De vogel

Birdman, or the unexpected virtue of ignorance

Hij zit altijd op de fiets, maar dat betekent niet dat hij ook fietst, hij loopfietst graag, over de stoep, al dan niet met een bekertje koffie in de hand. Voorovergebogen hangt hij over zijn stuur en kijkt je met wijdopen ogen aan.

Het eerste wat aan hem opvalt zijn zijn haren. Hij heeft veel donker haar dat woest alle kanten op valt, alsof hij onder stroom staat, maar zijn haar is te lang om recht overeind te komen. Misschien heeft hij het getoupeerd zoals een punk-vriend van me vroeger deed.

Daarna kijk je, kijk ik, onmiddellijk naar zijn ogen, die hij opmaakt met een potloodje. Daaraan kun je zien dat over zijn uitdossing is nagedacht. (Alleen een dode denkt niet na over zijn uitdossing.) Wil hij een vogel zijn? Wie wil geen vogel zijn?

De ogen staan scherp, of althans, ze staan wijdopen, en kijken fel de wereld in. Ik lees er mensenhaat in. 'Jullie begrijpen er helemaal niets van,' zegt de blik. 'Jullie zijn idioten, allemaal bij elkaar.' Waarschijnlijk is mijn indruk helemaal verkeerd.

Als ik hem lang genoeg aankijk, gaat hij toch weer vragen om geld (mensen vragen mij graag om geld), denk ik, want je kunt nog zo'n mensenhater zijn, of een vogel, dat wil niet zeggen dat je niet om geld kunt vragen, maar misschien geldt ook hier dat hij helemaal geen behoefte heeft aan geld, en al helemaal niet het mijne.

Zijn kleren zijn het beste te omschrijven als veren; zo draagt hij ze ook. Lagen over elkaar. Onduidelijk waar het ene kledingstuk begint en het andere eindigt. Geen kleur, alles donker.

Soms lakt hij zijn nagels. Ze zijn in elk geval lang. Klauwen kunnen van nut zijn, denk ik dat hij denkt, en ook daar heeft hij gelijk in.

Ik wou dat ik hem uit mijn hoofd kon natekenen.

Ik hoop dat de vogel nog lang blijft rondhangen in mijn buurt. Hij herinnert me aan mijn eigen vrijheid, al maak ik er te weinig gebruik van.