Wij verzoeken u vriendelijk naar de koffiekamer te gaan waar u in de gelegenheid wordt gesteld een stukje van Viktor op te eten.


Een van de beste redenen om niet op vakantie te gaan is dat je met een gerust hart Zomergasten kunt kijken, dat sinds Janine Abbring het presenteert, zelfs met de saaiste gasten nog een boeiende avond oplevert. Natuurlijk kun je thans ZG overal kijken ter wereld, maar op de een of andere manier komt dat er niet van.

Een van de eerste filmpjes die Jaap Goudsmit gisteren liet zien, om een punt te maken over de overdraagbaarheid van kuru, een zeldzame vorm van dementie die lijkt op gekke koeien ziekte, was een fragment uit een ongelooflijke documentaire over een stam in het Australische deel van Papoea Nieuw Guinea. Een experiment toonde aan dat die ziekte door het eten van mensenvlees werd overgedragen. Binnen die stam was het sinds mensenheugenis gebruikelijk om een stukje van de overledene op te eten bij diens uitvaart.

Over dat gebruik wordt in de film door betrokkenen met een glimlach verteld. Vreemde bijkomstigheid: het dode mensenvlees werd alleen door de vrouwen en kinderen gegeten, niet door de mannen en al helemaal niet door de krijgers (uit angst dat die daar zwakker van werden). Dit lijkt me een vorm van een dubbele standaard. De religieuze leiders (onveranderlijk mannen) decreteren mensenvlees op het menu maar doen zelf niet mee. Maar de vrouwen klaagden niet, ze lieten zich de resten smaken. 'Een weduwe is heel blij met een hand van haar overleden man' (ik citeer uit mijn hoofd). En: 'Het onderlijf van de overledene gaat naar de schoonzus.'

Bij mij rezen wat vragen, die helaas niet bij Abbring rezen, anders had ze ze wel gesteld. Namelijk: wat valt er nog te uitvaarten als er geen resten meer zijn (want die zijn allemaal opgegeten; de botten en de schedel werden vermalen om de spijsvertering een handje te helpen). Hoe zat het met de tanden? Die poep je zo weer uit, en dan? Het geslachtsdeel, wat gebeurde daarmee? Waar kunnen we recepten vinden? Komt Ottolenghi met 'Human'?

Laat ik duidelijk zijn: mij lijkt het wel wat, zo'n kannibalistische begrafenis. Het is goed voor het milieu (denk ik), het spaart de (kerkh)oven en alles beter dan een plakje cake. Voor de overledene is het de grootste eer denkbaar te worden opgenomen in het lichaam van de nabestaanden. Ik verheug me op mijn verorbering, ik hoop u ook.

Alleen in de stad

Terug in de stad ben ik weer even op mezelf aangewezen, dat wil zeggen, ik heb mij onttrokken aan de familiale expeditie (niet zonder wrijving) richting zwemwater, in ruil waarvoor ik, zo kondig ik plechtig aan, het avondmaal zal bereiden.

'Dat is je geraden ook, ik heb de afgelopen week gekookt, dus dat is helemaal geen ruil,' reageerde A.

Zij de deur uit met de bloedjes, ik de deur uit om boodschappen te doen, dat dan wel meteen, want: eat that frog. Een van mijn voornemens was en is om niet langer haastig en gestrest de Nijeh Trebla door te ploegen om allerlei abjecte onrijpe, gemodificeerde, geplastificeerde massaprodukten in te slaan, maar daadwerkelijk Kleine Leuke Winkeltjes aan te doen om Allerlei Lekkere Spulletjes te kopen. Slow living enzovoorts.

Op de Van Wou koos ik de schaduwzijde, en mij viel op dat bij het eerste Indiase restaurant ter linkerzijde de ruiten waren gebarsten op een manier die een steenworp suggereerde. Het tweede Indiase restaurant en het derde idem. Was het anti-Indiaas sentiment opgelaaid in mijn afwezigheid? Wellicht. Hier stond tegenover dat bij snackbar Florida, geen Indiaas etablissement, ook een ruit was gesneuveld.

