Steun



'Joechei, ik ben nog nooit zo rijk geweest,' kraai ik vanuit de keuken, waar ik per ongeluk mijn saldo bestudeer. 'TOZO is binnen!'
A. komt met een gelukzalige uitdrukking op haar gezicht naar me toe, want ze houdt van rijkdom, veel meer dan ik. Eigenlijk verbaast het me dat ze me nog steeds niet heeft ingeruild voor een tandarts of advocaat. 'Hoeveel is het?' En: 'Ik krijg nog €500 van je.' En: 'Vergeet niet wie voor jou deze tijdelijke overbrugging voor zelfstandige ondernemers heeft aangevraagd.'
'Het is vijftienhonderddrie euro en drie cent!' Onmiddellijk betaal ik mijn schuld af en laat haar het afschrift daarvan laat zien op mijn telefoon. Ik heb niet graag schulden. Schulden leiden je aandacht af van de baten die je altijd hebt. Eigenlijk moet ik haar het hele bedrag subito overmaken, maar daar wacht ik mee. Dat kan altijd nog.
'En bedankt nog voor het aanvragen.'
'Ja ja.'
'Leve de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam!' kraai ik nog even door, want het is lang geleden dat ik steun trok. Sterker, ik kan me niet herinneren ooit steun te hebben getrokken. Meteen na mijn afstuderen, annus horribilis 1992, had ik er recht op, maar toen heb ik de aanvraagpapieren verscheurd en uit het raam van een honderd kilometer per uur over de A2 rijdende auto gegooid. Waarom? Goede vraag. Ik dacht – abusievelijk – dat ik geen steun nodig had. Ik dacht wel meer dingen, toen. In werkelijkheid had ik alle steun nodig van de wereld.
Sinds ik weer in Nederland woon ben ik geen moment bang geweest voor welk financieel debacle dan ook, omdat ik weet dat Nederland lief is voor zijn inwoners – veel liever dan Amerika, in elk geval – en zich die liefde ook kan veroorloven, als een van de rijkste landen ter wereld.
Maar wat te doen met mijn TOZO?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten