To omkom i brann

Edvard Munch: Snølandskap

De Grote Vreugdebrenger had bij thuiskomst een verhaal. Ik houd van verhalen, hoewel het geen vrolijk verhaal was. De aanleiding was wel vrolijk. Ze stond met haar moeder en tante in de besneeuwde tuin foto's te maken, toen haar moeder in de verte, op pakweg 500 meter, een rookpluim ontwaarde. Hé, zei ze, een rookpluim. De anderen keken en moesten beamen dat daar verderop, inderdaad, rook was. Maar al iets meer dan alleen rook nu, zei mijn vrouw, er likt een vlam vanuit de zijkant van het huis.
De huizen zijn van hout, of grotendeels van hout, want ja, aan hout geen gebrek in Noorwegen. Dat, en een traditie van adventskaarsen en allerlei andere met kerst verband houdende kaarsen en lichtjes en wat dies meer zij, is, nou ja, een licht ontvlambare combinatie.
Zullen we dan maar weer verder gaan met de foto's? vroeg een van de drie vrouwen, daar buiten, in dat besneeuwde landschap.
Misschien moeten we de brandweer bellen, zei mijn vrouw.
Ja, dat is misschien wel een goed idee, zeiden de twee anderen.
Een nicht van mijn vrouw, die dichterbij het brandende huis woont, meldde desgevraagd dat zij nog niets had gezien, maar dat zij ook de brandweer zou bellen.
De brandweer arriveerde nogal laat.
Het huis werd compleet in de as gelegd.
Er vielen twee doden.
Een kortje in de krant.

Bijna dood ervaring

Image result for heart beating artist
Lonac

Ik heb een nieuwe vriendin. Glamourbejaarde M. (90) heeft langzaam maar zeker de plaats ingenomen van de oud-bibliothecaresse. Twee factoren hebben daartoe bijgedragen: M. woont bij mij om de hoek en ik heb per abuis tegen haar gezegd: je kunt me altijd bellen. Misschien nog een derde factor is dat M. als geen ander mij voor haar karretje weet te spannen.
Ongeveer twee keer daags word ik gebeld met mededelingen als: 'Viktor, ik lig te verschrompelen.' Of: 'Gisteren was weer heel erg. Ik dacht dat ik dood ging.' Als ik lang bij haar op bezoek ben in haar flatje, zegt ze: 'Ik zou maar naar huis gaan, anders wordt je vrouw jaloers.'
Eergisteren, als ik haar goed begrepen heb en mag geloven, ging ze echt bijna dood. Aan een soort hartaanval. Ik zeg soort, want het was niet een hart dat stilviel, maar juist compleet op hol sloeg. Ik wist dat ze een slecht, dat wil zeggen onregelmatig hart had – hartritmestoornissen, pacemaker, enzovoorts – maar niet dat dit dodelijk was, of zou kunnen zijn. Ze vertelt dat haar hartslag totaal de bocht uitvloog, om dan af te nemen tot bijna nul, en tenslotte weer de hemel in te schieten. Ze kon niet ademen. Het deed vreselijke pijn. 'Viktor, het deed zo'n pijn!' kermt ze. M. maakt graag cynische grapjes over haar naderende einde, maar als het al te dichtbij komt, is ze bang als een kind. Zou ik ook zijn, en ik wil haar graag bijstaan, maar ik was niet thuis op het moment suprême.
In paniek belde ze 112. Maar het was zaterdagavond, en 'de ambulance kan niet over het verkeer heen vliegen, mevrouw' (dat kan die natuurlijk wel, in de vorm van een heli, maar die werd niet ingezet). Eindelijk stond de ambulance voor haar deur, maar toen was het niet meer nodig.

Verse sneeuw

Anne Reinke

Ik ben jaloers op de verse sneeuw van mijn vrouw. Ze zit in Oppland, Noorwegen, waar het eigenlijk al in oktober had moeten sneeuwen, maar door het opschuiven der temperaturen, is hij pas gevallen de dag voordat zij aankwam. Een flink pak, wel. Sneeuwschuiven, -kettingen, de hele rataplan. Maagdelijke sneeuw is het meest poëtisch, al was het maar omdat je er in kunt dichten. De foto hierboven, die ze me opstuurde, is een still uit een film die ik wil maken. Een film waarin sneeuw valt, in dikke watten van vlokken, op de wimpers van een jongen die in grote stappen door de sneeuw loopt zonder te weten waarheen. Zijn handen zijn bevroren. De sneeuw kraakt, maar hij plakt niet. De sneeuw is te nat, te koud of te droog. De jongen kijkt naar de grijszwarte hemel, steekt zijn tong uit, vangt vlokken op, slikt ze door. De sneeuw smaakt naar ijzer. Het is windstil, de vlokken vallen kaarsrecht naar beneden, als in een computerspel vallen ze het gezicht van de jongen aan. Ze worden geboren uit het zwart, reizen door het grijs en landen in het wit. De jongen is helemaal alleen in het doodstille landschap. Als hij nu door een sneeuwmonster wordt verzwolgen merkt niemand het. Dat idee windt hem op. Hij schuift een berg bij elkaar en graaft er een tunnel in, maakt een kamer voor zichzelf. Hij gaat op zijn rug in zijn sneeuwkamer liggen, met zijn handen onder zijn hoofd, slaat zijn ene been of het andere en sluit zijn ogen. Net voordat hij stilvalt, kijkt een meisje, dat niet kan slapen, uit haar raam en ziet hem liggen.

Grenzen aan de thigmofilie

Andreas Hetfeld

Als de moeder van huis is, dansen de kinderen in bed. Ik ben een van die kinderen. Ik lig in het bed van de vijfjarige, die in het grote bed ligt. Ik heb haar tot drie keer toe getracht terug te laten keren na haar eigen bed, nadat ze zich bij mij rond vijf uur had gemeld, tot drie keer toe, maar uiteindelijk ben ik gezwicht. Ze hees zich bovenop me. Zo kan ik niet slapen, zei ik. Met een ruwheid die mij verbaasde wierp ik mijn dochter van me af. Ze zocht opnieuw toenadering, nu met haar teen. Ik ga in jouw bed liggen, zei ik, eerst als dreigement, maar dat dreigement maakte geen indruk. Toen heb ik het toch maar gedaan. Ik pas niet in het bed van mijn dochter. Alleen in foetushouding, en de foetushouding is niet mijn ideale houding. Aanvankelijk troost ik me nog met Midas Dekkers' idee van thigmofilie, maar uiteindelijk overheerst de krapte-last en moet ik terug naar mijn eigen bed. De vijfjarige ligt pontificaal in het grote bed, zie ik, maar ze slaapt. Voorzichtig verplaats ik haar naar mijn kant, en ga ik op moeders plekje liggen. Misschien dat ik hier nog een uur of wat mijn ogen dicht kan doen.

