Misery



Na het leenhuis grondig te hebben schoongemaakt en de nu eens plotseling verdwijnende, dan weer plots opduikende straatzwerver gedag te hebben gezegd, gingen we toch nog op tijd weg uit Parijs, om vervolgens op de A1 voor Lille een vreemde trek aan het stuur te voelen (ik dan), een vreemde trek naar links, terwijl ik aan het inhalen was. Lek. Snel de snelweg af dus, de vluchtstrook op. Daar bleek, o voorzienigheid, een Frans wegenwachtbusje te staan niet zo drukdoende met een verderop stilstaande vrachtwagen. Dat kwam goed uit, want ik kon in mijn troeperige achterbak zo gauw geen gereedschap vinden om de krik te bedienen en de reserveband te monteren. Toen ik die eindelijk wel gevonden had, was de hulpvaardige Fransman al klaar. Weer op weg om een garage te zoeken die de voorband kon repareren. Als die toch moest worden gerepareerd, konden we dat net zo goed m e t e e n laten doen. Geen onzinnige redenering. Er kwamen nog meer zinnige redeneringen en bijbehorende handelingen bij, toen de garage naast de gigantische supermarkt die erin geslaagd was het dorpje (Péronne, bij Misery) van zijn middenstand en dus ziel te ontdoen, de band irréparable verklaarde en twee nieuwe voorbanden adviseerde à €80. Wij voor een second opinion naar een nabijgelegen bandencentrum. Ook die verklaarde onze band irréparable maar had geen nieuwe banden. Wij met hangende pootjes terug naar garage 1. Daar aangekomen werden we in de wachtrij gezet. Dit zijnde Frankrijk, duurde het niet een beetje, maar heel veel langer dan je zou willen, of lieftallige zich nu urgent opstelde bij de garagisten, de kinderen de winkelruimte terroriseerden (denk: rondfietsen op stepjes, autozitjes uitproberen, koffiebekers omgooien) of ik bleef informeren hoe lang het nog duurde. 'Dix minutes, monsieur.' Maar dat zei hij een uur geleden ook! Drie uur later vervolgden we onze terugreis met spiksplinternieuwe voorbanden. Ik dacht aan de Franse, Amerikaanse, Australische, Canadese, Chinese (!) en Duitse soldaten, die, had ik gelezen in een folder bij het koffiezetapparaat, honderd jaar geleden precies op deze plaats een kansloze oorlog voerden.

Palais de Tokyo

We zitten in het restaurant van Palais de Tokyo op aanraden van een in Parijs bekende nicht met goede smaak. Het is een restaurant in het hogere segment, maar dat moet maar een keer mogen, vinden wij, ook al ga ik op een haar na failliet (wie nog geld over heeft voor een armlastige schrijver: NL88ABNA0545272254; als dank maak ik een boekje voor u).
Beeldige gastvrouwen (wat een vreselijk woord is dat toch) brengen ons naar onze tafel en dito obers, die ook nog eens aardig zijn, serveren ons verrukkelijke, verrukkelijk geprijsde gerechten.
'Hou eens op met dat foto's maken!' sis ik tegen lieftallige, die haar telefoon heeft gericht op de reusachtige lichtkunstwerken (lampen kun je ze niet meer noemen) aan het onwaarschijnlijk hoge plafond.
'Ik wist niet dat jij dingen nog gênant vond,' kaatst lieftallige terug.
'Komt door al die beschaafde mensen om me heen.'
De kinderen hoeven zich niet te gedragen want die worden subiet afgevoerd naar de speelruimte, waar twee speeldames ze onder handen nemen. Ze kunnen daar ook eten. Je hoeft je eigen kinderen dus helemaal niet te zien als je naar het restaurant van Palais de Tokyo gaat; een win-win situatie. Naast ons wordt de vader van een jonge baby onmiddellijk door de moeder van tafel gestuurd, met baby, als die ook maar een kik geeft, om hem tot stilte te wiegen bij de toiletten. Te jong nog voor de speeldames, denkelijk.
Na afloop van de voortreffelijke lunch is het even de vraag of we het museum nog zouden moeten aandoen. Buiten zien we dat er zich een flinke rij heeft gevormd voor de museumkassa. Op zo'n moment kun je redeneren dat het wel iets moet zijn en aansluiten, of denken: misschien niet. Wij dachten het laatste.


