Controle (slot)

Marjorie Noë on Twitter: "Strandleven in de winter #Castricum ...


'U stoort ons met uw niet terzake doende overwegingen,' zegt U 2.

'Of u grijpt in, of u laat het gebeuren. Aan commentaar op de gang van zaken hebben wij niets. Wij niet, en N. en O. denkelijk ook niet.'

Dit laat ik even bezinken, ik loop nog niet meteen weg, hoewel Ali wel al achter een andere hond aan is gegaan, een grote hond, zo'n breedgeheupte mastiff, met een scrotum ter grootte van een mango. Als ik die hond bij me had gehad, die bijthond, en niet Ali, dan had het geheel anders, akeliger kunnen aflopen. Terwijl ik toekijk hoe de capsule in de keel van O. wordt aangebracht, – zodra de capsule in de keel ligt, laat U 1 haar rechtopzitten om hem zijn weg te kunnen laten vervolgen door het spijsverteringskanaal – vraag ik me hardop af: 'Wie controleert de controleurs?'

U 2 kijkt op haar computertje, richt die op mij, en leest dan een waarde af op het scherm. 'Hij ook,' zegt ze tegen U 1.

'Heb je de injectie klaar?'

'En de hond dan?'

'Die redt zich wel, for the time being.'

N. probeert aan te geven dat hij en O. prima het likhondje onder hun hoede kunnen nemen als het inderdaad een likhond is, maar hij krijgt de gelegenheid niet om het te overleggen met O., want die is onder zeil. Ze rolde kort met haar ogen en viel daarna plat op haar rug neer. N. protesteert, maar zijn protest klinkt zwak, alsof hij er zelf niet in gelooft. 'Meneer!' roept hij tegen mij. 'Pas op, hij steekt een injectienaald in je been!'

Ongelooflijk hoe snel dit gaat. De naald zit er al in. Ik voel hoe een stofje zich door mijn bloedbaan verspreid, het doet me denken aan de eerste slokken alcohol op een nuchtere maag, de lichte bedwelming die daarvan uitgaat. Niet onplezierig, moet ik helaas vaststellen.

Ik voel hoe mijn karkas kantelt, hoe mijn knieën knikken, en ik langzaam als een zinkend schip op het strandzand neerdaal. Maar nog steeds kan ik niet zeggen dat het akelig is. Vreemd maar niet akelig. Ik kan niet anders concluderen dat ik ben gecontroleerd en dat men stappen heeft ondernomen; ik ben benieuwd waar ze mij wakker zullen laten worden. Raar dat ik geen woede voel. Ik voel alleen wat ongemak over dat ik Ali kwijt dreig te raken, want energie om hem te roepen heb ik niet meer, voor de rest overheerst de dankbaarheid.


Controle (4)


Strand | Alipobiolog

Net als U 2 O. tegen het strandzand werkt, op haar rug, haar in een houdgreep op haar plaats houdt, zodat U 1, die N. onschadelijk heeft gemaakt met een simpele tie wrap om zijn polsen, haar een capsule kan toedienen – de capsule dient in de keel voorbij de slikreflex te worden ingebracht om inname te verzekeren – sta ik op van mijn handdoekje om me met een ander te bemoeien. Ik heb Ali bij me, mijn Jack Russell, van wie eerder een vertederende dan een dreigende werking uitgaat, maar toch. Ik ben niet alleen. Het voelt goed om niet alleen te zijn.

'Mag ik vragen wat hier aan de hand is?' Ik moet de vraag herhalen, omdat hij de eerste keer niet goed uit de verf komt. Ali steekt zijn snuit in een half zandkasteel en begint te graven.

Met de capsule nog in een pincet boven het mondgat van de op haar rug gefixeerde O., kijkt U 1 naar mij op. Het meerendeel van de strandgasten is, als bij toverslag, verdwenen. Misschien omdat de strandtent gesloten is. Misschien omdat het nu snel donker wordt.

'En uw probleem is?' vraagt U 2, opkijkend vanuit haar liggende houding.

'Mijn probleem is dat het verhaal te tweedimensionaal is, als u begrijpt wat ik bedoel. Ik zie een partij die overduidelijk een slachtofferrol inneemt, en een partij die een daderrol inneemt.'

N. kijkt me verontwaardigd aan. 'Waar heb je het over? Schiet je ons te hulp of niet?'

Ali heeft een plastic schepje uit het zand opgediept, een geel geval, gaat tevreden liggen met zijn voorpoten vooruit en begint op het ding te knauwen.

'Ik zou willen dat er meer kanten aan de zaak zaten. Er zitten altijd meer kanten aan de zaak, maar ik kan de kanten hier niet vinden, ik wil ze toevoegen.' Het is frisjes geworden, ik had toch een trui mee moeten nemen.

'Hè hè,' zegt U 1 tegen U 2. 'Een dimensie-toevoeger.' En tegen mij: 'En uw hond heeft ook een functie in het theater of operations?'

'Die is voor de lichte toets,' zegt O., die, omdat de capsule-inbreng vooralsnog is stilgelegd, nu weer kans ziet om deel te nemen aan het gesprek. 'Je hebt bijthonden en je hebt likhonden, dit lijkt me een likhond. Als het een bijthond was geweest, dan had dat gevolgen gehad voor de toets. Dan was er geen sprake van een lichte toets.'

'Ali likt datgene af,' breng ik naar voren, 'wat hij zojuist gebeten heeft.'


Controle (3)



O. staat op, probeert wapperend met de handen de aandacht van de kustwachters te trekken, twee opgeschoten knullen die hoog boven op een aluminium stoel zitten (zo een die ook wel wordt gebruikt bij tennis door umpires). Maar de kustwachten kijken recht voor zich uit, als wassen beelden, naar de zee die overigens absurd kalm is en niets vertoont in de zin van mui- of andere stromingen die een gevaar zouden kunnen vormen. Bovendien zwemt er helemaal niemand in de zee op dit moment en zijn er zelfs geen kite-surfers.

Ze wil wat roepen, O., om haar hulpvraag kracht bij te zetten, maar iets belemmert haar het uitstoten van een klank door haar mondopening: het is de gehandschoende hand van U 1. Ze briest door haar wijd opengesperde neusgaten, maar meer dan wat neurie-achtig gebrom en gekreun weet ze niet voort te brengen.

N. Wie zijn uw superieuren? Door wie bent u gestuurd? Wat betekent Controle in hemelsnaam? Ik ken veel instanties, en veel autoriteiten, maar hiervan heb ik nog nooit gehoord.

U 2 heeft inmiddels een apparaat van haar heup gehaald dat nog het meest lijkt op een bestel-automaat van een ober. Maar ze neemt geen bestellingen op, of het moeten anti-bestellingen zijn. (tegen U 1, die ondanks zijn dwanghouding een ontspannen indruk wekt) Zullen we eerst de capsule doen en daarna de injectie of andersom?

N. (tegen U 2) Ik eis een identificatie! Dit is staatsterreur pur sang – even aangenomen dat jullie ambtenaren zijn.

U 2 (glimlacht) Waarom denkt u dat wij ambtenaren zijn?

U 1 (haalt zijn hand van O.'s mond, omdat er geen geluid meer uit komt). Meneer leeft in de veronderstelling dat er niet zoiets als (maakt aanhalingstekens in de lucht) 'private controleurs' kunnen bestaan, dat bedrijven niet ook functies kunnen uitvoeren die voorheen door overheden werden uitgevoerd.

N. Ik leef in geen enkele veronderstelling, ik wil alleen dat dit stopt. Ik eis nu mijn ID terug en ik ga jullie zo snel mogelijk aangeven.

U 1 en U 2 maken een vreugdedansje van plezier. U 1: Bij wie dan had u ons willen aangeven? En wat hebben wij precies misdaan? Wij zijn hier voor jullie.

De zon is inmiddels ondergegaan. Het lijkt alsof er een sluier over de wereld is gevallen.

 



Controle (2)


O. (lacherig, alsof ze aangeschoten was, tegen de geüniformeerden) Ik zou graag willen dat jullie uit ons uitzicht verdwenen. Jullie blokkeren ons uitzicht.

U 2 Dat horen wij vaker. (Tegen U 1) Wil je dat ik hem bij zijn oksels pak? Van achteren, zeg maar? Dat ik hem optil uit zijn stoel.

U 1 Wacht. Ik vraag het nog een keer. (Tegen N.) Uw naam alstublieft.

N. Mijn naam mag je hebben, daar heb je toch niets aan.

U 1 Uw woorden! Maar hij luidt?

N. geeft zijn naam, zijn geboorteplaats en datum, en overhandigt meteen het bewijs daarvan in de vorm van een plastic kaartje. Hij realiseert zich dat hij dat kaartje nog nooit heeft laten zien, laat staan op het strand.

U 2 houdt een ziplockbag open waarin N. zijn kaartje deponeert.

U 1 Hoe lang bent u hier al? Ik weet, wij hebben de vraag eerder gesteld maar we hebben nog geen antwoord mogen krijgen, hè hè.

U 2 Nee. Hè, hè. Wij luisteren. Hè hè.

Als die twee nog een keer hè hè zeggen, denkt N., doe ik ze iets.

O. (amicaal) Wij zijn vlak voor de zonsondergang hierheen komen lopen, en hopen na de zonsondergang weer weg te gaan, maar als dit nog veel langer gaat duren, deze idiotie, dan missen we alles.

U 1 Idiotie. Morgen is er weer een zonsondergang.

U 2 En de kans dat de dag erna de zon opnieuw zal ondergaan is eveneens vrij groot. (Snuit haar neus vrij luid, ze toetert een paar keer 'idiotie'.)

U 1 (tot N.) Nogmaals: wilt u gaan staan.

Voordat N. opstaat kijkt hij om zich heen, alsof hij zich schaamt voor zijn gehoorzaamheid, maar de andere badgasten lijken N. en O. niet op te merken, noch de Controle-figuren die zich over hun geval hebben gebogen. De zonsondergang is nu dusdanig gevorderd, dat de windmolens in zee zich als skeletten aftekenen tegen de oranjegele achtergrond.

U 1 trekt één zwart-latex handschoen aan – aan zijn linkerhand. Hij is dus links, kan O. niet nalaten op te merken. U 1 balt zijn vuist, met de handschoen aan lijkt hij nog het meest op de kop van een enorme dildo, en stompt N. werktuigelijk in N.'s maag.  Hoewel N. de stomp aan zag komen, hij zag hem aankomen als geen enkele andere stomp, verzuimde hij zijn buikspieren aan te spannen om de klap op te vangen.

U 2 (tegen U 1) Dat voelde goed?

U 1 Zeker, zeker, maar ik weet niet of het voldoende is.




Controle

Foto 65453 - Zonsondergang | Ronald van Wijk Fotografie


Een overvol strand. Ondergaande zon. Een zacht briesje. Een man, laten we hem N. noemen, zit nietsvermoedend met zijn vrouw, O., op een strandstoeltje van een van de laatste zomervakantiedagen te genieten. Ze drinken water, dat is het enige wat ze mee hebben genomen van huis; ze zouden graag iets bestellen bij de strandtent maar daar staat een lange rij.

Twee figuren, beiden in grijze uniformen met daarop de tekst CONTROLE komen voorbij, voorzichtig maar gedecideerd tussen het strandvolk door navigerend op stevige schoenen.

De man en de vrouw kijken even op naar deze geüniformeerden, maar niet lang. Dan draait het tweetal geüniformeerden om naar N. en O.. Ze gaan recht in de zon staan, waardoor ze vanachter worden belicht en hun gezichten nauwelijks te zien zijn.

UNIFORM 1 (tegen de man in de strandstoel) Goedendag, mag ik uw identiteitsbewijs zien.

N. Mijn identiteitsbewijs? Waarom?

U 1 Omdat wij u vragen dat te laten zien. Hoelang bent u hier al?

O. Wat is dit?

U 2 (tegen O.) Wij stellen hier de vragen, u geeft de antwoorden. Dat is de taakverdeling. Heel ingewikkeld is het niet.

O. Wat een onzin! Wij –

U 1 (tegen N.) U wilt niet meewerken? Hebt u geen identiteitsbewijs?

N. Toevallig wel, toevallig heb ik wel een identiteitsbewijs, maar al even toevallig heb ik geen enkele behoefte dat aan u te laten zien.

U 2 (tegen U 1) Toch niet weer hè.

U 1 (tegen U 2) Het lijkt er wel op. (Tegen N.) Als u niet meewerkt zijn wij genoodzaakt stappen te ondernemen.

N. (tegen de strandgast naast zich) Weet jij misschien wat hier gebeurt?

(Strandgast reageert niet)

O. (vooroverbuigend, tegen andere strandgast) Hallo?

U 1 (tegen O.) Wilt u deze strandgast erbuiten houden alstublieft. (Tegen N.) Wilt u gaan staan?

(Wordt vervolgd.)


 

Zwembadgevoel


Afgezien van een bejaard stelletje en Koos Koets, die met zijn rug naar mij toe zit, ben ik denk ik de oudste aanwezige op zwemplek Marineterrein. Ik geniet van mijn onderdompeling in de jeugd en wat Andreas Burnier noemde het 'zwembadgevoel'. Dat is een voyeur als mijzelf wel toevertrouwd. (Een schrijver die geen voyeur is hoef ik niet te lezen.) Rechts van mij bevindt zich een viertal badgasten dat in het bijzonder mijn aandacht heeft getrokken. Baas is een zwaar getatoeëerd atletisch type (zo een met spiertieten), zijn haar is van achter opgeschoren, maar van voor zit er een kuifje. Baas houdt de wacht met zijn telefoon in de hand, waarmee hij hiphop aanstuurt op een grote bluetoothspeaker. Praten doet hij niet; hij kijkt. Dan is er Maat A, een pezig, wat lethargisch joch met krullen, een kop kleiner dan Baas. Maat B, een braverik, is the odd man out, hem zou je eerder op een hockeyclub verwachten. Maar dan zijn we er 'dus' nog niet, want deze drie, waarvan de groepsdynamiek zich vrij eenvoudig laat uittekenen, wordt aangevuld met een wildcard, Blondie. Een bebrilde, pukkelige, geblondeerde jongen die op deze bruut-hete dag een lange zwarte broek draagt en een oversized T-shirt met onduidelijk opschrift. Om zijn schouder een tas, alsof hij elk moment weg kan cq. wil. Blondie draait het ene shaggie na de andere; Maat A blowt alleen af en toe, de anderen zijn rookvrij. Wat zoekt Blondie bij Baas en de twee Maten? Dat blijft lang onzeker, totdat er een tros meisjes arriveert in meer of minder verhullende bikini's. Aha, denkt de voyeur, het trage baltsballet gaat beginnen.

Het gezelschap vleit zich neer rondom de speaker, rookt en snackt. Wat opvalt is dat iedereen met Blondie praat of wil praten. Blondie is de go to person, omdat hij, zo postuleer ik maar even als onbezoldigd socioloog, de minst bedreigende partij is. Met Blondie kun je vrijblijvend kletsen, lachen – stoeien misschien zelfs. Een van de meisjes heeft een oogje op Maat A, maar die zit in zijn telefoon. Maat B lijkt niet interessant genoeg. Baas, die ook nu geen reden ziet om te praten, werkt een bak sushi die hij even daarvoor uit een tas heeft gehaald naar binnen.