De Marokkaanse visboer verkocht veel van wat ik nodig had voor mijn paella. Daarna door naar de kleine Aziatische groenteboer, die zijn doosjes saffraan op twee meter hoogte achter de kassa bleek te hebben verstopt, maar wat ik eigenlijk wil vertellen, dit is allemaal inleiding en opmaat, wat is dat toch met mij waarom kom ik niet meteen tot de kern waarschijnlijk uit angst daar te snel te zijn en dan niets meer te vertellen te hebben, gebeurde in winkel 3, de Stadsmarkt. Deze shop was helemaal leeg; vreemd want de air was er prettig geconditioneerd (wat je van de buitenlucht niet zeggen kon) – op één jonge vrouw na. Ik kwam haar de hele tijd tegen. Je kent dat wel, onze wegen kruisten zich voortdurend. Toen ik wilde afrekenen was ze voor mij. Wat ze had gekocht?

Eén aardappel.

Ik was weer thuis.

De Heiland in het weiland


O Vaderlandje wat lig je er mooi bij, zo om zeven uur in de ochtend op een hete augustusdag, wanneer ik met mijn slaperige gezinnetje, zelf houd ik de ogen ook amper open, vanonder bij je naar binnen rijd! De zon, die langzaam tevoorschijn floept, als een gigantische eidooier, tegen een heiïg-blauwe lucht, maar vooral ook die dauw die in je weilanden ligt! Nee, niet de dauw, die dauw geloof ik wel, dat is gratis irrigatie, het gaat me om de mist, dat filmische spektakel, die laagbijdegrondse mist van je, misschien is dat toch je voornaamste karaktertrek Vaderlandje, dat je op zulke momenten (misschien wel elke ochtend om zeven uur op een hete dag in augustus, ik zal het niet weten), een toppop-effect verzorgt, een Ad Visser-Macbeth-Hitchcock-sfeerelement. Waarom? Gewoon, omdat het kan, Vaderlandje! En wat je daarmee bereikt: alle geheimen waarmee je je zompige gronden al eeuwen bedekt blijven heerlijk onzichtbaar, niemand hoeft er iets mee! Je verwacht op zo'n moment de Heiland, die als een jaren-zeventig discoster, een Bobby Farrell, met vetbehaarde blote borst en wijde pijpen, over het weiland langs de A27 komt aangeschoven (want je ziet niet dat hij loopt, zijn voeten zijn ondergedompeld in de nevel), maar wat is dat, hij struikelt over een anti-antistikstofbord van een of andere boze boer... We moeten nog even wachten op de Heiland; hij komt wel, maar niet vandaag, Vaderlandje, vandaag zijn de omstandigheden kennelijk nog steeds niet ideaal, maar het decor is er wel al, het veelbelovende decor... en wat heb je het schitterend opgetuigd, voor mijn terugkeer toch niet Vaderlandje? Had je verwacht dat ik het was die door die laagbijdegrondse mist zou komen aangebonjourd in mijn korte broek op een elektrische step? Dan moet ik je teleurstellen, ik wil maar een ding en dat is naar bed, het loket van mijn waarneming is aan het sluiten, de koffie waarmee ik mezelf de afgelopen uren heb wakker gehouden is uitgewerkt... maar als ik hier tegen de reling te pletter sla, wat die voornoemde Heiland, zo Hij heeft opgelet, verhoede, – want ik heb de Toekomst op de achterbank, Vaderlandje, dat kan Hij niet maken –, maar goed, mocht het toch gebeuren want ik vraag er zelf om Vaderlandje, zo gaat het nu eenmaal, je vraagt er altijd zelf om, dan is 'dus' mijn laatste beeld dat wat ik hierboven schets, inclusief ongeïdentificeerde landbouwmachine, en wat kan ik anders dan Je daarvoor eeuwig dankbaar zijn?