Pussies

Op de fiets naar Montmartre – joechei, een heus fietspad dat we niet hoeven te delen met stadsbussen – trekt op Boulevard de Clichy de gevelnaam Pussy's mijn aandacht. Niet om de pussies, of misschien ook wel een beetje, of althans de belofte van dergelijken, maar om de apostrof. Staat die daar terecht? Wie het weet mag het zeggen, maar ik denk dat een Amerikaanse of Engelse seksshop zichzelf niet zo snel Pussy's zou noemen.
Even verderop worden 'couple'-cabines aangeboden à 10 euro, de verleiding om af te stappen voor een tussenstop wordt al groter, maar ja, vergeleken bij Amsterdam, etc.
Dan passeren we warenhuis Sexodrome. 'Kijk,' zeg ik tegen lieftallige, 'dat hebben wij thuis niet, zo'n Bijenkorf voor de lagere driften.' Ook de achtjarige toont zich verbaasd over het woord en giechelt, maar tijd of zin om af te stappen hebben we niet.
Thuis maar even googelen. Dit drie verdiepingen tellend lustpaleis, 'le plus grande love store du monde', deze Mail & Female met roltrappen, schijnt dertig man personeel in dienst te hebben. Uit de Time Out Paris recensie kan ik niet opmaken of het nu vunzig dan wel fris is daarbinnen, of fris-vunzig, of vunzig-fris. Ooit was er een club echangiste op de bovenste verdieping, maar die wordt verbouwd, en trouwens, van ruilen komt huilen. Homo- en zoöfielen, lees ik, komen in de Sexodrome ook ruimschoots aan hun trekken.
Volgens de recensente, Celine heet ze, bevat het assortiment ook drie seksspellen voor ouderen. Dat is dus voor mij bedoeld, maar ik kan er niets over vinden.

Sloffen

Blaise Lacolley

'Ik ga toch even kijken of hij er nog is,' zeg ik tegen lieftallige vlak voordat we naar bed gaan. 'Hij' is onze straatzwerver, die gisteren plotseling weer was verschenen, nadat hij de dag ervoor en op de dag van aankomst schitterde, nou ja, door afwezigheid. Zo'n straatzwerver wordt toch meer dan straatmeubilair, ja, een soort buurman van je, hoewel Parijzenaars ongetwijfeld een stuk cynischer zijn. De wet van de grote aantallen.
'Ja, ik ben ook wel benieuwd.'
Het is vrijdagavond, dit deel van de stad gonst van de hippe uitgaansgelegenheden, de overvolle kroegen, de stampende clubs en sfeervolle huiskamercafé's. Veel mensen op de been, rokend, drinkend, naar elkaar lonkend en loerend. Ik maak mijn gebruikelijke rondje en ik vraag me zoals gebruikelijk af of ik onder hen zou willen zijn.
Maar: geen zwerver. De zwerver is weer eens in het niets opgelost. Vreemd is dat niet. Niemand houdt dit vol. Zeker niet nu het wat frisser wordt. De motorkap van een auto is geen plek om een bestaan op te bouwen.
Maar wacht eens: dat daar, die hompen in de goot, zijn dat niet zijn zelfgemaakte sloffen? Putain. De zwerver, laten we hem Zed noemen, is weg, inclusief rugzak, maar zijn sloffen liggen er nog. Moet dit ons zorgen baren?
'Zijn sloffen zijn waarschijnlijk het laatste dat hij vrijwillig zou achterlaten,' commentarieert lieftallige, als ik me bij haar in bed schuif.

Eettentjes



Vakantievieren in een stad als Parijs, dat 13.822 restaurants telt (of wat daarop lijkt), is vooral mogelijkheden verkennen om te eten. Op de eerste avond van ons verblijf dacht ik een charmant tentje te hebben gevonden in de straat, gerund door een Thais tantetje met sproeten, dus ik sleepte mijn kinderen mee naar binnen en zette ze aan een kleine formica tafel achter de cola. 'J'attends ma femme,' verklaarde ik ongevraagd aan het tantetje mijn traagheid om te bestellen. Ze knikte, ging op een stoel staan om iets te pakken van een hoge plank. Dat was wel een grappig gezicht. Aan tafel werd druk geschermd met eetstokjes. Toen kwam ma femme. 'Hebben jullie nog niet besteld?' 'Ik wachtte op jou,' zei ik. 'Maar we gaan hier niet eten! We nemen het mee naar huis!' Ik zag niet in waarom we hier niet konden blijven, maar goed, c'est la femme qui etcetera, dus we bestelden, en opmerkelijk gauw (dat moest een magnetron zijn, maar opwarmen is opwarmen) werden de kartonnen doosjes, die me aan New York deden denken, bij ons afgeleverd. Openstaand. Ik vouwde ze weer dicht. Nu kwam het aan op betalen. Ik gaf het Thaise tantetje een briefje van 20. Ze keek heel lang, heel moeilijk, naar haar grote rekenmachine. Toen heb ik zelf maar het wisselgeld uit haar kassa gehaald, terwijl ik hardop de rekensom maakte. Thuisgekomen stortten we ons vol goede moed op de pad thai, die inmiddels lauw geworden was (of nooit heet was geweest to begin with), en bijzonder slecht smaakte, maar ma femme en ik deden alsof onze neus bloedde. 'Ik moet kotsen!' riep de achtjarige uit, met zijn mond vol, en haastte zich naar de WC. Gisteravond hadden we meer succes bij een piepkleine pizzeria om de hoek, die luide house draaide, waar de vierjarige, staand op haar stoel, wulps op danste.

