Honderd verhalen in honderd dagen, 21. Achterwaarts!



Bruno had niet kunnen bevroeden dat wat ooit was begonnen als een grap kon uitgroeien tot zoiets groots en ernstigs als een wereldwijde beweging.

'Wedden dat jij niet een hele dag lang achteruit kunt lopen?' vroeg hij zich als kind hardop af, terwijl hij nog in bed lag.

Hij deed weer eens een weddenschap, hij deed graag weddenschappen, maar nu met zichzelf.

Het was een zaterdag dus dat kwam goed uit, want er waren weinig verplichtingen, behalve dat hij moest hockeyen. Het zag er raar uit, tegen de regels ook omdat hij met de bolle kant sloeg. Al gauw werd hij door zijn coach van het veld gehaald.

'Wat is er met jou?' vroeg deze.

'Niets, met u?'

'Ga maar naar de kleedkamer.'

Bruno liep achterwaarts naar de kleedkamer, wuivend naar zijn medespelers.

Toen hij er in slaagde om de rest van de dag, totdat hij naar bed ging (achterwaarts naar en in bed stappend, inderdaad), zijn belofte gestand te doen, had hij er zoveel aardigheid in gekregen dat hij de volgende dag zijn kunstje herhaalde. De dag daarop wilde hij wéér, maar dat was een schooldag. Niet iedereen op school viel zijn nieuwe manier van lopen op, maar de mensen die het opviel, schudden hun hoofd of lachten. Een paar volgden zijn voorbeeld.

Zijn ouders begonnen zich zorgen te maken toen de rector van de school belde.

'Waarom doe je dit?' vroeg zijn moeder die avond aan tafel.

Bruno haalde zijn schouders op. 'Ik vind het, gewoon, wel leuk, geloof ik.'

Na twee weken werd de hulp ingeroepen van een fysiotherapeut maar die kon weinig uitrichten. Met Bruno's fysiek was niets mis. De fysiotherapeut probeerde hem subtiel te verleiden weer vooruit te gaan lopen, en ook minder subtiel, door bijvoorbeeld achter hem te gaan staan en hem ineens een duw in zijn rug te geven, maar daar trapte de jongen niet in.

Toen Bruno zijn achterwaartse gang een maand lang had volgehouden, samen met een groeiende groep medescholieren, werd op advies van de rector een afspraak gemaakt bij de psycholoog.

'Bruno, ben je niet bang dat je ergens tegenaan knalt,' vroeg deze, toonloos, over haar bril heen.

'Rijd u wel eens achteruit in uw auto?'

De psycholoog moest beamen dat zij dat wel eens deed.

'Bent u dan bang ergens tegenaan te knallen?'

De psycholoog gaf geen antwoord. Ze schreef in haar rapport dat Bruno misschien een aparte jongen was maar verder niets mankeerde en zij adviseerde zolang er geen klachten waren, hem gewoon zijn gang te laten gaan. 

Een jaar later had Bruno zijn naam veranderd in O'Nurb en trok hij zijn broek en trui en jasje achterstevoren aan. Een fan had hem opgegeven voor het Guinness Book of Records. Zijn ouders schaamden zich diep, maar O'Nurb vond het 'best wel leuk'. 'Misschien,' zei hij, 'kan ik hier mijn beroep van maken.' Zijn vader huiverde.

Het werd tijd voor de psychiater, Lacan heette hij (geen familie), maar aangezien het lemma voor 'achterwaartse tred' ontbrak in de DSM en het farmaceutisch industrieel complex er nog geen been in had gezien om een serie pillen te ontwerpen ter bestrijding van deszelven, kon Lacan weinig voor de jongen, of beter gezegd, zijn ouders, betekenen.

'Je bent dwars,' concludeerde Lacan, toen ze afscheid namen, met een glimlach.

O'Nurb schudde zijn hoofd. 'Ik loop achteruit. Zou u ook eens moeten proberen. Wilde u vroeger als kind niet ook het liefst in de achterbak? Voelt u zich ook niet prettiger op het achterdek van een schip?'

Lacan wees met de poot van zijn hoornen bril naar zijn patiënt. 'Jij, O'Nurb, kijkt liever naar waar je geweest bent dan waar je naartoe gaat.'

'Dat hebt u scherp gezien. Mag ik gaan?'

Lacan grinnikte. 'Pas op dat je niet op je achterhoofd valt.' 

'Pas op dat u niet tegen de lamp loopt.'

Op school vormde O'Nurbs deviante tred vooral een probleem bij de gymles. Voor teamsporten, rugby uitgezonderd, bleek zijn manier van lopen ongeschikt; hardlopen idem dito, maar bij duurlopen daarentegen, met name op de 1500 meter, bleek hij scherpe tijden te halen, bijna scherper dan Imre, het meisje met de slechtste conditie maar verrukkelijkste glimlach, op wie hij hopeloos verliefd werd.

Zij had ook wel weer eens zin in iets anders.

Het zag wonderlijk uit, dit tweetal: Ermi (ook zij wijzigde spoedig haar naam) liep door het park en O'Nurb liep voor haar uit, achterstevoren. Zo konden ze elkaar heerlijk in het oog houden en kussen zonder stil te hoeven staan. Ermi waarschuwde haar nieuwe vriendje voor een naderende boom of lantaarnpaal door zachtjes in zijn tong te bijten of hem een liefkozend kopstootje te verkopen.

What else? O'Nurbs schoenen sleten anders, net zoals de schoenen van steeds meer mede-achteruitlopers.

Toen Ermi op een ochtend ook achterwaarts aan de ontbijttafel verscheen met een zonnebril op haar achterhoofd en op weg naar school achterop sprong bij O'Nurb op de fiets – hij zat op het stuur en fietste inmiddels moeiteloos achterwaarts, maar met haar achterstevoren achterop was geen gesprek mogelijk – besloten zowel de ouders van Ermi als die van O'Nurb opnieuw een bezoek te brengen aan psychiater Lacan, die inmiddels contact had gezocht met Amerikaanse vakgenoten.

Reverse moving disorder, not otherwise specified, luidde de diagnose.

De ouders van Ermi en O'Nurb waren verheugd over het label maar op medicatie moest nog worden gewacht.

'Dus jullie weigeren gewoon te doen?' vroeg Lacan, zijn handen gevouwen voor zich alsof hij bad. 'Zonder rekening te houden met de gevolgen?'

Het verliefde tweetal knikte, vrijwel simultaan, alsof ze het hadden afgesproken. 'Wie zegt,' sprak O'Nurb plechtstatig, 'dat wat jullie doen niet ongewoon is?'

'Proberen jullie de film van het leven terug te draaien?' ging Lacan onverstoorbaar verder.

'Tijd kent geen richting,' zei Ermi, filosofisch. 'Omdat iedereen al eeuwen, duizenden jaren zo doet, betekent niet dat het juist is,' vulde Ermi aan. 'Dat is David Humes is-ought problem. Ik bedoel, de mens is op een gegeven moment ook rechtop gaan lopen.'

'Verdorie nog aan toe,' riep de vader van Ermi door de spreekkamer, opstaand uit zijn stoel. 'Wanneer is het een keertje afgelopen met die flauwekul?'

'Jullie spelen met vuur,' zei de moeder van Ermi, berustend, jaloers bijna.

'Maar steeds meer mensen doen het,' fluisterde de vader van O'Nurb. 'Het is om gek van te worden.'

Na afloop van het bezoek aan de psychiater liepen de ouders de ene kant op en O'Nurb en Ermi de andere. 'Als zij ook achteruit hadden gelopen hadden we elkaar nog kunnen groeten,' zei Ermi, toch nog een tikkeltje bedroefd.

Stiekem hoopten de ouders op een ongeluk – niet te groot natuurlijk, een klein maar fijn ongelukje – dat hun kinderen tot inkeer zou brengen, maar dat ongeluk bleef uit. De enige uitdaging voor het verliefde, achteruitlopende duo bleef rondslingerend vuil en door de stoep brekende boomwortels. In nieuwe omgevingen, of waar het heel druk was, gebruikten ze een spiegel. Een keer, in de zomer, liepen ze de sloot in, maar dat was met opzet.

Inmiddels was de achteruitlopende horde tot revolutiesterkte aangegroeid. Wereldwijd werd er achteruitgelopen. Uiteindelijk moest iedereen eraan geloven, en nu kan niemand zich meer voorstellen dat het ooit anders is geweest.