Mijn vervanger


Ernst Ludwig Kirchner: Selbstbildnis doppelbild 

Het was op een grijze, schaduwloze middag dat er werd gebeld en mijn vervanger voor de deur stond.
Ik had hem verwacht, alleen had niemand mij verteld wanneer hij precies zou komen.
Hij zag er vriendelijk uit, vriendelijk als een toevallige passant, als iemand die niets hoeft te verkopen, er alleen maar is.
We groetten elkaar geluidloos. Hij werkte zich langs mij naar binnen. Ik wilde zijn jas aannemen, maar hij gebaarde dat dat niet hoefde.
Even stonden we elkaar ongemakkelijk op te nemen, ik was eigenlijk wel verguld met hoe hij eruit zag, laat ik het zo zeggen: het had slechter gekund, tot ik voorstelde om wat te drinken te halen. Zonder zijn antwoord af te wachten, ging ik naar de keuken en haalde twee glazen water.
Door een stoel naar achter te trekken, nodigde ik hem uit aan tafel te komen zitten, maar hij bleef graag staan; daarom bleef ik ook maar staan.
Hoe gaat het? wilde ik weten, hoewel ik het niet wilde weten. Mijn vervanger voelde mijn desinteresse feilloos aan, want hij glimlachte alleen maar.
Zo stonden we daar, in mijn huis, met ieder een glas water, zonder iets te zeggen of te doen.
Formulieren, dacht ik ineens. We moeten formulieren invullen. Waar zijn de formulieren?
Mijn vervanger keek me vragend aan. Formulieren waren overbodig. Misschien vormden formulieren zelfs een obstakel.
Kon je me makkelijk vinden? De vraag hing als een klein spinnetje in de lucht, een spinnetje dat langzaam omlaag zakte.
Wat deed het ertoe of hij me makkelijk kon vinden? Het enige wat er toe deed was dat hij me had gevonden. Kennelijk was mijn tijd aangebroken om gevonden te worden.
Ergens piepte mijn telefoon twee maal kort achter elkaar, maar ik kon het ding niet vinden. De piep herkende ik uit duizenden, maar waar was hij? Met toenemende frustratie zocht ik mijn zakken af, de tafel, de bank, de oplader.
Ik keek naar mijn vervanger.
Hij duimde een bericht.

Kusjes

Annie Laurence Malleron: Nemesis

Nietsvermoedend parkeert de huisvader zijn met vrouw en kindertjes en pakjes gevulde familiewagen in een rustieke straat in de provinciale hoofdstad, alwaar de Grand Wizard zijn opwachting zal maken in de vorm van een van te voren geprogrammeerde en gepersonifieerde website op een laptop bij vrienden, als er plotseling, vrij driftig, op het raam wordt geklopt.
'Wie Zal Dat Zijn?' zingen wij in koor.
Door de openstaande portier ontwaar ik het borstelhaar van een inwoonster cq. autobezitster die mij had zien inparkeren (de Amsterdamse methode, dus kusje voor, kusje achter, klaar) en ziedend is over het bijhorende contact.
'Ik noteer je nummerbord!' gilt ze.
Mijn vrouw stapt rustig uit: 'Prima, dan noteren we jouw nummerbord ook.'
Tikhakkend verdwijnt de autobezitster, om even later weer terug te keren en in haar auto die achter de mijne is geparkeerd te rommelen. Nu krijgen we het, denk ik, de pakjes uitladend uit de achterbak: ze geeft mij keihard een kusje om me een lesje te leren. Maar nee. (Deze escalatie, inclusief beenamputatie, moet verder uitgewerkt in een Hermansiaans, dan wel Roald Dahlesk kort verhaal.)
Leuke buren, zeg ik tegen het familiehoofd in zijn ruime woning.
Hij knikt. 'Welke waren het?'
Aan het eind van de avond, bij het inladen van de pakjes (nu uitgepakt), bespied ik onwillekeurig de zitkamer van mijn nemesis, en sla de achterklep dicht. Meteen zit ze rechtop in de bank.


Vraagje



Onder de inzenders van het goede antwoord wordt een gepersonifieerde walnoot verloot.
PS: lutulent betekent modderig

