Deel 4: Zorgvuldigheid



Het is twaalf uur in de middag als ik eindelijk de rolluiken durf te openen. Voor elk venster dient een knop te worden ingehouden. Even word ik als een konijn in zijn hol verblind door het zonlicht, rechtstreeks en weerkaatst door de Middellandse Zee. Ik steek mijn hoofd naar buiten en merk op dat de ene haperende deur van de elektrische poort niet helemaal gesloten is: zorgvuldig is mijn nachtelijke ordeverstoorder niet, aan de andere kant: de zorgvuldigen spelen een marginale rol in de geschiedenis. Pas als ik mijn tien matineuze baantjes heb getrokken – het moeten er tien zijn, niet één minder of meer – besef ik dat het lijk weg is. Het enige wat resteert op de plek waar het lag is een pluk zwart haar en een substantie die het midden houdt tussen bloed, kwijl en ondetermineerbaar overgeefsel. Met alle schoonmaakmiddelen die ik kan vinden schrob ik de rand van het zwembad schoon. Ik beloon mezelf met een espresso, en een croissant aux amandes, bezorgd door La Tarte Tropezienne, een uitstekende bakker. Net als ik tot mijn niet geringe opluchting vaststel dat ik met minimale inspanning van een nijpend probleem af ben – namelijk: wat te doen met het lijk – voel ik een scherpe pijnscheut bovenop mijn schedel, ik vermoed openhaard-gereedschap, en een brute kracht die mij met klapstoel en al het water induwt.