Training



Middenin een discussie met een voetbalmoeder over de vraag of voetballen in de winter nodig is om kinderen hard te maken; of het niet een beter idee is, net als bij hockey, om de winterstop te verlengen en de zomerstop in te korten, of dat mijn dochter niet moet zeuren en ook in de hagel en winterstorm op trainingen moet verschijnen, vroeg de hoofdtrainer: 'We komen een trainer te kort, wie biedt zich aan?'
Zoals gewoonlijk keek ik de andere kant op. Ik heb geen ambitie om trainer te zijn, bovendien kan ik niet voetballen. Maar als de hoofdtrainer van je dochter (6) je iets vraagt nadat diezelfde trainer diezelfde dochter na wekenlange afwezigheid wegens hagel en winterstormen opnieuw in zijn armen sluit, kun je geen nee zeggen. Trouwens, de zon schijnt en wat moet ik anders? Kletsen met voetbalouders ben ik ook niet goed in.
Ik stiefelde in mijn lange jas het kunstgrasveld op. De hoofdtrainer legde kort de oefening uit: telkens setjes van zes tot acht voetballertjes moesten mij voorbij proberen te spelen en dan proberen te scoren. Zonder keeper. Een kind doet de was, zag je hem denken.
Toen de training eenmaal op gang was – een beschamend aantal jongetjes had geen enkele moeite om mij voorbij te spelen (panna, panna! riep er eentje) – hoorde ik een voetbaloma langs de lijn steeds luider lachen. Ze schaterde het uit. Ik informeerde wat er zo grappig was.
'Ik lach niet om jou, ik lach om mijn kleinzoon. Die is half-Perzisch.' Ik was er niet gerust op.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten