'Fré, ik weet dat ik niet in je computer mag neuzen, maar ik zie dat je een email hebt gekregen waarvan je misschien toch wel de inhoud zou willen weten,' smst de niet-inwonende, wel logerende vriendin uit Amsterdam. Het is zondag tien uur – of vijf voor tien. De avond is gevallen. De hemel ziet zwart van de koortsachtig van niets naar niets flappende gierzwaluwen. Groeninx van Zoelen staat voor de poort van 16 Avenue de la Gare, Caux. De grafitti is verwijderd. Er brandt licht op de bovenste verdieping. Groeninx van Zoelen slikt zijn woede over de door de logerende vriendin geschonden privacy snel door, als een stuk hete pizza, voordat die de kans krijgt het verhemelte te beschadigen. De telefoon piept opnieuw. 'Een of andere idioot beweert dat jij hem vermoord hebt, als ik zijn Frans goed begrepen heb, niet omdat dat de afspraak was, maar om te voorkomen dat hij jou zou verraden. Does that make sense? Schatje, ben je dan toch... ;-) Stout hoor. Maar nog even dit: sinds wanneer sturen doden emails?' Dat is de eerste verstandige vraag die je me ooit hebt gesteld, denkt Groeninx van Zoelen, voordat hij zijn telefoon uitschakelt.
16. Geen coulantie
'Mais Monsieur Groeninx van Zoelen, c'est absolument normal, hein?' roept de aimable horlogier in Pézenas uit met Groeninx van Zoelens 1900 euro kostende vintage horloge dat vijf minuten voor loopt in de hand. 'Het is een dertig jaar oud horloge, daarvan kunt u niet verwachten dat het precies gelijk loopt! Dat is niet realistisch!' Natuurlijk eindigt het dispuut met de aimabele horlogier ermee dat er geen ruilmogelijkheid is, en niet alleen omdat Groeninx van Zoelens Frans niet goed genoeg is voor disputatie. Hij had op wat coulantie gerekend, maar er blijkt geen coulantie te zijn. Groeninx van Zoelen heeft niet gebriest, hij heeft geen rode blaasjes op zijn babyface, deels wellicht omdat hij voor een keer de raad van de niet-inwonende vriendin heeft opgevolgd – de vriendin die nu overigens wel haar facebookpagina's zit bij te werken op zijn computer in de glazen kubus – en naar Beziers is gevlogen en vandaar een huurauto heeft genomen. Hij zou wel zien waar hij overnachtte, zei hij. Misschien bij familie. Misschien nam hij een hotelletje. Dat kon er nog wel af, zei hij, want hij zou de volgende ochtend meteen weer terugvliegen naar Amsterdam. Alles bij elkaar, dacht hij, zou hij niet langer dan 36 uur op pad zijn.
15. Principekwestie
'Dit weekend naar Pézenas,' zegt Groeninx van Zoelen tegen de niet-inwonende vriendin aan de glazen ontbijttafel met uitzicht op een kaarsrecht water dat de naam gracht niet verdient. Groeninx van Zoelen spreekt zelden in hele zinnen tegen de niet-inwonende vriendin. 'Wat ga je doen in Pézenas?' 'Pézenas,' corrigeert hij onmiddellijk, 'niet Pézenà.' Hij neemt nog een hap van zijn verantwoorde muësli. 'Horloge terugbrengen.' 'Fré, dat meen je niet,' zegt zij. 'Je gaat toch niet weer met gevaar voor eigen leven 12 uur heen en 12 uur terug rijden voor een horloge dat vijf minuten voor loopt? Als het nou vijf minuten achterliep à la, maar voor.' 'Mag ik erop wijzen dat dat horloge dat vijf minuten voor loopt 1900 euro kostte?' 'Ja,' zegt zij, 'maar er zat geen garantie op.' Groeninx van Zoelen schuift zijn muësli opzij en zet zich aan zijn fruitsalade met geschaafde amandel. Zijn espresso laat hij koud worden. Op het pseudo-grachtje voor het raam gaat een bootje voorbij, een bootje met een kindje erin, een kindje met blauwe lippen. 'Principe-kwestie, zit me hoog, moet erheen, wat je ook zegt, ik ga.' Dit is een van die momenten waarop de vriendin beseft waarom ze niet-inwonend is. Groeninx van Zoelen had haar destijds wijsgemaakt dat hij naar Montpellier moest voor familiezaken, en dat hij tijdens een genoeglijk bezoekje aan het nabijgelegen Pézenas in een opwelling een vintage horloge had gekocht. (Hij heeft een zwak voor vintage horloges.) Ja, en omdat het vintage horloge het niet doet, moet hij het nu terugbrengen, tout simplement.