Ik kijk even de andere kant op, naar Koos Koets ("ik begrijp niet waarom iedereen hier plotseling wil zwemmen, de talrijke ratten pissen lustig in het water, vroeger had je zoiets als de ziekte van Weil"), en alle meisjes zijn verdwenen. Zwemmen, vermoedelijk. Baas zet nog een nummertje op. Als ware hij een robot die wordt aangezet begint Blondie te zingen en te dansen, ondertussen aan zijn sigaretje trekkend. Hij wel.

Wij verzoeken u vriendelijk naar de koffiekamer te gaan waar u in de gelegenheid wordt gesteld een stukje van Viktor op te eten.


Een van de beste redenen om niet op vakantie te gaan is dat je met een gerust hart Zomergasten kunt kijken, dat sinds Janine Abbring het presenteert, zelfs met de saaiste gasten nog een boeiende avond oplevert. Natuurlijk kun je thans ZG overal kijken ter wereld, maar op de een of andere manier komt dat er niet van.

Een van de eerste filmpjes die Jaap Goudsmit gisteren liet zien, om een punt te maken over de overdraagbaarheid van kuru, een zeldzame vorm van dementie die lijkt op gekke koeien ziekte, was een fragment uit een ongelooflijke documentaire over een stam in het Australische deel van Papoea Nieuw Guinea. Een experiment toonde aan dat die ziekte door het eten van mensenvlees werd overgedragen. Binnen die stam was het sinds mensenheugenis gebruikelijk om een stukje van de overledene op te eten bij diens uitvaart.

Over dat gebruik wordt in de film door betrokkenen met een glimlach verteld. Vreemde bijkomstigheid: het dode mensenvlees werd alleen door de vrouwen en kinderen gegeten, niet door de mannen en al helemaal niet door de krijgers (uit angst dat die daar zwakker van werden). Dit lijkt me een vorm van een dubbele standaard. De religieuze leiders (onveranderlijk mannen) decreteren mensenvlees op het menu maar doen zelf niet mee. Maar de vrouwen klaagden niet, ze lieten zich de resten smaken. 'Een weduwe is heel blij met een hand van haar overleden man' (ik citeer uit mijn hoofd). En: 'Het onderlijf van de overledene gaat naar de schoonzus.'

Bij mij rezen wat vragen, die helaas niet bij Abbring rezen, anders had ze ze wel gesteld. Namelijk: wat valt er nog te uitvaarten als er geen resten meer zijn (want die zijn allemaal opgegeten; de botten en de schedel werden vermalen om de spijsvertering een handje te helpen). Hoe zat het met de tanden? Die poep je zo weer uit, en dan? Het geslachtsdeel, wat gebeurde daarmee? Waar kunnen we recepten vinden? Komt Ottolenghi met 'Human'?

Laat ik duidelijk zijn: mij lijkt het wel wat, zo'n kannibalistische begrafenis. Het is goed voor het milieu (denk ik), het spaart de (kerkh)oven en alles beter dan een plakje cake. Voor de overledene is het de grootste eer denkbaar te worden opgenomen in het lichaam van de nabestaanden. Ik verheug me op mijn verorbering, ik hoop u ook.

Alleen in de stad

Terug in de stad ben ik weer even op mezelf aangewezen, dat wil zeggen, ik heb mij onttrokken aan de familiale expeditie (niet zonder wrijving) richting zwemwater, in ruil waarvoor ik, zo kondig ik plechtig aan, het avondmaal zal bereiden.

'Dat is je geraden ook, ik heb de afgelopen week gekookt, dus dat is helemaal geen ruil,' reageerde A.

