31. De man zonder ambitie (V)


Valery Domasov lag in zijn grote, hoge hemelbed te woelen. Linkerzij, rechterzij, enzovoorts.  Hoe deden mensen dat? Hij opende de ogen, knipte het licht aan en zag op zijn horloge dat het vijf uur was. Vijf uur! Een gruwelijk tijdstip. Het uur van de wolf, the dead of night, le coeur de la nuit... verschillende manieren om hetzelfde te zeggen, namelijk dat het niets meer werd, dat alle hoop was verloren, dat je er net zo goed een einde aan kon maken. Dus dat deed Domasov. Hij stond op, deed zijn kamerjas aan en waggelde geeuwend, zich door zijn krullen krabbend, naar het raam en keek door de gordijnen. Het mysterie van de nacht. De besneeuwde, platgestampte stad was verlaten, de straatlantaarns wapperden doelloos in de wind. Of, wacht even, er stond een groepje mensen rond een limousine. Ze praatten druk en hevig gebarend met elkaar, ondanks de kou (het vroor behoorlijk), maar er viel vanuit kamer 696 geen chocola van te maken.

Domasov schudde zijn hoofd. Waar had hij nu weer ja tegen gezegd? Tegen de afspraak die Tjersjev voor hem had gemaakt, morgen – nee, vandaag, godbetert – om twaalf uur, op de ijsbaan. Hij had tegengesputterd, maar Tjersjev was vastbesloten: wilde zijn vriend indruk maken op de rijke dame die Tjersjev voor hem had opgetrommeld en die in zijn levensonderhoud zou gaan voorzien (haar naam was Tatyana, en ze was vermogend, meer mocht hij niet weten, anders 'bedierf de liefde'), dan was het van het allergrootste belang om dat te doen op de ijsbaan.

'Op de ijsbaan lukt alles,' had Tjersjev hem voorgehouden.

Domasov wierp zijn worstige armen in de lucht. 'Maar ik kan helemaal niet schaatsen!'

'Iedereen kan schaatsen. Anders pak je een stoel.'

'Waarom moet alles bij jou altijd zo ongelooflijk ingewikkeld zijn, Ivan?'

'Denk aan wat er tegenover staat. Heb ik je ooit teleurgesteld?'

Domasov had geen alternatieven. Zeker, de directeur van het hotel, Chroetsjin, had hem met een wegwerpend gebaar drie maanden uitstel van betaling toegezegd, maar dan nog. Drie maanden waren, op het grote geheel, helemaal niets.

Peinzend bestudeerde hij het groepje beneden op straat. Een man met een woeste baard en een woeste haardos, een soort wilde, die echter wel een nette jas droeg, was vrijwel continu aan het woord. 'Wat doen die lui daar?' zei Domasov hardop tegen het raam. 'Zijn dit dezelfde lui die een paar dagen geleden dat opstootje veroorzaakten?'

Moest hij de politie bellen?

Eerst maar eens naar de WC.

Of moest hij, zijn hart begon, terwijl hij waterde, sneller te kloppen bij het vooruitzicht, zijn jas en laarzen aanschieten, naar buiten lopen en eens informeren? Misschien wist de man met de baard wel raad, misschien wist hij wel een uitweg uit zijn financiële impasse!

Wat had hij te verliezen?

Domasov griste een flesje wodka van een tafel, deed die in zijn binnenzak en verliet zijn hotelkamer.