Terug in Parijs

Léon Lhermitte, Les Halles, 1895

We waren benieuwd of de zwerver, ongeveer van mijn leeftijd, die van de zomer in ons straatje in het 10e met zelfgemaakte schoenen en een rugzak dag en nacht de wacht hield, er nog steeds zou zijn. Dat bleek niet het geval. Verhuisd – hoewel je van verhuizen eigenlijk niet kan spreken – of dood neergevallen en afgevoerd? Ik weet niet wat ik moet hopen. Wel was er een vestiging van G-Star Raw bij gekomen, inclusief anti-zwerver beugels voor de etalages. Die waren niet voor onze oude zwerver bedoeld want die sliep staand tegen een geparkeerde auto (niet de onze).
Het appartement troffen we in dezelfde, verrukkelijke staat aan (dus met overal waar je kijkt boeken), met dit verschil dat de achtjarige de Wii niet opgestart kreeg – dezelfde Wii waar hij zich zo op had verheugd en die 80 % van de reden uitmaakte om überhaupt naar Parijs te willen (de overige waren croissantjes en het ligbad, beiden voor 10 %). Gelukkig – voor ons – wist hij een andere game aan de praat te krijgen.
Vandaag op pad met als doel Irving Penn in het Grand Palais. Ik stelde voor te gaan fietsen, of desnoods met de metro, maar dat leverde al meteen de eerste vakantie-kissebis op: lieftallige wilde per se met de bus. Lopen dan maar, met de kleintjes in ons kielzog op de step. Dat ging wonderwel fantastisch, totdat de vierjarige niet meer wilde steppen. Dat betekende tillen, zowel de vierjarige als de step, dus eenmaal bij Grand Palais aangekomen, had ik geen zin meer in Irving Penn. Een versnapering in de cafétuin van het Petit Palais dan? Op weg daarheen stuitten we op een reusachtig, levendig schilderij van de Hallen. We zijn er even voor gaan zitten. 'Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het is... een kip.' 'Dood of levend?' 'Levend.' 'In de grote mand.' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

Avondje

T w e e (2) eerstejaars Beetsianen waren er, gisteren bij het avondje in SPUI25 over groepsdruk en vernedering. De spam-acties bij de dispuutshuizen in de hoofdstad hebben dus toch hun vruchten afgeworpen. Daar was ik blij mede, met die twee eerstejaars, want ik was benieuwd naar de verschillen tussen het Multatuli dat ik beschrijf in Het dispuut en het Beets van nu, waarvan ik zelf lid werd dertig jaar geleden. Welnu, zeiden de twee, het beeld dat in de media wordt afgeschilderd klopt niet. Een van de eerstejaars somde een lijst goede werken op, die leden van het dispuut heden ten dage verrichten. Ik wilde roepen: zoiets als ouwe poepresten afkrabben in verpleegtehuis Open Einde? Maar ik heb dat niet geroepen, want dat zou zinloos zijn. Ze hadden mijn boek niet gelezen.
Er was nog een andere verrassende verschijning gisteravond: Vindicat-klokkenluidster Milou Deelen. Dankzij Milou Deelen weten we wat bangalijsten zijn. Zij kwam ertegen in opstand. Ze dacht dat haar klokgelui daar wel wat teweeg had gebracht.
Nog meer mensen in de zaal lieten van zich horen, hoewel misschien niet luid genoeg. Een bevriende corpsbal van de tennisbaan uit Rotterdam zat zich te verkneukelen bij alle getheoretiseer over excessen, vernederingen en groepsdruk. 'GELUL!' had hij willen roepen.
'Had dat dan ook gedaan,' zei ik tegen hem na afloop. Maar hij wou geen spelbreker zijn.
Na de deskundige inleiding van sociaal psychologe Liesbeth Mann over vernedering binnen groepen, voerden Persis Bekkering en ik een toneelstukje op (meer is het corps in zeker opzicht ook niet). Zij, in Navigators-kampcommandant-overall tegen mij, in een t-shirt met het opschrift LUL (in Boef-letters, die lieftallige er met genoegen op had gestift): 'Wat, Frölke!'
'Nou eh... ik wilde dus met de auwto naar de winkel om een colbertje te kopen en een stropdas maar toen ging de koelkast kapot en dacht ik weet je wat ik ga eerst een gebakje eten.'
'FOUT, Frölke! Het is oto, jasje, dasje, ijskast en taartje. Kikkeren!'
Ik kikkeren. Dat voelde goed. Ik had het al lang niet meer gedaan.