Zij de deur uit met de bloedjes, ik de deur uit om boodschappen te doen, dat dan wel meteen, want: eat that frog. Een van mijn voornemens was en is om niet langer haastig en gestrest de Nijeh Trebla door te ploegen om allerlei abjecte onrijpe, gemodificeerde, geplastificeerde massaprodukten in te slaan, maar daadwerkelijk Kleine Leuke Winkeltjes aan te doen om Allerlei Lekkere Spulletjes te kopen. Slow living enzovoorts.

Op de Van Wou koos ik de schaduwzijde, en mij viel op dat bij het eerste Indiase restaurant ter linkerzijde de ruiten waren gebarsten op een manier die een steenworp suggereerde. Het tweede Indiase restaurant en het derde idem. Was het anti-Indiaas sentiment opgelaaid in mijn afwezigheid? Wellicht. Hier stond tegenover dat bij snackbar Florida, geen Indiaas etablissement, ook een ruit was gesneuveld.

De Marokkaanse visboer verkocht veel van wat ik nodig had voor mijn paella. Daarna door naar de kleine Aziatische groenteboer, die zijn doosjes saffraan op twee meter hoogte achter de kassa bleek te hebben verstopt, maar wat ik eigenlijk wil vertellen, dit is allemaal inleiding en opmaat, wat is dat toch met mij waarom kom ik niet meteen tot de kern waarschijnlijk uit angst daar te snel te zijn en dan niets meer te vertellen te hebben, gebeurde in winkel 3, de Stadsmarkt. Deze shop was helemaal leeg; vreemd want de air was er prettig geconditioneerd (wat je van de buitenlucht niet zeggen kon) – op één jonge vrouw na. Ik kwam haar de hele tijd tegen. Je kent dat wel, onze wegen kruisten zich voortdurend. Toen ik wilde afrekenen was ze voor mij. Wat ze had gekocht?

Eén aardappel.

Ik was weer thuis.

De Heiland in het weiland


O Vaderlandje wat lig je er mooi bij, zo om zeven uur in de ochtend op een hete augustusdag, wanneer ik met mijn slaperige gezinnetje, zelf houd ik de ogen ook amper open, vanonder bij je naar binnen rijd! De zon, die langzaam tevoorschijn floept, als een gigantische eidooier, tegen een heiïg-blauwe lucht, maar vooral ook die dauw die in je weilanden ligt! Nee, niet de dauw, die dauw geloof ik wel, dat is gratis irrigatie, het gaat me om de mist, dat filmische spektakel, die laagbijdegrondse mist van je, misschien is dat toch je voornaamste karaktertrek Vaderlandje, dat je op zulke momenten (misschien wel elke ochtend om zeven uur op een hete dag in augustus, ik zal het niet weten), een toppop-effect verzorgt, een Ad Visser-Macbeth-Hitchcock-sfeerelement. Waarom? Gewoon, omdat het kan, Vaderlandje! En wat je daarmee bereikt: alle geheimen waarmee je je zompige gronden al eeuwen bedekt blijven heerlijk onzichtbaar, niemand hoeft er iets mee! Je verwacht op zo'n moment de Heiland, die als een jaren-zeventig discoster, een Bobby Farrell, met vetbehaarde blote borst en wijde pijpen, over het weiland langs de A27 komt aangeschoven (want je ziet niet dat hij loopt, zijn voeten zijn ondergedompeld in de nevel), maar wat is dat, hij struikelt over een anti-antistikstofbord van een of andere boze boer... We moeten nog even wachten op de Heiland; hij komt wel, maar niet vandaag, Vaderlandje, vandaag zijn de omstandigheden kennelijk nog steeds niet ideaal, maar het decor is er wel al, het veelbelovende decor... en wat heb je het schitterend opgetuigd, voor mijn terugkeer toch niet Vaderlandje? Had je verwacht dat ik het was die door die laagbijdegrondse mist zou komen aangebonjourd in mijn korte broek op een elektrische step? Dan moet ik je teleurstellen, ik wil maar een ding en dat is naar bed, het loket van mijn waarneming is aan het sluiten, de koffie waarmee ik mezelf de afgelopen uren heb wakker gehouden is uitgewerkt... maar als ik hier tegen de reling te pletter sla, wat die voornoemde Heiland, zo Hij heeft opgelet, verhoede, – want ik heb de Toekomst op de achterbank, Vaderlandje, dat kan Hij niet maken –, maar goed, mocht het toch gebeuren want ik vraag er zelf om Vaderlandje, zo gaat het nu eenmaal, je vraagt er altijd zelf om, dan is 'dus' mijn laatste beeld dat wat ik hierboven schets, inclusief ongeïdentificeerde landbouwmachine, en wat kan ik anders dan Je daarvoor eeuwig dankbaar zijn?