Kippen op vakantie

Suzette


Een huis met kippen. Daar hadden we voor getekend. En sapristi, bij aankomst zagen we twee eitjes liggen, bovenop het kippengaas-dak van het kippenhok. Een wat vreemde plek, maar misschien betrof het hier een lokaal gebruik. Toen ik ze raapte: ah, plastic. Fopeitjes. Deco-eitjes. Misschien om de kippen op een idee te brengen?
De rode heette Sécottine, de zwartgrijze Suzette en de zwart-rode Falbala. Meteen al vatten de kinderen een bepaalde aversie op, je zou ook kunnen zeggen vrees, voor Suzette. Racisme! Black Chicks Matter! Wat bleek, Suzette was even aaibaar als de anderen, sterker het meest aaibaar van allemaal.
De volgende ochtend vonden we op de plek die daarvoor was aangewezen, in de 'legkamer' van het hok, drie eitjes. Dat kwam goed uit, want dit familie-construct telt drie ei-liefhebbers. Gratis eten! Het wonder der agrarische reproductie.
Maar daarna werd het 'dus' stil.
Geen eitjes meer. Niet de dag erna, niet twee dagen erna, de hele week niet meer.
Lag het aan het voer? Camille, de propriétaire van het huis, een kinderboek-illustratrice die van briefjes met instructies houdt (die vind je overal in het huis), instrueerde dat kippen veel lusten, maar dat ze ook dood kunnen gaan van bijvoorbeeld chocola, en heel ziek worden van ui. Dat wist ik niet.
Maar we hadden ze geen chocola of ui gegeven. Alleen af en toe wat brood, en, dit blijf ik eigenaardig vinden, eierschalen van eerder legsel. 'Dit lijkt op ons nagelbijten,' trachtte ik deze vorm van ovofagie te disneyficeren.
Waren ze van de leg? Waren Sécottine, Suzette en Falbala zo geschrokken van ons, van onze stadse manieren, wellicht van het continu checken of er al eieren waren?
Hoewel ze af en toe blij kakelden, wat kan wijzen op vers legsel, vonden we nog steeds geen eitjes –  Teleurstelling alom. Wat nu? A., die zich nooit voor een gat gevangen houdt, kocht eitjes en legde ze stiekem in de legkamer. Trots kwamen de kinderen gisterochtend hun buit laten zien. 'Ze zijn nog warm, pap!' Toen keken ze wat beter. 'Wacht eens even, er staat een stempel op!'
'Dat heb ik gedaan,' probeerde A. zich er vergeefs uit te redden.
De elfjarige was zijn emoties maar net de baas.
Vandaag kwam de sympathieke vader van de propriétaire in korte broek langs om de CV te fixen. 'Verder nog iets?' vroeg hij.
'Eh... les poules ne donnent rien.'
Fluks sprong de gepensioneerde de kippenren in, stortte zich op zijn knieën en graaide in een struik. Eén ei. Twee eieren. Nog twee. Enzovoorts, tot hij er dertien geraapt had. Dertien eitjes! 'Hun geheime plekje,' verontschuldigde hij zich.


Koken



'Ik heb nog nooit in mijn leven gekookt.' Het kwam er terloops uit tussen twee happen door, tijdens de lunch in het restaurant dat ons drie maanden had moeten missen. Voor N. was het een gegeven, een natuurwet, maar ik schrok er van. Ik geloof niet dat ik veel vrouwen ken, en al helemaal geen moeders van haar generatie, die niet zonder trots kunnen verklaren dat ze nog nooit in de keuken een maaltijd hebben bereid, voor zichzelf, of voor wie dan ook.
In New York was het anders, daar ontmoette ik in de jaren negentig voor het eerst vrouwen en mannen, mannen en vrouwen, het geslacht deed er niet toe, die nooit kookten, hun keuken alleen gebruikten om een kant en klaar maaltijd op te warmen, slechte koffie te zetten of left over sushi in de ijskast te bewaren. De logica daarachter was niet alleen luiheid trouwens. Uiteten, of afhalen was in die stad destijds zo goedkoop en goed (bijvoorbeeld behoorlijk Indiaas eten, dat lukte al voor 6 dollar), daar viel niet tegenop te koken. Maar er was nog iets anders aan de hand: je kookte ook nooit voor anderen. Je nodigde nooit iemand uit om voor te koken. Wat je deed was iemand mee uiteten nemen. En hoewel ik graag uiteten ga, liefst ook op andermans kosten, geloof ik dat ik me minder geliefd zou voelen als niemand meer voor me kookte, en ik nooit meer voor iemand mocht koken.
N. leidde samen met een andere vrouw een van de eerste all female advocatenkantoren van Nederland, dus vreemd was het niet dat het koken erbij in schoot.
Ik ken tamelijk veel werkende stellen waarvan de man vrijwel uitsluitend in de keuken staat. Vrijwel, dus die vrouw kookt ook wel eens. Laat staan dat deze vrouwen er prat op zouden gaan dat ze nog nooit in hun leven hebben gekookt.
Ik vraag me af hoe feministen tegen deze zaak aankijken. Ze zullen toejuichen dat de werkende vrouw of moeder niet automatisch meer in de keuken staat. Aan de andere kant hebben we te maken met het toch behoorlijke prestige dat culinaire know how met zich meebrengt. En dus de ontegenzeggelijke liefde die door de maag gaat, ook en vooral bij kinderen.