Delft


Samen met mijn gymnasiast en honderden VWO'ers uit uiteenlopende windstreken zit ik in de collegebanken bij Technische Natuurkunde tijdens de open dagen van de TUDelft en luister naar een opleidingsdirecteur die uitlegt dat de studie veertig 'contacturen' per week vergt.
In mijn tijd, bij Wijsbegeerte, was dat wel anders. 'Ik mocht al blij zijn,' fluister ik tegen mijn zoon, 'als ik vier uur college had per week.' Wat ik in de overige 36 uur uitvrat, behalve shaggies roken boven hermetische Hegel-stencils, op mijn slechtverlichte, onverwarmde zolderkamertje in de Pijp, met Miles Davis' Tutu op de draaitafel, en het op namiddagen in slaap sukkelen op de faculteitsbibliotheek: geen idee.
De introductie in de Technische Natuurkunde kan ik volgen totdat de Maxwell-vergelijkingen op het bord verschijnen (die kennelijk ook, hoe poëtisch, als diens grafschrift zijn gebruikt). 'Zijn er nog vragen?' vraagt de opleidingsdirecteur, en ik wil mijn vinger al opsteken. Ik weet me in te houden. Na het heldere proef-college over quantummechanica door een collega, besluit de opleidingsdirecteur: 'The universe is conclusively weird.'
Zoiets snapt een filosoof wel.
De voorlichtingsbijeenkomst over Computer Science & Engineering, waar we ons met moeite naar binnen dringen, bevat meer zelfstudie. 'Er wordt een beroep gedaan op je eigen verantwoordelijkheid,' zegt de voorlichter, in het Engels, voor een grotendeels Nederlandstalig publiek. Eigen verantwoordelijkheid? De student moet een huwelijk aangaan met zijn eigen luiheid. Het gelukkigste huwelijk geeft het meeste kans op succes.
Misschien, bedenk ik me aan het eind van de dag, is een 'Universiteit', – ook een technische –, uiteindelijk toch vooral een ingewikkeld ritueel, bedoeld om zowel studenten als hun ouders en de rest van de bevolking het gevoel te geven dat het mogelijk is om greep te houden op de werkelijkheid.



Het einde van de cultfilm



Volgens mij worden er geen cultfilms meer gemaakt, heeft het hele concept van de cultfilm zijn betekenis verloren. Ik kwam tot deze toch wel jammere conclusie na het zien van 'Blade Runner 2049'. Ten eerste lijkt het mij onwaarschijnlijk dat dit vervolg op Blade Runner ooit zal uitgroeien tot een cultfilm omdat hij veel te toegankelijk is. De enige echt vreemde scene is die waarin de B.R., gespeeld door de 100% transparante Ryan Gosling, aan een merkwaardige, poëtische ID-test wordt onderworpen ('cells, interlinked'); het Leitmotiv met het houten paardje is gewoon Disney; de man met de doffe ogen en een cassetterecorder achter zijn oor is onbedoeld hilarisch.
De oorspronkelijke Blade Runner was wel degelijk een cultfilm, maar het vervolg erop heeft dus ook al de ont-cultfilmisering van het origineel in gang gezet. B.R. is een franchise geworden, en franchise staat haaks op cult. Ik begrijp niet goed waarom deze film alom wordt bejubeld (op imdb krijgt hij nota bene een hogere score dan de versie uit 1982. '2049' is veel te lang – het verhaal komt zo goed als tot stilstand na pakweg anderhalf uur –, de dialogen zijn zouteloos, de handelingen voorspelbaar. Alles ziet er prima uit, maar dat mag je verwachten van een film met een cast van pakweg duizend mensen op drie continenten.
Als de eeuwig gefronste wenkbrauwen van de ouwe Harrison Ford in beeld komen tegen het einde, besef je weer hoe goed hij destijds was, en hoe volstrekt niet-verontrustend de huidige versie is. Sylvie Hoeks is verreweg het beste in de film: a bit weird, a bit creepy, and a bit sexy. Een mooie definitie van cult.

