De verliefdheid in de lucht

Ed van der Elsken: Vali Meijers voor haar spiegel (1953)

De balts blijkt sterker dan het virus. De bloemetjes en de bijtjes houden geen anderhalve meter afstand. De feromonen gaan door het mondkapje. Ik geef toe, mijn bewijsmateriaal is dun, maar het was vrijdag, het begin van de 'vakantie', wat dat ook moge betekenen, het was weer een van die gekmakend staalblauwe dagen, en het leed geen twijfel: de verliefdheid hing in de lucht. Eerst, tegenover het Portugese luxehotel, fietste ik in een flits Oppas 1 voorbij, een stoer meisje met een ontwapenende lach en een beugel. Ze hing over het stuur van haar fiets. Tegenover haar de jongen, die ook over het stuur hing van zijn fiets. Hij ging schuil achter/onder een hoodie. Maar ik had de blik van Oppas 1 opgevangen. Je hebt aan een blik genoeg om vast te stellen dat de verliefdheid heeft toegeslagen. Het is dat mengsel van verlegenheid en driestheid, van terughoudendheid en baldadigheid, die fonkeling van verlangen, ook naar de verliefdheid zelf.
Honderd meter verderop zat Oppas 2, op een bankje (waar zou de verliefdheid zijn zonder bankjes?), ze steunde met haar elleboog op de rand terwijl de hand door haar haar ging; schuin tegenover haar de jongen. Misschien was het geen jongen, het zou aardiger zijn geweest als het geen jongen was, in meerdere opzichten. In een oogopslag wist ik dat ook Oppas 2, even oud als Oppas 1 (zestien, zeventien), zij het met een complexere achtergrond (Amerikaanse ouders, haar moeder hertrouwd, ze hebben er net een baby bij) diezelfde gelukzaligheid uitstraalde, dat gevoel helemaal op te gaan in het hier en nu en het jij en ik, het gevoel dat het leven eindelijk op het punt staat te beginnen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten