Honderd verhalen in honderd dagen: 17. Laatste bladzijde uit het dagboek van een snottebel


Vanochtend voelde ik mezelf komen. Ik wist: dit wordt de dag. Ik voelde plankenkoorts, opwinding, hier stond iets groots te gebeuren. Ik zou eindelijk gaan debuteren, mijzelf aan den volke tonen. Het werd het rechtergat, voor de kijker links. Dat was mijn lot. Rechts, niet links. Ik kon nog zo graag willen het linkergat te verlaten, maar dat ging niet lukken. Wijt het aan het tussenschot.

Ik manifesteerde mezelf, hing aan de binnenkant van de neusvleugel en voelde dat we ons haastten naar de WC, we waren amper aangekleed, voor het halen van een wc-papiertje. Twee velletjes, zag ik, werden er voor mij afgescheurd. Ik was vereerd. Anderen hebben het met een velletje moeten doen, of zelfs een hoekje daarvan.

Van de hoogste kwaliteit ook nog, eco enzovoorts.

Er werd afgepoetst, niet opgeveegd of weggesmeten. Er werd niet gesnoten, alleen licht gesnoven, goddank. Er was nog hoop.

Waar ging ik zolang naar toe? Terug naar de slijmvliezen. Daar heb ik nog een paar uur gezeten, tot de middag eigenlijk, toen we opeens buiten waren, het was koud, mistig en koud en toen voelde ik de neiging mij weer te manifesteren.

Wijt het aan de zwaartekracht.

We stonden voorovergebogen, ja, dan gaat alles makkelijker, dan vloei ik, dan ben ik in mijn element, als een bowlingbal op zijn weg naar de kegels.

Plotseling werd ik overvallen door paniek. Wat als ik helemaal los zou komen van mijn gat, wat als ik zou vallen? Zeker, er was een draad die me zou volgen, of in elk geval mijn val zou vertragen, maar die draad zou mijn val niet kunnen tegenhouden. Op zeker moment zou ik het o zo gevreesde point of no return bereiken – dat wil zeggen, er zou nog zo hard gesnoven kunnen worden, er zou nog zoveel zuigkracht uit kunnen gaan van dat gat achter me, boven me, maar ik zou niet meer luisteren, als een kind dat wegloopt, ik zou voor altijd verloren zijn. Ik moest en zou geboren worden, losgelaten in de grote boze buitenwereld.

Waar was de zakdoek als je hem nodig had? Waar was een stukje wc-papier – 1 velletje hadden we maar nodig, 1 velletje was afdoende om deze ramp te voorkomen – maar er kwam geen zakdoek, ook geen velletje, zelfs geen wijsvinger of rug van een hand.

Ik stortte ter aarde.