98. Geen verhaal maar wel waar (III)

Meneer en mevrouw Tsjechov



Mijn vader aan de telefoon. Dat het hem toch wel dwars zit, zoals ik hem op deze plek recentelijk heb geportretteerd. Dat hij mijn helpende hand weigert – weigeren is een te groot woord bij nader inzien, hij neemt hem gewoon niet aan. 
Aha, ik raak aan een gevoelig punt.
Weet je, zegt hij, ik heb mijn hele leven aan de andere kant gestaan. Ik was degene die hielp. Ik ben het niet gewend om geholpen te worden.
O, dus dat was het. Het heeft inderdaad niets met de oorlog te maken (of misschien toch een beetje want in de oorlog hielp iedereen zichzelf stel ik me zo voor), maar vooral met het feit dat hij zijn werkzame leven een zorgberoep heeft uitgeoefend. Eerst huisarts, daarna bedrijfsarts aan de TU Eindhoven.
Mooi beroep trouwens, huisarts. Ik zou bijna zeggen een literair beroep. Van alle beroepen vormt niet advocaat, journalist, dominee, natuurkundige of psychiater maar huisarts denkelijk de beste ondergrond voor literaire grootheid. Denk aan Tsjechov, Céline, Vestdijk. Ik heb mijn vader om die reden wel eens geprobeerd aan het schrijven te krijgen, maar dat is op niets uitgelopen; nu probeer ik het, met meer succes, bij mijn moeder.
'Jij bent ook nooit ziek geweest,' zeg ik. 'Ik kan me niet herinneren dat jij ooit ziek was. Een huisarts mag niet ziek zijn.' (Meteen denk ik erachter aan, dat is mijn beroepsdeformatie, mooie titel voor een verhaal of novelle: De zieke huisarts, die gaat op mijn lijstje van te schrijven verhalen.)
'Inderdaad.'
Daarom schrok ik ook zo toen ik hem een aantal jaar geleden voor een zware operatie in het ziekenhuis zag liggen. Ik had nog nooit zoiets gezien: een zwakke vader. Een zwakke vader vreet aan je existentie.
'Vaders mogen niet ziek zijn, ze mogen geen zwakte tonen,' ga ik verder. Traditionele vaders bedoel ik. Moderne vaders wel, die doen niet anders, die gebruiken de zwakte als een ironisch schild.
Het is even stil. Vroeger zou je samen luisteren naar het gezellige gekraak van de telefoonlijn, alsof je samen rond het haardvuur zat. Nu hoor je helemaal niets meer en vraag je je af of de ander er nog is.
Mijn vader is er nog. En hoe.
Mooi dat we een gesprek hebben over gevoelens. Gevoelens zijn lang taboe geweest in mijn familie, en misschien wel in elke huisartsenfamilie. Pijn was weliswaar een gevoel – fysieke pijn –, maar daar moest je tegen kunnen. Daar werd je hard van. Alleen in geval van nood nam je een pil.
Die hardheid heeft denk ik wel weer te maken met de oorlog; gelukkig maar.
'Trouwens erg fijn dat je mijn scootmobiel weer aan de praat kreeg,' zegt hij nog. Hij maakt geen grap. Toch moet ik lachen.
'Dat was mazzel. Hij maakte gewoon weer even contact.'
Net zoals wij.