Golven van verdriet

De dag begint vrolijk, met mijn achtjarige die spontaan een stuk voorleest, in het halfdonker, uit zijn nieuwe boek, maar even later ligt hij in foetushouding op de bank te huilen. Want zijn jongere zus heeft een feestje vanmiddag en hij niet, en ze heeft ook een drakenpak voor het kinderboekenweekfeest – thema griezelen – en hij niet. En inderdaad: mijn dochter paradeert rond in een drakenpak dat ik ooit in New York kocht, inclusief muts met ingebouwde drakenkop, heel kunstig. 'Heb je in de verkleedkist gekeken?' probeer ik vanuit bed het verdriet van mijn zoon om te buigen in, nou ja, blijdschap. 'Daar ligt niks in!' Ik hijs mezelf uit bed, terwijl lieftallige aan de slag gaat met het blauwschminken van het draakje. Uit de verkleedkist trek ik een dozijn prinsessenjurken, maar ook een ridderpak. Dat wil hij wel aan. Met schmink? Met schmink. Als lieftallige klaar is met het schminken van de ridder, zwelt de volgende huilbui aan, nu uit de keel van het draakje. Want het draakje wil ook groene schmink, net zoals de ridder. 'Als je blijft huilen huil je alle schmink eraf.' Natuurlijk krijgt het draakje haar zin. Iedereen blij? Toch niet, want als ik het draakje heb afgeleverd op school wil ze de kunstige muts niet op, terwijl die nu juist, in mijn ogen, het verschil maakt. Ik laat hem achter in het klaslokaal voor het geval ze van gedachten verandert. Maar als ik haar zoals gewoonlijk van buiten door het raam luchtkussen toewerp staat het traanvocht in haar ogen. Het draakje eist dat ik de drakenkop weer meeneem. Jaloezie en schaamte: vermoeiende emoties.

Groningen

'Niemand steekt een lamp aan en bedekt die met een vat of zet haar onder een bed, maar hij zet haar op een standaard opdat wie binnentreden het licht mogen zien,' las ik op een willekeurig opengeslagen pagina van de hotelbijbel die ik, enigszins tot mijn verrassing, aantrof in het University Hotel, waar ik mocht overnachten van lieve literair dispuut Flanor, dat mij had uitgenodigd voor een lezing. De gratis verstrekte oordopjes op het hotelkamerbureautje verontrustten mij enigszins, maar het was pas zes uur, we zouden wel zien hoeveel overlast deze studentenstad mij ging bezorgen.
Voor het Javaans Eetcafé werd ik opgewacht door het lieve bestuur: vier prachtige studenten in de bloei van hun leven, en nog geïnteresseerd in literatuur ook – waar heb ik dit allemaal aan verdiend? Gelezen hadden ze mijn roman nog geen van allen, hoewel sommigen er in waren begonnen, maar dat was bijzaak.
'Wat doe ik hier eigenlijk, op deze planeet, of waar dan ook?' vroeg ik me af terwijl ik de Vegetarische Rijstschotel die ieder van ons had besteld naar binnen schoof, maar dat vraag ik me wel vaker af.
Spoorslags naar de Graanrepubliek, die op vijf minuten lopen bleek te liggen. Het met boeken bepakte, lieve bovenzaaltje vulde zich allengs met studenten/leden van Flanor, plus twee mystery guests. Een meisje vroeg of iemand trek had in een pannenkoek. Ik heb vaak trek in een pannenkoek, maar niet net na een rijstschotel, al was het een vegetarische.
'Hallo allemaal, nice dat jullie zijn gekomen,' sprak de voorzitter van Flanor, een lieve kunstgeschiedenisstudente, die ik wel mee naar huis had willen nemen, opgeruimd. 'En dan geef ik nu het woord aan Viktor.'
Ik had last van zenuwen, maar het waren goede zenuwen. Iedereen luisterde aandachtig naar het hoofdstuk De vergadering, waarin een sfeer wordt geschreven die niet verder af kon staan van de sfeer die thans in dit bovenzaaltje hing. Een niet-lieve sfeer, zou je kunnen zeggen.
Tijdens de discussie over de vernederingscultus van het corps bekende een blond meisje met springerige wenkbrauwen dat ze in therapie moest na een jaar lid te zijn geweest Vindicat.
'Ik moest ook in therapie,' zei ik, begripvol. Om er onmiddellijk aan toe te voegen: 'Het kan nooit kwaad om in therapie te gaan.'
Rond middernacht verheugde ik me op mijn University Hotel. Onderweg erheen stuitte ik op twee overlastgevende studentenhuizen, alsmede een groepje brallende studenten. Hun gedrag maakte dat ik mij enigszins ongemakkelijk voelde in mijn witte pak en mid life strohoed. Maar het 'Hé, kankerhomo, waar ga je naar toe?' bleef uit en ook de oordoppen konden in de verpakking blijven.

