71. De beoogde uitgever, de man die uitgleed, de man met de gitaar op zijn rug en de bezorgde dochter

Fosco Maraini



De man die uitgleed was op weg naar zijn beoogde uitgever. De uitgever was te voet, de man die uitgleed was op de fiets. Ze hadden een afspraak, maar kwamen elkaar een uur eerder al op straat tegen. Ze wuifden. De uitgever ging zijns weegs na het wuiven, te voet over de gracht, en de man die uitgleed die gleed, nou ja, uit.

De man die uitgleed had niet alleen slechts een hand aan het stuur, maar belangrijker, hij had zijn blik niet gericht op de weg, waardoor hem ontging dat zijn voorwiel, preciezer: voorband, het ijzer van de tramrails in het asfalt opzocht. Let wel: het ging hier om wegens werkzaamheden dichtgemaakte tramrails. De band van de man ging dus niet zozeer in de rails en zo met de rails mee – het vrijelijk fietsen bemoeilijkend – maar schoof over het beijzelde ijzer weg.

De man die uitgleed lag op de grond, onder zijn fiets. Hij had niet eens de kans gekregen om zijn slippartij te corrigeren, of op te vangen of zelfs maar te zien aankomen. Zijn rechterknie was geblesseerd. Een man met een gitaar op zijn rug stopte en toonde belangstelling maar maakte geen aanstalten om van zijn fiets te stappen en bijvoorbeeld de man die was uitgegleden weer op de been te helpen. Dit was ook niet nodig. De man met de gitaar op de rug bood morele hulp aan door er te zijn, niet onverschillig te zijn, houdingen waarvan inderdaad een zekere troostende werking uitging.

Ik heb pijn, dacht de man die uitgleed, maar ik geloof ook dat mijn lichaam stofjes aanmaakt die die pijn verzachten. Pijn is een ervaring, dacht hij ook nog, dus ik ben een ervaring rijker. En: wat zei Wittgenstein ook alweer over pijn? Dat er over pijn niet te communiceren was? Nee.

De man die uitgleed bedankte de man met de gitaar op zijn rug voor zijn steun en beiden vervolgden hun weg.

Later, toen de man die uitgleed bij zijn beoogde uitgever zat, besloot hij niets over het voorval te vertellen.

Toen hij thuiskwam en zijn broek afstroopte stelde hij als een klein kind vast dat de pijn die hij had gevoeld ook terecht was gezien de schade toegebracht aan zijn huid.

Zijn jonge dochter was onder de indruk van het bloed en wilde hem verplegen. Maar hij zei: het is al opgedroogd. Met haar kleine vinger durfde ze de schaafwond te betasten.

De man die uitgleed was op meer dan een manier gelukkig.