14. Donker gebied
'Wat is dat nu weer voor narigheid?' zegt de niet-inwonende vriendin van Frédéric Groeninx van Zoelen, als ze zijn en haar golfclubs uit de achterklep van de wel-inwonende Audi haalt, wijzend op een donker gebied ter grootte van een fors geschapen uitsmijter op de voor het overige smetteloze bekleding van de achterbak. 'Toch geen bloed, mag ik hopen. Fré, je hebt toch geen hoofd in je achterbak gehad? Of ga je me nu vertellen dat je een seriemoordenaar bent en dat je de hoofden van je slachtoffers naar de Lidl brengt in de achterbak van je Audi.' Voor de duidelijkheid, Groeninx van Zoelens niet-inwonende vriendin bedoelt dit alles schertsend. Ze is niet-inwonend, maar wel onwetend. De niet-inwonende vriendin is bezig humor te produceren, humor waarvan ze hoopt dat die een kleine glimlach kan veroorzaken op de babyface van haar geliefde, die al vroeg heeft geleerd dat lachen niet netjes is. Groeninx van Zoelen lacht niet, nooit, maar hij is wel benieuwd naar de vlek. Die gaat hij later, als de niet inwonende vriendin – na gedane zaken, uiteraard – naar haar eigen appartement is vertrokken, besnuffelen, aangezien hij zich niet kan herinneren dat hij recentelijk iets in de achterbak van zijn Audi heeft gelegd dat tot lekken in staat was, laat staan een hoofd.
13. Ton service discret
Enkele weken later bezoekt Groeninx van Zoelen in zijn glazen kubus-kantoor bovenop zijn zelfontworpen villa op IJburg voor de zoveelste keer de website van Midi Libre, het sufferdje in de Hérault. Hij leest over twee gays die eerst zijn afgetuigd en daarna levend begraven, over een zestal jongelingen dat op vrijdagvond bij een onhandig kruispunt door een vrachtwagen is geschept, allemaal op slag dood, en nog is de gemeente niet van plan iets te wijzigen aan de verkeerssituatie. Dood en verderf genoeg in de Hérault, maar niet de dood en verderf waarnaar Groeninx van Zoelen op zoek is. 'Cher Frédéric,' zo luidde de aanhef van de verontrustende email op zijn geheime account die hij niet had durven beantwoorden. 'Re: ton service discret. Alles in orde hier. Ik wil je graag op de hoogte houden van de verdere afloop. Je vraagt je misschien af wat ik met het lichaam gedaan heb. Voorlopig kan ik alleen maar zeggen dat ik het goed heb opgeborgen, maak je daarover geen zorgen. Wat de administratieve afwikkeling betreft, alles wat aan haar geadresseerd is, verbrand ik. Alle vragen die mij over haar worden gesteld, ontwijk ik. Dat gaat boven verwachting goed. Wie niet beter zou weten denkt dat zij nooit heeft geleefd.'
12. Idee
Groeninx van Zoelen zit onderuitgezakt in zijn Audi, een hand losjes aan het stuur, op de terugweg naar Amsterdam, met True love waits van Radiohead op de repeat. Het rusteloze gelukszoeken zit er weer op. Of neemt voorlopig een andere wending, want het wezenskenmerk van het rusteloze gelukszoeken is dat het nooit ophoudt. Telkens als je denkt: ik heb het geluk gevonden, komt er een barstje in, dat allengs groter wordt, totdat er grote scheuren in komen en het geluk in duizend stukken uiteen valt. De reis is meer waard dan de bestemming, vooral als de bestemming ligt in de dood. Groeninx van Zoelen is niet lang bij zijn slachtoffer gebleven. Waarom ook? Hij heeft zich ervan vergewist dat de incisie die hij in lengterichting aanbracht in de halsslagader van de vierkante vrouw diep genoeg was. Toen het bloed begon te spuiten heeft hij afscheid genomen van zijn opdrachtgever, zijn spullen gepakt en de kamer verlaten. Hij hoefde de vierkante vrouw niet in de ogen te kijken terwijl zij leegliep. Die taak liet hij graag over aan de magere man. Hij wilde niet achtervolgd worden door haar vragende, stervende blik, of zijn macabere genoegen. 'Ik heb het gedaan,' mompelt Groeninx van Zoelen voor zichzelf uit, terwijl hij met grote snelheid over lege snelwegen rijdt. 'Maar het was mijn idee niet. Voor mij had het niet gehoeven.'
11. Het onderhavige doel
'Monsieur Frédéric Groeninx van Zoelen,' de magere man steekt zijn kin uit naar de babyface in zijn onderbroek die zich nog nooit heeft hoeven scheren, 'voldoet uitstekend, daarover hoeven we ons geen enkele zorgen te maken. Althans,' voegt hij daar onmiddellijk aan toe, 'voor het onderhavige doel.' De vierkante vrouw maakt mokkende geluiden, slaat haar armen over elkaar en gaat in een houding staan van: eerst zien dan geloven. 'Frédéric begrijpt uitstekend dat we hem niet naar Caux hebben gehaald om druiven te plukken. Daarvoor is het te vroeg. Zoiets begrijpt Frédéric als geen ander. Zelfs is hij niet gekomen om de plaatselijke kerk een hart onder de riem te steken. Alsof de plaatselijke kerk een hart onder de riem nodig heeft!' Hier houdt de magere man even in, om te kunnen grinniken. Dit duurt niet lang. 'Maar wat is dan de reden van zijn bezoek aan onze nederige stulp in deze arme uithoek van de Republiek? Heel simpel: wij willen dat monsieur Frédéric Groeninx van Zoelen ons van het leven berooft, met dit mes, of met enig ander mes dat zich daartoe leent. Niets meer en niets minder. En zijn beloning zal aanzienlijk zijn, dat spreekt voor zich, al weet iedereen dat het hem daar niet om te doen is.'