Zout is the least of my problems.

Eerst op mijn knieën in het natte zand. Daarna zitten op mijn voeten. Toen draaide ik me om en en zakte met mijn kont in het water. Het golfje dat van achter kwam en mijn lendenen omspoelde verraste me toch nog, hoewel ik het hoorde aankomen. Ik was voldoende gewend, meende ik, om het water in te lopen en nam een duik. Terwijl ik slagen maakte door de kalme nazomerzee, stelde ik me twee dingen voor. Het eerste was dat ik een hartaanval zou krijgen. Ik had er de leeftijd voor, en sommige harten, wellicht ook het mijne, hielden helemaal niet van kou; zo van: als je zo begint, hoeft het voor mij niet meer. Het tweede was dat ik me voorstelde dat ik een ocean swimmer was, en dat ik op weg was naar Dover, Bristol, of Newcastle of nog veel verder, zoals die ene vrouw, ik ben haar naam kwijt, die de Atlantische oceaan overzwom. Vreselijk. Was ik al lang genoeg in het water geweest om zonder gezichtsverlies terug te kunnen keren naar het droge? Ik vond van wel. Een meisje in een bikini stond te springen in het water, alsof ze in conversatie was met de golfjes. 'Zout, hè?' zei ze, toen ik boven water kwam. Ik knikte en dacht: zout is the least of my problems. Terwijl ik me uit het water hees, werd ik me bewust van mijn doorweekte herenslip. Waarom niet naakt gaan zwemmen? Ik heb niets tegen naaktzwemmen, zou het zelfs overal willen propageren, maar sommigen in mijn gevolg gaan gebukt onder plaatsvervangende schaamte. En waarom ook zo nodig op willen vallen? Opvallen of niet opvallen, dat is de vraag – niet dat ik dacht dat mijn mannelijkheid na kennis te hebben gemaakt met deze zee nog heel veel aanstoot zou geven.

Geheim paadje



'Toen jij zo oud was als ik,' zei ik tegen mijn vader, op een schaduwrijk bankje in het park, 'woonde jij ruim tien jaar in een kast van een huis dat je zelf had laten bouwen; je oudste twee zonen waren net op kamers en je had een zeilboot en een huisje in Frankrijk.'
Mijn vader wist niet wat hij daarop moest zeggen. Misschien viel er niets op te zeggen, het was meer een besef van mijn kant dan een uitnodiging tot commentaar.
Een bezoek aan mijn ouders is een bezoek aan de geschiedenis. Mijn moeder tovert schriftjes tevoorschijn van het gymnasium met opstellen van haarzelf ("slordig!" staat in de kantlijn) en van háár moeder, die niet alleen over een voorbeeldig handschrift bleek te beschikken, maar ook over een niet onaardige pen. (Ze putte inspiratie uit de praktijk van haar vader, een apotheker uit Groningen die huisarts werd in Eindhoven).
Ik beland in mijn eigen geschiedenis als ik min of meer toevallig mijn geheime paadje neem naar school. Het voert dwars door de bosjes, over een weg die geen snelweg is maar er erg op lijkt, bijvoorbeeld te oordelen naar de snelheid der automobilisten, linea recta naar het Lorentz Lyceum (thans Lorentz Casimir).
Het stille, lege schoolgebouw doemt op aan de overzijde van de Celebeslaan. Altijd opwindend om op een lieu de mémoire te stuiten waar je voor het eerst verliefd werd en probeerde iemand te zijn of te worden. Maar wat doet die waterpoel daar rechts? Van die poel kan ik me niets herinneren.
'Moet je je voorstellen,' zegt mijn moeder, 'wat voor angst ik uitsloeg als jij dat geheime paadje naar school nam vroeger!'
Zijnde vader van drie schoolgaande kinderen kan ik me daar inmiddels wel iets bij voorstellen.

