90. De liquidatie




Vanaf het moment dat ik C. opnieuw tegenkwam op straat, wist ik dat het moest gebeuren, maar hoe? Waar? Hoe kreeg ik hem op een plek waar dat rustig kon? Het was midden op een doordeweekse dag, het was onmogelijk om hem zomaar dood te schieten zonder dat iemand het zou opmerken. Ik heb nog overwogen om er iemand bij te halen, maar dat zou te lang duren en dan liep ik kans dat C. me opnieuw zou ontglippen.
Bovendien, dit was een privé-wraakneming en het moest een privé-wraakneming blijven.
Ik was C. drie weken geleden gevolgd uit zijn woonhuis met het plan om hem te vermoorden, maar hij kreeg me in de smiezen, vluchtte de markt op waar ik hem uit het oog verloor. Een paar dagen later had ik hem alsnog bijna waar ik hem hebben wilde, maar toen weigerde mijn pistool. Een ongelooflijke afgang.
Dat zou me niet nog eens gebeuren.
C. wandelde samen met zijn vrouw over de stoep alsof er niets aan de hand was. Zijn jaspanden wapperden in de wind.
Het was mild voor de tijd van het jaar, iedereen had zijn winterkleren opgeborgen om weer in dunnere jassen naar buiten te gaan. Ik denk dat dat me geholpen heeft. Het opmerkelijk milde weer stemde overmoedig. C. was overmoedig en ik was overmoedig. Zonder overmoed was het me denk ik niet gelukt.
Ik had nog nooit iemand vermoord en na deze moord zou ik ook nooit meer iemand vermoorden.
Ik zette mijn fiets tegen een boom en liep achter het tweetal aan. Niemand zag me, denk ik.
Vlak voor Huize V., waarvan ik de sleutels had, naderde ik C. van achteren. Ik haalde het pistool uit mijn binnenzak, vergewiste me ervan dat het geladen was, schoof de slede naar achter en zette de dunne, koude loop tegen de bleke nek van C.
'Niet omkijken. We gaan hier zo direct de eerste straat naar links.'
C.'s vrouw slaakte een gilletje.
'Als ik u was' , ik weet ook niet waarom ik u zei tegen de vrouw, 'zou ik maken dat ik wegkwam.' Ze versnelde haar pas, liep een stukje van ons vandaan, daarna was ze verdwenen.
Ik dirigeerde C. naar links de straat in en toen na een pas of tien naar binnen bij Huize V., dat geheel ontruimd was, een bouwval.
'Ga maar daar naast die schouw tegen de muur staan.' Ik was verbaasd over mijn koelbloedigheid. Ik had dit nog nooit gedaan, maar nu ik het deed, voelde het als iets natuurlijks.
'Dit blijft niet zonder gevolgen' mompelde C., die probeerde met zijn overmoed zijn angst de baas te blijven. Het leek wel of hij rekening hield met deze liquidatie, dat hij hem had verwacht, dat hij er in zekere zin naar had verlangd.
'Je hebt mijn vrouw en dochter verraden,' zei ik, met toch nog iets van een trilling in mijn stem.
C. zei niets meer, liet zijn hoofd tegen de muur rusten en sloot zijn ogen.
Ik aarzelde niet. Na het eerste schot, recht in zijn gezicht, ging hij door de knieën, hij zakte langzaam in elkaar. Ik wachtte tot hij helemaal stil op de grond lag. Toen gaf ik hem nog een genadeschot.
Eerst durfde ik hem niet aan te raken, maar toen vond ik in zijn binnenzak zijn identiteitskaart en een portemonnee, die vrijwel leeg was. Ik stopte alles weer terug.
Daarna ben ik naar mijn groep gefietst om te vertellen dat C. dood lag in Huize V.. Er werd nauwelijks gereageerd. Diezelfde nacht hebben R. en ik het lijk in de plomp gegooid.
Na de oorlog ben ik berecht en schuldig bevonden wegens de moord op C., maar ik kreeg geen straf.