Voorspelen



Tijdens de voorspeelavond van de negenjarige op de plaatselijke muziekschool fluister ik de Grote Vreugdebrenger, zonder wie er geen voorspeelavond of wat dan ook zou zijn geweest, iets in het oor, waarop zij antwoordt: 'Je stinkt, misschien moet je een mintje nemen.'
Ik sla meteen mijn hand voor mijn mond. Wat moet ik anders? Ik heb geen mintje. Ik heb in Schotland nogal veel vlees gegeten en resten van dat vlees zullen ofwel in mijn maag reacties zijn aangegaan met de daar aanwezige maagsappen, reacties die gassen hebben veroorzaakt die zich een weg zoeken via een waarschijnlijk enigszins lekkende maagklep; anders vleesresten die tussen mijn tanden zijn gaan zitten en die ik verzuimd heb weg te tandenstoken en/of flossen, en als dat het allemaal niet is, zou het ook nog die bacterie op je tong kunnen zijn die je er af kunt poetsen, maar dat heb ik ook al niet gedaan en ik heb ook geen borstel bij me, dus voorlopig zal ik blijven stinken. Een naar idee. Als de hele zaal gevuld met trotse ouders sinterklaasliedjes meezingen met de voorspelende kindertjes, houd ik mijn mond, terwijl ik normaal gesproken onder het motto een mens moet iets meebrul.
Ik wil geen stank verspreiden.
Dan komt het befaamde moeder en zoon koppel, die zijn elk jaar weer van de partij. Moeder heeft het op zichzelf sympathieke idee opgevat om met haar zoon op muziekles te gaan, maar de mate waarin zoonlief haar voorbijsnelt in virtuositeit, muzikaliteit en nou ja, alles wat met het bespelen van een instrument te maken heeft, is schrijnend. Plaatsvervangende schaamte is het niet die ik voel, ik wil roepen STOP! Maar de GVB vindt dat ik me er niet mee moet bemoeien; ik ken de dynamiek niet tussen die moeder en die zoon, etc.. En nu roep ik helemaal niets, want ik stink.
Het koppel speelt twee liedjes samen (de moeder schudt haar hoofd bij alle fouten die ze maakt), maar dan mag de zoon eindelijk alleen.
Hij triomfeert.
Titel van het liedje? Schatje, je stinkt.

The wonders of ex loving friendship

Garry Harper: The lookouts

When visiting an ex lover that you haven't seen in a while, it is hard not to imagine what if. What if you stayed together? What if that thing that broke you up, didn't happen? I'm looking at the teenage daughter of my ex in Scotland and I am thinking: that could have been my daughter. Could have, should have, would have – whatever. It didn't happen. That daughter is not mine, I have my own daughter.
The second phase of the oh so instructive reacquaintace with the significant ex is the recognition, or the realization, of the reason why it probably wasn't that good an idea to couple back then. Yes, you are very fond of each other, you know each other very well, you even remember the tiniest things of way back then, a thing you said, a certain behavioral particularity, you seemed to be a combination made in heaven, but then: maybe not. Perhaps it was a healthy thing, for both of you, to end the relationship.
Then again, a lot of it is happenstance, contingency, blind fate. In most cases, there is no reason why we do things, or at best, the reason is a story we tell ourselves (and the other, if interested) afterward, to maintain the illusion that we lead a meaningful life.
The third and last phase of going back to the ex is the most comforting part: the mutual allowance of friendship. Who could be a better friend than an ex-lover from long ago, if that ex-lover is not vindictive, resentful, acrimonious or spiteful – synonyms that I found in an online dictionary?
What a relief, when there is no need for sex and you can interact honestly and freely. There is no need to do anything. Just being together, without an agenda, feeling deeply connected just the same.