Kippen op vakantie

Suzette


Een huis met kippen. Daar hadden we voor getekend. En sapristi, bij aankomst zagen we twee eitjes liggen, bovenop het kippengaas-dak van het kippenhok. Een wat vreemde plek, maar misschien betrof het hier een lokaal gebruik. Toen ik ze raapte: ah, plastic. Fopeitjes. Deco-eitjes. Misschien om de kippen op een idee te brengen?
De rode heette Sécottine, de zwartgrijze Suzette en de zwart-rode Falbala. Meteen al vatten de kinderen een bepaalde aversie op, je zou ook kunnen zeggen vrees, voor Suzette. Racisme! Black Chicks Matter! Wat bleek, Suzette was even aaibaar als de anderen, sterker het meest aaibaar van allemaal.
De volgende ochtend vonden we op de plek die daarvoor was aangewezen, in de 'legkamer' van het hok, drie eitjes. Dat kwam goed uit, want dit familie-construct telt drie ei-liefhebbers. Gratis eten! Het wonder der agrarische reproductie.
Maar daarna werd het 'dus' stil.
Geen eitjes meer. Niet de dag erna, niet twee dagen erna, de hele week niet meer.
Lag het aan het voer? Camille, de propriétaire van het huis, een kinderboek-illustratrice die van briefjes met instructies houdt (die vind je overal in het huis), instrueerde dat kippen veel lusten, maar dat ze ook dood kunnen gaan van bijvoorbeeld chocola, en heel ziek worden van ui. Dat wist ik niet.
Maar we hadden ze geen chocola of ui gegeven. Alleen af en toe wat brood, en, dit blijf ik eigenaardig vinden, eierschalen van eerder legsel. 'Dit lijkt op ons nagelbijten,' trachtte ik deze vorm van ovofagie te disneyficeren.
Waren ze van de leg? Waren Sécottine, Suzette en Falbala zo geschrokken van ons, van onze stadse manieren, wellicht van het continu checken of er al eieren waren?
Hoewel ze af en toe blij kakelden, wat kan wijzen op vers legsel, vonden we nog steeds geen eitjes –  Teleurstelling alom. Wat nu? A., die zich nooit voor een gat gevangen houdt, kocht eitjes en legde ze stiekem in de legkamer. Trots kwamen de kinderen gisterochtend hun buit laten zien. 'Ze zijn nog warm, pap!' Toen keken ze wat beter. 'Wacht eens even, er staat een stempel op!'
'Dat heb ik gedaan,' probeerde A. zich er vergeefs uit te redden.
De elfjarige was zijn emoties maar net de baas.
Vandaag kwam de sympathieke vader van de propriétaire in korte broek langs om de CV te fixen. 'Verder nog iets?' vroeg hij.
'Eh... les poules ne donnent rien.'
Fluks sprong de gepensioneerde de kippenren in, stortte zich op zijn knieën en graaide in een struik. Eén ei. Twee eieren. Nog twee. Enzovoorts, tot hij er dertien geraapt had. Dertien eitjes! 'Hun geheime plekje,' verontschuldigde hij zich.