Zestiende werkdag

De oud-bibliothecaresse zat op de bank met haar jas aan voor zich uit te staren. Radio4 sijpelde uit de vooroorlogse radio op de kast. Ze was blij me weer te zien. Het gevoelen was wederzijds. Nadat ik haar een kus had gegeven voor haar 86ste verjaardag, die vorig week plaatsgreep, liep ik door naar de keuken om koffie te zetten en pannenkoeken te bakken (lees: ouwe zemen op te warmen) in een steelpan zonder steel.
'Ik heb je boek uit,' riep ze vanaf de bank.
'En?'
'Een gruwelijk verhaal. Wat er gebeurt met die Mulder!'
'Je bent de eerste die dat zegt. En je hebt ook gelijk.'
'Is het waargebeurd?'
'Nee, maar ik beschouw het als een compliment dat je dat denkt. Wat wil je op je pannenkoek?'
'Niks.'
In twee stokoude, versleten kandelaars op tafel, viel me op, waren gloednieuwe kaarsen gestoken. Cadeau voor haar verjaardag, die kaarsen, van wie wist ze niet meer. Die kandelaars waren nog van haar moeder geweest.
Ik probeerde de kaarsen aan te steken, zonder succes.
'Er zit geen pit in,' zei ze, kauwend op haar pannenkoek.
Ik terug naar de keuken om de pit die er toch wel in bleek te zitten uit te graven met een mes.
Niet veel later stonden de kaarsen fel en vurig te branden alsof dat was wat ze het liefste deden.
'Willem vindt dit vast niet goed,' zei de oud-bibliothecaresse.
Ik wist dat ze eens een bijna-brand had veroorzaakt met de gaskachel en om die reden niet meer op gas mocht koken en geen vuur mocht hebben en dus eigenlijk ook niet meer mocht roken, en overwoog nu dat de pit in die kaarsen misschien opzettelijk was weggeknipt door Willem of een andere bezorgde verzorger.
'Leuk om naar te kijken toch?' vroeg ik naar de bekende weg. Wie in een goede bui is, zoekt geen informatie, maar bevestiging. Zij was ook in een goede bui.
'Doet me denken aan kerst,' mijmerde ze. 'Vroeger bij ons thuis.'
'Goede herinneringen?'
'Nee! Mijn broer wist niet hoe snel hij alle kaarsen moest doven tussen zijn vingertoppen. Alleen maar om te laten zien dat hij het kon, met speeksel.'
Ik laat ze nog maar even aan.

Kopkluiven



Een schrijver die is kopgekloven door Propria Cures kan drie, eigenlijk vier dingen doen. Hij kan gaan uithuilen bij zijn moeder. Hij kan een brandbom naar binnen gooien bij de PC-redactie (pas op voor de Groene!) en gaan uithuilen bij zijn moeder. Natuurlijk kan hij ook bij zichzelf een brandbom naar binnen gooien, gaan uithuilen bij de Groene en net doen alsof er niets gebeurd is. Maar er is nog een mogelijkheid. Een schrijver die is kopgekloven door Propria Cures kan in de spiegel kijken en zich afvragen of zijn haar nog goed zit. Als het antwoord luidt: ja, toch wel, op een bepaalde manier, dan kan het zijn dat het kopkluiven pretty-pretty onvoltooid is gebleven, dat de schedel nog aan een draadje hangt, dat de neocortex onbeschadigd is en dat er in principe prima doorgeschreven kan worden aan het oeuvre (wel even op tijd aankloppen bij het Letterenfonds).
In Angelsaksische landen bestaat de traditie van het roasten, het op speelse wijze afbranden van een gearriveerd persoon die dat toch wel kan lijen omdat hij nu eenmaal gearriveerd is. De arrivé laat zich de plaagstootjes 'sportief' welgevallen. Ik heb zulke roasting sessies nooit erg veel aan gevonden, omdat van te voren vast staat dat het allemaal niet gemeend is, dat ze maar een spelletje spelen, dat ze straks weer als vrienden enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid, amen.
Het doet, met andere woorden, geen pijn.
Doet het kopkluiven van Propria Cures dan wel pijn? Dat hangt af van de vraag of de tirade goed geschreven is. Dat was bij 'Fröbelaar' niet het geval, vond ik, en ik was niet de enige. Als iemand namen van personages uit een roman begint op te sommen en lukraak lappen tekst citeert (vooral uit het begin van het boek), dan weet je: die is haar stuk tot de vereiste lengte aan het oppompen omdat ze haar huiswerk niet heeft gedaan.
'Lui!' zou mijn moeder roepen. 'Gewoon: lui!'