Anti-racisme debat



Al zappende bleef ik hangen bij Politiek 24, en ik viel middenin het anti-racisme debat (van afgelopen woensdag). Lodewijk Asscher, mijn volksvertegenwoordiger (ik heb meermaals op hem gestemd), was bezig zich te verweren tegen aanvallen van eerst Geert Wilders en daarna Farid Azarkan. Ik vond het boeiende televisie. Sterker, ik kan me niet herinneren ooit zulke boeiende politieke televisie, uit de Tweede Kamer althans, te hebben gezien.
Asscher stond er wat gespannen bij, vond ik, in zijn krappe kraag en strakke das, maar zo vaak zie ik hem ook niet, dus misschien was dit zijn normale stand.
Geert Wilders stond aan de interruptie-microfoon zijn stokpaardje te berijden. Hij leek bijna in slaap te vallen terwijl hij praatte. Hij draaide de zaak gewiekst om. In plaats van mee te huilen met de wolven over het racisme in Nederland, zei hij (ik citeer uit het hoofd): het anti-racisme debat is een belediging van de Nederlanders want zij zijn helemaal niet racistisch.
Interessant: Wilders betoonde zich expliciet tegenstander van discriminatie. Wat, had ik dan verwacht dat hij openlijk zou uitkomen voor een soort white supremacy-denken? Nou nee. Hij is slim genoeg om in te zien dat hij zich daar alleen maar belachelijk mee zou maken. (Onduidelijk waarom 'vervelend ventje' Baudet niets had in te brengen over 'institutioneel racisme', althans ik heb hem niet voorbij zien komen, misschien had hij een boreale knuppel in het hoenderhok kunnen gooien).
Niet verwonderlijk maakte Asscher makkelijk korte metten met Wilders' argumentatie.
De hardste aanval tegen Asscher kwam echter van Farid Azarkan van Denk. Deze volksvertegenwoordiger verweet Asscher hypocrisie. Ja ja, nu maakte hij goede sier, wilde hij maar zeggen, met een groots anti-racisme gebaar terwijl hij systematisch moties had weggestemd die concrete verbeteringen op dat punt beoogden (ingediend door, u raadt het, Denk).
Hij wilde er een wedstrijdje van maken, Azarkan, een wedstrijdje wie het meest anti-racistisch is.
Asscher werd emotioneel, fel. Hij besloot in de tegenaanval te gaan en beschuldigde Azarkan zelf van valse verdachtmakingen, etnisch profileren en mensen gelijkstellen aan hun afkomst.
Het kan verkeren. Azarkan is zo niet een product van de PvdA, dan toch van het gedachtengoed van die partij. Een vader die aangevallen wordt door een van zijn kinderen, daar had deze confrontatie toch het meest van weg. Vader bijt van zich af. Kind druipt af. Fascinerend.

Rachmaninov

Rachmaninov met zijn oudste dochter Irina


Gisteren was ik de gelukkige recipiënt van een mini privé-concert door Daria van den Bercken in haar studio in een statig pand aan de Amstel. Met corona had deze setting niets te maken, wel met een 'piano solo overweging' die ze in voorbereiding heeft, waarin de vraag centraal staat: wat verwacht ik van de natuur?
Ja, wat verwacht ik van de natuur? Goede vraag. Veel tijd om erover na te denken kreeg ik niet, want mijn gedachten gingen uit naar Rachmaninov, want dat was wat Daria speelde. Je mag er geloof ik niet voor uitkomen, maar ik ben verliefd op Rachmaninov. Dat bedoel ik tamelijk letterlijk. Ik werd omver geblazen, toen ik, op mijn zestiende schat ik, voor het eerst de Tweede Pianosonate, uitgevoerd door Vladimir Horowitz, op de pick up legde. Ik kan me die handeling nog goed herinneren, het statische getik van het vinyl uit de hoes, de naald in de groef met het welbekende knapperend haardvuur en dan die bulderende beginakkoorden. Wie zichzelf geen romantiek toestaat is een dief van zijn eigen hart. Zouden er mensen zijn die zich niet kunnen laten meeslepen? (Ik ken er genoeg die dat niet van zichzelf mogen.) Een paar jaar later, toen ik weggeblazen werd door David Lean's klassieker Brief Encounter, waarin Rachmaninov weer mocht bulderen, maar nu dan het Tweede Piano Concert, was ik opnieuw verliefd. Maar in Kikkerland mag je geen romanticus zijn. Dan ben je een aansteller, een melodramaticus, een pathetische idioot. In Kikkerland geldt: geen dag zonder Bach, en een algeheel verbod op emoties.
Je gelooft het niet, maar ik werd wederom verliefd. Ik was vergeten hoe magistraal deze componist het groots en meeslepend levensgevoel vertolkt, de klankkleuren, akkoorden en figuren die hij daarvoor gebruikt. De kleine herhalinkjes, de pijlsnelle motiefjes, de virtuoze notenwolken, de sombere en dan weer lichte toets, en altijd de verrassing. Rachmaninov verrast je, telkens opnieuw, zoals een ware geliefde daartoe in staat is.
'Misschien kun je het zelf spelen,' suggereerde Daria na afloop (ze is korte tijd mijn pianolerares geweest).
Ik dacht dat ze een grapje maakte, maar ze meende het.
Ik laat het spelen van Rachmaninov graag aan haar over. Laat mij maar voelen, daar heb ik het druk genoeg mede.