10. l'Art de Raser.
Nog een bonk op de deur. Nu is het de vierkante vrouw die acte de présence geeft, in trainingspak. Vroeg of laat klonteren mensen samen, uit nieuwsgierigheid of verveling. Het wordt langzamerhand een drukte van belang in het kamertje van Groeninx van Zoelen – ongeveer even groot als zijn Amsterdamse bijkeuken – maar hij besluit hier geen grap over te maken. Groeninx van Zoelens Frans is niet beroerd, maar niet goed genoeg voor blaguer. De vierkante vrouw zoekt niet eens naar een zitplaats. De magere man lijkt de komst van de vierkante vrouw nauwelijks op te merken. Hij is bezig het houten lemmet van Groeninx van Zoelens scheermes model Le Gerlot (€300) van Thiers-Issard te bewonderen. l'Art de raser. 'Het mes is net geslepen,' zegt Groeninx van Zoelen, zijn hand ophoudend om het ding van hem terug te nemen. De magere man legt het scheermes naast zich op bed en geeft het onaangeroerde plastic glaasje wijn dat hij voor zijn gast had ingeschonken, aan de vierkante vrouw, die het in een teug leegt, en daarna haar mond afveegt met de mouw van haar jasje. 'Eh?' stoot ze tenslotte uit, tegen de magere man, knikkend in de richting van de blote Groeninx van Zoelen. 'Ik had om een man gevraagd.'
9. Bocht, denkt Groeninx van Zoelen.
Eén bonk op de deur. Groeninx van Zoelen doet open, in zijn onderbroek. De magere man, met een zaklantaarn in zijn hand, zegt: 'Ik kom het dak repareren.' 'Het lekt niet,' zegt Groeninx van Zoelen. 'Nog niet,' zegt de magere man, terwijl hij het plafond beschijnt, 'het heeft hier eerder gelekt.' 'Maar het is opgehouden met regenen.' 'Men moet het dak repareren als het droog is.' De magere man doet de deur achter zich dicht en gaat plompverloren op het opengeslagen bed zitten. Omdat er een kuil in de matras zit, en en Groeninx van Zoelen niet tegen de knokige heupen van de magere man aan wil schurken, gaat hij op de houten vloer zitten. De magere man legt zijn zaklantaarn op het nachtkastje, en haalt uit een meegebrachte rugzak een half stokbrood, een vochtig geitenkaasje en een fles etiketloze wijn. Bocht, denkt Groeninx van Zoelen. De magere man schenkt twee plastic bekers in, en haalt een stuk brood langs de geitenkaas. Dat steekt hij in zijn mond. Dan spoelt hij de hap weg met een slok wijn. 'Wat heb je met je wang gedaan?' zegt hij. 'Dat ziet er niet zo mooi uit.' Groeninx van Zoelen dept nog eens met een stukje keukenpapier op de wond die het prikkeldraad in zijn babyface heeft achtergelaten. 'Dat zal ik u laten zien,' zegt hij. Hij staat op, loopt naar het wastafeltje en pakt zijn open scheermes.
8. Rennen met ogen dicht
Groeninx van Zoelen zou zweren dat iemand achter hem zijn keel dichtknijpt maar dat moet inbeelding zijn. Toch springt hij op uit de kerkbank en rent panisch naar de uitgang, botsend tegen een tafel met psalmboekjes en kaarsen. De grijze hemel doet pijn aan zijn ogen. Het dorpsplein staat blank. Stortregen veroorzaakt furieuze stromingen in de smalle steegjes van het volkomen verlaten bergdorp. Groeninx van Zoelen sopt in zijn All Stars langs de gesloten deuren, luiken. Bij een kruising besluit hij de kortere, steilere weg terug te nemen. Hij weet ook wel dat dit geen goed moment is om te vallen, als er ooit een goed moment voor is, maar hij waagt het erop, en komt wonderwel ongeschonden onder aan de heuvel aan, maar daar wordt hij verrast – er moet een verrassing zijn – door een geluidloze streekbus die de scherpe bocht om komt. Het is te laat om te remmen, dus rent hij met ogen dicht door naar de overkant, waar hij wordt opgevangen door prikkeldraad. Als hij later eenzaam op zijn kamertje ligt te bloeden, leest hij: 'We may, indeed, say that the hour of death is uncertain, but when we say this we think of that hour as situated in a vague and remote expanse of time; it does not occur to us that it can have any connection with the day that has already dawned.'
Abonneren op:
Posts (Atom)