Minnesota

Mijn vriend uit Minnesota geeft altijd hoog op over de levensstijl aldaar. Ik ben er nooit geweest; hij komt vaker in mijn buurt dan ik in de zijne. Het is er wel koud, begrijp ik, maar droog koud. Twee weken geleden was het nog 30 graden C. Er zijn veel meren. Iedereen is tall and blonde. (Veel mensen hebben Scandinavische voorouders.) Er wordt veel gefietst en gewandeld, de inkomensverschillen zijn te overzien, men is – over het algemeen – voorkomend en niet bezig elkaar, om maar iets te noemen, met zelfgemaakte mitrailleurs te beschieten vanuit een veilig hoge hotelverdieping tijdens een country concert.
'There are rules, certainly, you need rules in a society, but they are reasonable rules, and almost everyone abides by them,' zegt hij.
'Sounds like Holland,' reageer ik.
Hij knikt.
Gebeurt er wel eens iets in Minnesota?
Niet dat hij weet. Hoewel, jawel, er is eens iets gebeurd, niet lang geleden. Een man had geëjaculeerd in de koffie van een collega. 'Ik was verbaasd dat de lokale krant daar aandacht aan besteedde.'
Het is even stil.
'Nou ja,' probeer ik, 'het is... een verhaal.'
'Eigenlijk kan ik me er ook wel iets bij voorstellen,' gaat hij voort.
Later check ik het verhaal op internet. De man die ejaculeerde in de koffie van zijn collega verklaarde dat hij bij haar in de smaak probeerde te vallen. Dat is matig gelukt; de vrouw heeft een klacht tegen hem ingediend, hij is ontslagen, hij heeft 45 dagen werkstraf gekregen, en de politici in de staat Minnesota zijn gauw bijeengekomen om een wet te ontwerpen die de indirecte overdracht van bodily fluids onwettig verklaart (met name met seksuele bedoelingen en bij kinderen).
De getroffen collega, lees ik, vond haar koffie de laatste tijd al een raar smaakje hebben. Ze dacht dat de melk bedorven was.

A former colleague

You can't hide from the past. You can run, but you can't hide. The past will sooner or later catch up with you. Today I was reminded of that bromide when I caught a former postal colleague in the supermarket. That is, I saw him in the corner of my eye, and he saw me too, I thought, but I got the impression that he was avoiding me. A few minutes later, when I was standing in line, he walked right passed me towards the exit, carrying just one piece of grocery, but outside he had to wait in an alcove for the sudden shower to pass. I waved, he smiled. He let me join him in his shelter. 'So, you're still alive,' I said. He nodded. 'That's not true of our mayor.' 'I know. He got out of it.' The former postal colleague, who literally exuded bachelorhood, worked for the competition, and was more or less proud of the way he cheated the company by not doing everything properly (i.e. throwing mail in the waste that he deemed wastable, which was a lot) and still getting paid. He told me he didn't work there anymore, which slightly alarmed me, because I thought he might be sacked because of what I wrote about him in my Diary of a mailman. Turned out he could retire early without losing his benefits. 'A few more years of welfare, and I will get my state pension,' he said, matter of factly. 'So what are you doing all day?' I asked. He smiled. 'Nothing.'

Wildplakwapenwedloop



Gisteravond maar weer met plak, kwast en een stapeltje postertjes de straat op gegaan om mijn vrijheid van meningsuiting bot te vieren op een wildplakzuil, nadat ik eerder die dag met lede ogen had moeten aanzien dat mijn wildplakactie van eergisteravond alweer over was geplakt. Op deze wildplakzuil is een wapenwedloop tussen wildplakkers gaande. Wie kan het snelst de ander overplakken, oftewel het zwijgen opleggen, met zijn eigen – zonder uitzondering commerciële – boodschap? Maar de strijd is ongelijk. Ik voel me Noord-Korea tegenover de Verenigde Staten van Amerika. De wildplakkers waartegen ik ten strijde trek zijn zonder uitzondering professionele plakbureau's, die met groot materieel en geoefende plakkers, reusachtige posters en vooral heel veel plak (waar ik dan weer mijn voordeel mee doe, want de helft blijft onder de zuil liggen), mijn bescheiden advertisements for myself elimineren. Maar ik geef niet op. Natuurlijk geef ik niet op, al was het alleen maar omdat ik het  l e u k  vind.

(On)mogelijkheden. Requiem voor een logeerpoes

Het kon overal gebeuren,
Maar het gebeurde bij ons.

Het kon op elk moment gebeuren,
Maar het gebeurde 's nachts.

Het kon op elke plek gebeuren,
Maar het gebeurde in het kinderkamerraam.

Het kon iedere poes gebeuren,
Maar het gebeurde onze logeerpoes.

Het kon beide logeerpoezen gebeuren,
Maar het gebeurde de zwarte, zachtaardige.

Ze kon koud zijn toen ik haar pakte,
Maar ze was nog warm.

Het baasje kon verwijten maken,
Maar hij maakte geen verwijten. Hij treurde. (Net als wij trouwens; de andere logeerpoes gaf geen krimp.)

De tere kinderziel kon een kras oplopen,
Maar die leek gauw gewist.

In de wereld kon niets zijn gebeurd,
Maar daar gebeurde alles.