Onze corona in het pre-corona-tijdperk

René Louis de Voyer de Paulmy d'Argenson


Het is weer zover. Luizen. De moeder die alles moet doen neemt een voor een de koppen van de van haar afhankelijken en die van haarzelf onder handen met de bekende kam in het yoghurtbakje gevuld met water. Elke ochtend grondig onderzoek. Elke luis wordt subito verzopen.
Au. Klaar?
Nee! Blijf zitten!
Vooralsnog hebben we alleen dikke vette luizen. Geen kindjes of eitjes. Maar wat niet is kan nog komen. Onze hypothese luidt dat de kinderen zijn aangestoken door Nina in het parkje. Aangezien luizen alleen verhuizen bij aanraking – in tegenstelling tot vlooien springen luizen niet, maar ze lopen – mag uit onze 'besmetting' worden afgeleid dat onze kinderen zich niet houden aan Ruttes anderhalvemetersamenleving, maar dat hoeven zij geloof ik ook niet.
Luizen, bedenk ik niet zonder nostalgie, was onze corona in het pre-corona-tijdperk. Je moest het te allen tijde zien te voorkomen. De plaag gedroeg zich als een virus. De vraag was altijd wie het had, en wie wie had aangestoken. Zekerheid bestond niet, je had alleen vermoedens. Vaak waren de makkelijkste vooroordelen fout (zoals: zus en zo wast zijn haar nooit, dus die zal het wel hebben.) Je kon luizen hebben zonder het te weten en ze overdragen op anderen. Je kon eitjes hebben zelfs al was je geplozen en luizenvrij verklaard. Het omgekeerde kon ook: luizen werden aangetroffen, maar je had nergens last van.
Mijn politiek, die, toegegeven, uit luiheid voortkwam, was: laissez faire. Laat duizend luizen jeuken. Ga niet alle kleren en lakens en jassen wassen op hoge temperaturen; ga niet alle kapsels doordrenken met peperdure anti-luizenlotion, maar doe niets.