83. Life is fragile, when to panic? (VIII)






Lukas had zich tegoed gedaan aan de uitgebreide Indiase maaltijd. Hij had zich volgevroten, hij was aan het bunkeren geweest, het was een schouwspel om die man aan het eten te zien. Het naan-brood verscheurde hij tussen zijn tanden, de dal goot hij naar binnen en de biryani bleef hij maar opscheppen. Dat je dacht: als hij zo doorgaat, ontploft hij niet ongelijk Mr. Creosote in The Meaning of Life.

Er werd weinig gesproken, althans niet door Lukas. Als hij niet at, dronk hij zijn dirty mango lassi, onderwijl mij aankijkend, als om goedkeuring te vragen.

Zijn mond was continu bezig, maar niet met praten.

Frederik was zoals gebruikelijk weer vrij aan het associëren over welk onderwerp dan ook dat toevallig voorbijtrok aan zijn geestesoog.

Ik was het eerste klaar met eten. Hoewel ik me niet vol had gestouwd, voelde het alsof mijn maag als een ballon was opgeblazen en ieder moment kon knappen. Pous sprong bij me op schoot en spinde; dat deed ze niet zo vaak, zou het, dat ze zich op haar gemak voelde bij onze zelfverklaarde levenseindebegeleider?

Ik pakte mijn telefoon en verstuurde een bericht aan Lester, of hij morgen wilde komen, dan kon hij Lukas ontmoeten, een oud studiegenootje van me. Misschien kunnen jullie samen gaan schaatsen of zo.

Leuk, antwoordde Lester, met vijf uitroeptekens.

Tien over half negen in de avond was het inmiddels.

Alsof Frederik mijn gedachten kon lezen, zei hij: 'En meneer Lukas, waar had u gedacht de nacht door te brengen? Toch niet naast Paradiso? Het gaat vijftien graden vriezen. Dat willen wij niet op ons geweten hebben.'

Awkward stilte. Lukas antwoordde niet, maar beet in een stuk papadum, en daarna nog eens. We luisterden naar het gekraak van de papadum die door Lukas' kaken werd vermalen.

Frederik legde zijn bestek naast elkaar, ten teken dat hij wilde dat iemand, ik dus, zijn bord afruimde, alsof hij niet thuis, maar in zijn favoriete Indiase restaurant at, leegde daarna zijn biertje en haalde zijn eigen telefoon tevoorschijn uit de zak van zijn eeuwige tweedjasje. 'Ik bedoel, eh, avondkloktechnisch. Als je nog naar een hotel op zoek bent... het Amstel is hier schuin tegenover, ik zal eens kijken wat een kamer doet heden ten dage.'

Dat deed Frederik wel vaker, de kamerprijs in het Amstel checken. Hij had een theorie hoe de going rate een indicator was voor de gezondheid van de stad, het vertrouwen in de economie, een graadmeter voor de crisis, enzovoorts. Als de prijs voor een overnachting in de eenvoudigste kamer van het Amstel onder de tweehonderdvijftig euro zakte, dan waren de rapen gaar. Dan werd het oorlog. Daar was deze hoogleraar heilig van overtuigd.

'Heb je driehonderdvijfenzestig euro? Dan kun je vanavond pijnloos inchecken... wat heb je liever, uitzicht op de rivier of uitzicht over de stad? Let wel, op de Amstel vaart niemand en in de stad is niets te doen.'

Lukas pakte een nieuwe papadum van de stapel, doopte hem in een van de sauzen en stak hem soeverein in zijn mond.

'Hè Frederik,' zei ik, 'doe eens niet zo flauw.' Ik duwde Pous van mijn schoot af en stond op om de tafel af te ruimen en thee te zetten.

'Ik doe niet flauw. Ik geef jouw diplomatenvriendje wat opties.' Hij wendde zich opnieuw tot Lukas. Over zijn bril heenkijkend las hij van zijn schermpje: 'Hotel Flipper kost je vierentwintig euro en zevenenvijftig cent. Dat is de goedkoopste kamer in Amsterdam. Geen schoenpoetsservice, zoals in het Amstel, maar wel overlast van dronken of gedrogeerde gasten... Die zevenenvijftig cent ontroert me...' Hij borg zijn telefoon weer op. 'Die prijs is trouwens exclusief drie euro toeristenbelasting, maar die willen wij wel voor je ophoesten.'