Troostborrel



Op de troostborrel van De Parade, in de Tolhuistuin, zat ik in mijn eentje aan een tafeltje voor twee. Her en der waren groepjes Parade-oudgedienden diep in gesprek. Wat deed ik hier? Het makkelijkste antwoord zou zijn: niets. Elders zou ik ook niets doen. Jazeker, ik zou dit jaar debuteren als liefdes- en haatbrievenschrijver op bestelling, maar dat werd kortgesloten door een wet market (het woord alleen al) in Wuhan. Deo volente, insjallah en b'ezrat hashem wordt het programma doorgezet naar 2021, dus troost is niet op zijn plaats (een borrel daarentegen vrijwel altijd). Ik begon aan mijn tweede blikje. Nog steeds had niemand de behoefte gevoeld zich bij mij te komen invechten. Ik ontdekte een andere Parade-noviet in Lucky Fonz III, die ik vagelijk 'ken'. Hij hanteerde een tegenovergestelde strategie. Hij zwierf door de tuin, rugzakje op de rug, en hoopte, net als ik, op aanspraak. Toen hij op mijn tafeltje af scheen te zwerven, werd in mijn geest dat eigenaardige mechaniek in werking gesteld om een taalhandeling te verrichten. Ik begon dus in zijn richting zijn naam uit te spreken, maar precies op dat moment (of was het een fractie later?), sprak hij zelf een groepje aan een belendend tafeltje aan, en was ik weer alleen. Niet getreurd, want ik ben graag alleen, alleen wordt de vraag wat men 'dan' onder de mensen doet iets pregnanter. Alleen drinken kun je overal, lukt zonder mensen erbij zelfs beter. Zou er een (sub)cultuur bestaan, vroeg ik mij af, waar het cool gevonden wordt om geen aansluiting te vinden bij 'de rest'? Waar je status ontleent aan je gebrek aan connecties? Dan zou ik graag tot die cultuur willen behoren – of nee, laat maar. De kwestie was inmiddels ook academisch geworden omdat ik in gesprek was geraakt met een hoogblonde, kortgerokte vrouw met felrood gelakte nagels (het zal niet waar zijn), die bovendien in het bezit was van staalblauwe ogen, heel lichte sproeten hoog op het voorhoofd en een ontwapenende manier van doen. Daphne Gakes heette ze. Theatermaakster. Onlangs gedebuteerd bij Mai Spijkers (aardige man, maar ze doen niets voor je, niets!). Ze had allerlei ideeën om mijn 'show' (ik wist niet dat ik een show kon hebben) minder arbeidsintensief en dus lucratiever te maken. Als ik me niet vergis heb ik haar het idee aan de hand gedaan te publiceren onder (mannelijk) pseudoniem. Niets revolutionairs, maar je moet er wel op komen. En dan bij voorkeur niet Jan Cremer. Hoewel...

