96. xXx




Wonen op Mars, overwoog xXx, was allemaal leuk en aardig, maar hij had nog steeds tinnitus. Nog altijd had hij sterk de indruk dat de keuzes die hij maakte bij de proteïne-shakes die hij nam voor ontbijt, lunch en avondeten, volstrekt arbitrair waren. Koffie. Framboos. Kip. Hij was eenzaam, maar hij was dat altijd geweest, hij zou zich zelfs op een andere planeet geen leven kunnen voorstellen dat niet door wat hij noemde die humane grondhouding gekenmerkt werd.

Dat had niets van doen met zijn naam. Iedereen onder de twintig had tegenwoordig zelfgekozen codenamen. Het hele voornaam achternaam gedoe met vergezochte betekenissen waarmee ouders zich van elkaar probeerden te onderscheiden (of juist niet) was al lang geleden afgeschaft. Namen veranderden ook voortdurend, net zoals kamers en straten; ze waren fluïde, dat was een van de weinige leuke dingen zelfs aan het contemporaine leven op de rode planeet.

Naar gangbare Martiaanse maatstaven was xXx beslist niet onknap, maar ook niet onlelijk. Enfin, medium, zoals de meesten, en dat had ook wel iets veiligs. Eigenaardigheden als zijn linkeroorschelp, die tegen zijn kale schedel aangegroeid was, en de rare tic die hij had om steeds voordat hij iets ging zeggen met zijn tongpunt zijn boventanden aan te raken, had hij ongecorrigeerd gelaten.

Overigens sprak hij nog maar nauwelijks. Eigenlijk alleen 'au' als hij zijn teen stootte (zulke dingen gebeurden nog maar niet vaak), en 'oe' als hij klaarkwam (idem).

Nee, zijn eenzaamheid was fundamenteler, die had te maken met het besef dat contact ook en juist in tijden van virtuele relaties, die traditionele relaties thans vrijwel geheel hadden vervangen, een pipe dream bleef.

xXx had het geprobeerd, daar lag het niet aan, met alle mogelijke entiteiten, hij was behoorlijk open minded geweest over de soorten relaties die hij was aangegaan, maar steeds had hij het gevoel gehad dat het ware leven elders was, dat de meeste emoties en gedragingen geveinsd waren, ook die van hemzelf, en dat zijn leven op Mars niet zozeer zinloos was, als wel volstrekt voorspelbaar. Het was steeds moeilijker gebleken in tijden van total information awareness en instant afstand overbrugging enig reliëf aan te brengen in de dag, verrast te worden, iets authentieks te beleven, ergens, met iemand, al was het maar voor even. (Een paar goede seconden konden een dag redden, maar vind ze maar eens.)

Bevrijding zocht hij vooralsnog in werk. xXx gaf leiding aan de ontwikkeling van Kreateur, de eerste kunstenaar-robot, binnenkort zou het eerste prototype worden gelanceerd, maar er waren zorgen. Niet over de technische details, of het algoritme, daar was grondig over nagedacht, de ingenieur-bots werkten uiterst precies, veel preciezer dan een mens, maar xXx werd geplaagd door de angst dat dezelfde ingenieurs hem een streek leverden. Dat ze vlak voor de lancering de boel zouden opblazen, of dat ze hem systematisch hadden misleid over de voortgang.

Misschien was hij paranoïde. Paranoïa was goed, het hield je scherp, maar het was ook erg vermoeiend.

Gezichtsverlies, aantasting van het ego, afwijzing: je zou denken dat op Mars anno 2170, voorbij de pioniersjaren in zekere zin, zulke sociale ongemakkelijkheden vlotjes konden worden gladgestreken met behulp van frontale kwab-therapie, maar niets was minder waar.

xXx betrapte zich erop dat hij zich de laatste tijd steeds minder verheugde op zijn op handen zijnde onsterfelijkheid.

Het alarm dat om hem heen afging, in diverse toonsoorten, maakte hij onklaar.

Nu zou alleen nog een kleine elite op aarde afweten van xXx' status, maar het was altijd weer spannend of ze het nodig vonden om in te grijpen.