22. Niemand beschermt zijn hart



Die zondag, 13 oktober 1940, begin van de middag, liet ik Winston uit – voor de tweede keer, die dag. Ik weet niet wat het met hem was, hij wilde heel graag opnieuw uitgelaten worden. Hij was echt heel onrustig, blafte, sprong tegen me op. Maria vond het overdreven dat ik hem weer zijn zin gaf, hij was immers nog geen twee uur geleden uit geweest, maar ik vond het niet erg om nog eens naar buiten te gaan. Ik ga graag naar buiten. Je zou zelfs kunnen stellen dat ik een buitenmens ben. Wat dan meteen weer de vraag oproept wat ik in de stad doe, maar dat doet hier niet ter zake.

Ik trok mijn regenjas aan, deed Winston zijn riem om en opende de voordeur. Het was rustig. Geen wind. Ook geen zon. Het regende ook niet. Nog niet. Ik sloeg zoals altijd rechtsaf naar het pleintje.

Ik heb wel eens berekend hoe vaak ik dit wandelingetje gemaakt heb. Iets van zesduizend keer.

Ik verwachtte dat Winston meteen een grote boodschap zou doen maar nee. Alleen de gebruikelijke plasjes. Het viel me op dat ik de enige was die op dit tijdstip zijn hond uitliet; vanochtend had ik nog staan kletsen met de eigenaar van Jozef (ik ben vergeten hoe hij heet, ik onthou alleen hondennamen), en wij samen hadden nog een andere hondenbezitter mogen begroeten (Franklin), maar nu: niemand. Ik besteedde er niet veel aandacht aan. Ja, later wel dus, maar nu niet.

Om het aangename met het nuttige te verenigen besloot ik langs te gaan bij het semi-illegale bioscoopje, informeren wat er op het programma stond vanavond. Ik had zin in een film. Om heel eerlijk te zijn heb ik altijd zin in een film en het kan me niet zoveel schelen wat er draait. Dat komt, ik houd van bewegende beelden en ook het bij elkaar zitten in het donker. Maria gaat nooit mee. Van haar mag ik een keer per week.

Ik vroeg de man van het bioscoopje hoe of wat. Hij noemde me de titel. Die ben ik vergeten. Ook de acteurs, de regisseur, het zei me allemaal niets, terwijl ik toch best vaak naar de film ging en me voor het getoonde interesseerde. Ik kocht een kaartje voor de voorstelling van acht uur. Eén gulden. Het verheugen kon beginnen.

Ondertussen was Winston achter me aan het blaffen naar iets in de lucht. Nee, dit moet ik er later bij hebben verzonnen, maar goed. Hij blafte. Er klonk gerommel in de wolken. Toen hoorde ik iets suizen, precies zoals je je voorstelt (hier kun je je ook afvragen of het suizen was dat ik hoorde of toch iets anders), alleen werd dat suizen steeds luider en luider en je zult het niet geloven, maar toen ik omhoog keek, ik was alweer een flink stuk op weg naar huis, de man van het bioscoopje had de deur gesloten, die zat veilig binnen, hem kon niets gebeuren, en verder was er 'dus' ook nog steeds niemand op het plein – goed, het was een zondag, dan is het sowieso rustig, maar er waren ook geen kinderen aan het spelen, er was niemand, alsof ze het voorvoeld hadden of erover gehoord hadden, maar ik had geen tijd meer om me te verbazen over de stilte, want de stilte werd vernietigd door keihard geraas, recht boven mijn hoofd, zo leek het, zo luid en zo veelomvattend dat ik meteen wist dat wegrennen of schuilen allang geen zin meer had, ik was nu overgeleverd aan de statistiek, aan de kansberekening, aan de ballistiek; het enige wat ik nog doen kon was een dakje maken met mijn armen boven mijn hoofd, een armzalige beschutting, dat begrijp ik ook wel, maar je moet wat, je instinct vraagt je om je schedel en je gezicht te beschermen, niet je hart, niemand beschermt zijn hart, en toen een diepe, doffe dreun als van een enorme, omvallende boom.

Ik lag op de grond, in elkaar gedoken, met mijn wang tegen de trottoirtegel. Er gingen vrijwel meteen sirenes af. Leefde ik nog? Mijn dijbeen deed hevige pijn en volgens mij kwam er bloed uit, maar mijn hoofd zat er nog op en ik kon nog ademen en nadenken.

In paniek richtte ik me op en keek om me heen.

Winston?