Vrijheid van verhuizing



'Bizar idee, je ziet elkaar een hele tijd niet, jaren achtereen leid je een leven dat zich totaal elders afspeelt, hooguit ben je je van de ander bewust in de periferie van je bewustzijn, en dan opeens sta je er midden in,' mijmer ik tegen mijn ex-geliefde uit 1992 aan haar eikenhouten keukentafel. 'Ik ben in jouw leven aan het spioneren. Niet zo onopvallend inderdaad, maar toch.'
Ze knikt. 'De volgende keer kom ik bij jou spioneren.'
'You're more than welcome.'
Wat beweegt een Nederlandse om aan de rand van Europa te wonen, in een onooglijk dorpje aan de kust?
De natuur, inderdaad, de natuur is hier overweldigend. Hier komt eerst de natuur, en dan pas komen de mensen. Maar als je binnen aan de keukentafel van een huis zit, kun je die natuur makkelijk wegdenken. Maakt het dan nog wat uit waar je bent, gegeven de huidige staat, om met Chriet Titulaer te spreken, der micro-elektronica? Ik denk het. Met andere woorden: waar je woont is dus toch wel een soort van keuze, met name als het niet in de buurt is van waar je bent opgegroeid, waar je hebt gestudeerd, etcetera.
Mijn ex-geliefde is haar toenmalige geliefde gevolgd, maar die leeft niet meer. Toen heeft ze een nieuwe geliefde gevonden en heeft een huis in zijn buurt gekocht.
Opvallend hoe weinig mensen in het rijke deel van de wereld gebruik maken van de vrijheid van vestiging. Logisch, aan de ene kant; als je rijk bent ga je niet vrijwillig naar een armer deel verhuizen, een deel waar dingen mogelijk slechter zijn geregeld, waar je kinderen mogelijk een lagere levensverwachting hebben, en jij ook, trouwens.
Maar dan nog valt er in Europa best wat te schuiven met woonplaatsen, maar bijna niemand die ik ken doet het. Daarom blijft volgens mij de EU een wassen neus. Of laat ik het zo zeggen: EU maakt internationale handel een stuk makkelijker en dat is fijn voor de mensen die internationale handel drijven, en het is fijn dat je tegenwoordig overal tegen normale tarieven met je telefoon kunt spelen, maar wij zijn geen Europeaan, zolang we niet vrijelijk door Europa heen verhuizen, anders dan voor vakantie, tijdelijk voor werk of studie. Misschien moeten we dan ook maar stoppen de schijn op te houden.

Schappelijke Schotten



Mijn herberg ligt letterlijk in the middle of nowhere, of nee, dat zeg ik verkeerd, temidden van de green pastures, de schapen en de bosschages. Een klein landweggetje voert er naar toe. Ik verwacht complete desertie, maar tot mijn verbazing is de parkeerplaats goed gevuld, en zit de coffeeshop van de B&B redelijk vol met tamelijk luidruchtige Schotten. Gail, de herbergier, had me van te voren al gewaarschuwd, bij het boeken, dat er festiviteiten zouden zijn, waar ik ook meteen voor was uitgenodigd. Aardig.
De kleine, O-benige vrouw kijkt me wat zorgelijk aan, als ik binnenkom, met mijn in Edinburgh aangeschafte vrijheidshoed, en brengt me naar mijn kamer. Geen paspoortgedoe, geen registratie-onzin. Ze vraagt of ik op vakantie ben. 'Sort of,' antwoord ik. Ik ben research aan het doen voor een roman. 'Okay darling. I'll get you some milk.'
Dit is de eerste keer in mijn hotelcarrière, om zo te zeggen, dat ik verse melk op mijn kamer krijg. Voor in de thee, natuurlijk.
Ik heb geen bereik met mijn telefoon, maar uit de douche komt warm water, dat is een meevaller.
Ik wil mijn computer inpluggen. Lukt niet. De Britten hebben 'natuurlijk' een eigen stekker. Net zoals ze natuurlijk eigen muntjes hebben, links rijden van de weg (ik grijp steeds met rechts in de lucht naar de versnellingspook) en natuurlijk niet meedoen met dat toch echt wel handige metrische systeem. Maar hun excentriciteit maakt ze juist zo aantrekkelijk. Ze trekken zich nergens iets van aan. Schotten zijn de Friezen van Engeland, maar ik heb nog geen Schotten gezien die voor blokkeerschotten zouden door kunnen gaan. Schotten lijkt me een uiterst schappelijk volkje, maar ook schappelijke mensen kunnen knappen.
Misschien als ze teveel hebben gedronken.
Dan gaat mijn kop eraf, waarschijnlijk.