11. Het onderhavige doel


'Monsieur Frédéric Groeninx van Zoelen,' de magere man steekt zijn kin uit naar de babyface in zijn onderbroek die zich nog nooit heeft hoeven scheren, 'voldoet uitstekend, daarover hoeven we ons geen enkele zorgen te maken. Althans,' voegt hij daar onmiddellijk aan toe, 'voor het onderhavige doel.' De vierkante vrouw maakt mokkende geluiden, slaat haar armen over elkaar en gaat in een houding staan van: eerst zien dan geloven. 'Frédéric begrijpt uitstekend dat we hem niet naar Caux hebben gehaald om druiven te plukken. Daarvoor is het te vroeg. Zoiets begrijpt Frédéric als geen ander. Zelfs is hij niet gekomen om de plaatselijke kerk een hart onder de riem te steken. Alsof de plaatselijke kerk een hart onder de riem nodig heeft!' Hier houdt de magere man even in, om te kunnen grinniken. Dit duurt niet lang. 'Maar wat is dan de reden van zijn bezoek aan onze nederige stulp in deze arme uithoek van de Republiek? Heel simpel: wij willen dat monsieur Frédéric Groeninx van Zoelen ons van het leven berooft, met dit mes, of met enig ander mes dat zich daartoe leent. Niets meer en niets minder. En zijn beloning zal aanzienlijk zijn, dat spreekt voor zich, al weet iedereen dat het hem daar niet om te doen is.'