Maart



Wie: Merel
Waar: De Achtertuinen, Amsterdamse Rivièra
Gehoord: 2/3, 06.00
Herhaling: onduidelijk.

De spontane solo waarmee Merel haar come back maakte, en ook de lente aankondigde, – wat prematuur mogen we zeggen, maar deze waardeloze winter kan maar beter zo snel mogelijk worden vergeten – was aan de vroege kant. Dit had zijn voordelen. Wie vroeg naar bed gaat, en wie gaat dat heden ten dage niet, moet niet verbaasd zijn dat hij ook vroeg wakker wordt. Of men zit 's avonds laat te niksen, of ligt 's ochtends vroeg te piekeren. Twaalf uur slapen is alleen weggelegd voor zuigelingen en sommige hoogbejaarden.
Nadat ik was gewend aan het idee mijn werkweek te beginnen met Merel, kon het aandachtig luisteren beginnen. Dit werd vergemakkelijkt door de totale stilte die ons leek te omgeven. Hoe het kan weet ik niet, maar er was vanochtend om zes uur niemand anders in De Achtertuinen, althans niet iemand die geluid maakte. De poezen hadden hun strooptochten opgegeven, en zich binnen toch maar weer op hun bakjes gestort; de Sint Bernhard van de buren verkeerde nog in diepe slaap en de mensen, ja, die hielden zich ook eindelijk eens allemaal koest.
Ik geloof dat het Concertgebouw wel eens ligconcerten organiseert. Het publiek ligt op bedjes of matjes en luistert met de ogen dicht toe. Deze première was beter. Gratis om te beginnen.
Merel liep haar hele onwaarschijnlijk gevarieerde repertoire af. Herhaling is niet haar ding, of alleen om kort een punt te maken. Maat- en toonsoorten gooide ze met duidelijk dédain voor klassieke ordeningen en schema's door elkaar. Haar slobberende glissando, soms van boven naar beneden en weer terug, slaagde er meermaals in een glimlach op mijn gezicht te toveren. Maar vooral ontroerde me dat ze gekomen was – voor mij, wilde ik graag geloven.