Afgehakte penissen



'Ik zal Freud maar niet loslaten op die afgehakte penissen,' zei ik tegen N., terwijl we de trappen van Huis Marseille op en af waren gezwoegd om de foto's van Viviane Sassen te bezichtigen en terug naar haar appartement schuifelden. 'Nee, doe dat maar niet,' zei N. op de haar kenmerkende onderkoelde wijze.
N. heeft een Sassen in haar woonkamer hangen – een oude Sassen weliswaar, maar niettemin: een Sassen (hierop is Tommy Wieringa te zien, of beter gezegd niet te zien, omdat zijn gezicht schuilgaat achter een nogal hevig uitstekend bloemboeket) – dus ze was extra gemotiveerd om de tentoonstelling te bezoeken. De eerste post corona. Het bleek niet nodig om alle zalen van het monumentale grachtenpand af te rollatoren, aangezien in één bovenzaal alle foto's langskwamen in een diashow, waarvoor we, eerlijk is eerlijk, ook best thuis konden blijven (mits je een beamer gebruikt, niet meer dan zes personen binnenlaat en de lichten dooft).
De levensgrote dia's leken, als een virus, if you will, uit een hoek van de zaal te groeien. Op de linkermuur verscheen het origineel, en tegelijk schoof het spiegelbeeld op de aangrenzende muur voorbij. Een mooi, zij het obsceen, effect had dit (op mij). Maakt niet uit wat de foto voorstelt, zeg, een close up van een steen, als hij gesplitst, vanuit het midden, ontstaat, dan denk je (ik) al snel aan gapende lichaamsorganen, organen die tot gapen in staat zijn. Sassen heeft ook iets met anussen, meen ik. Hier en daar trok een geel geverfd anusje voorbij, een detail in het beeldhouwwerk. En neuzen. Ik was als een kind zo blij met het stickervel dat ik beneden in de giftshop aantrof met zes neuzen. Ik heb er meteen een over de aangevreten appel op mijn laptop geplakt (ik hou niet van aangevreten appels).
Blijvende indruk: afgehakte penissen.
Ter Sassens verdediging kan worden aangevoerd dat ze de penissen niet zelf heeft afgehakt. Ten minste, daar ga ik van uit. Het betrof hier immers close ups van mannelijke beelden uit de oudheid die in de loop der tijd hun geslacht waren kwijtgeraakt. Ja, moet je maar niet zo'n apparaat aan de buitenkant hebben hangen. Handen, voeten en neuzen waren om dezelfde reden kwetsbaar. Borsten en tepels van vrouwelijke torso's bleven vorstelijk buiten schot.



Een gevoel if there ever was one

Wolfgang Pauli op schoolgaande leeftijd. Ook een genie


Wie zijn gevoelens begrijpt, begrijpt zichzelf. Ik vermoed dat dit een levenslang project wordt. Pas wie tussen zes planken ligt, of in een urn zit, kan met enig recht zeggen dat hij zichzelf en zijn gevoelens begrijpt. (Over het begrijpen van de gevoelens van anderen wil ik het niet eens hebben.)
Bij mijn tweede kind had ik me voorgenomen me minder aan te trekken van het door hem behaalde niveau in het onderwijssysteem dat ook wel 'school' wordt genoemd. Of hij nu mavo, lavo of zavo zou gaan doen, ik zou evenveel van hem houden, en trouwens, wie weet welke skills er worden verlangd op de arbeidsmarkt van de toekomst? Voor hetzelfde geldt ziet Kikkerland het licht en krijgt hij een basisinkomen en mag hij de rest van zijn leven gaan gamen. Of hij daarvan gelukkig wordt, is een tweede, en daar beginnen, voor mij als vader, de zorgen.
Zo stelden Kletsmajoor, voorheen Kleine Leeuw, 11 jaar jong, en zijn moeder en ikzelf (wij zijn getrouwd, vandaar), ons achter de laptop op voor het zoom-gesprek met meester Grindr, voor het langverwachte Pre-advies. (Voor mensen die geen kinderen hebben: dit is het advies voorafgaand aan het schooladvies, op basis waarvan je vanaf groep 8 naar de middelbare wordt gestuurd.)
Hoe dat advies luidde? Het op een na hoogste. Dat vond ik teleurstellend, en mijn teleurstelling (een gevoel, if there ever was one) kwam ook naar buiten: hoezo niet het hoogste? zei ik. Hij doet het toch hartstikke goed? Hij is toch een fantastische leerling? Goed, wij zien ook wel dat hij soms wat slordig en lui kan zijn, maar voor de rest: geniaal.
Het kwam er nogal, nou ja emotioneel, uit.
Waar was mijn voorgenomen zen-houding ten aanzien van de schoolprestaties van De Jongen van wie ik Altijd zou Houden, Wat er ook Gebeurt?
Ik dacht aan mijn gedrag langs de lijn van het voetbalveld. Het spel kan mij gestolen worden, en ik weet als geen ander dat het om de lol gaat en niet om de score, en toch hoor ik mezelf semi-hysterisch mijn kinderen aanmoedigen en pijn in mijn hart bij een gemiste kans.
Voor wie er nog aan twijfelde, een kind is een verlengstuk van jezelf. Wie niet inzet op het hoogste voor zijn kind, doet niet alleen hem of haar maar ook zichzelf tekort.