Suriname



Een van de onwaarschijnlijkste bioscoopbezoeken die ik me kan heugen bracht ik gisteravond bij Pathé de Munt. Ik kwam iets te vroeg aan en las op het poster van de film die ik zou gaan zien met mijn exgenote en de informaticus, die uit ons is voortgesproten: We zijn allemaal voorbestemd om te sterven.
Gezellig.
We gingen naar binnen: niemand. We waren ongeveer de enigen.
Eerst de reclame. Die van Hornbach konden we waarderen. Chris Rock, een komiek die mijn exgenote en ik nog leuk vonden in New York, figureerde in een gewelddadige film met een zaag. Dat is zoiets als juf Ank casten in een remake van Rosemary's Baby.
Goed. De hoofdfilm. Suriname. Het begon goed met air-shots van, hoe kan het ook anders, Suriname, en die zagen er prima uit. (Paramaribo by night uit de lucht deed me denken aan, of all places, L.A.) Hoewel een van de personages die voorbestemd was om te sterven in de film het aan haar longen had (ze hoestte bloed), ging het niet over corona. Het ging over misdaad en macht in Suriname. Veel mensen bleken op uiterst gewelddadige manier – denk: de hersens ingeslagen, standrechtelijk geëxecuteerd, met machinegeweren neergemaaid, etc. – voorbestemd om te sterven, maar zoals mijn exgenote na het afrollen van de eindcredits terecht uitriep: 'Ik snap er helemaal  n i e t s  van!' Als Suriname de film iets duidelijk maakt is het het belang van een script. Duur geproduceerde scènes in decadente huizen bevolkt door halfnaakte fotomodellen in designer kleren aan elkaar knopen met behulp van tenenknakkende clichédialogen maakt nog geen film. En toch was het een uiterst geslaagde avond. Wanneer gaan we weer?