opmaat, wat is dat toch met mij waarom kom ik niet meteen tot de kern waarschijnlijk uit angst daar te snel te zijn en dan niets meer te vertellen te hebben, gebeurde in winkel 3, de Stadsmarkt. Deze shop was helemaal leeg; vreemd want de air was er prettig geconditioneerd (wat je van de buitenlucht niet zeggen kon) – op één jonge vrouw na. Ik kwam haar de hele tijd tegen. Je kent dat wel, onze wegen kruisten zich voortdurend. Toen ik wilde afrekenen was ze voor mij. Wat ze had gekocht?

Eén aardappel.

Ik was weer thuis.