27. De man zonder ambitie (I)



De man zonder ambitie, laten we hem Valery Domasov noemen, werd uit zichzelf wakker in zijn vaste kamer in het Helvetia Hotel in Sint Petersburg. Hij had geen wekker gezet, noch had hij een wake up call besteld. Dat deed hij nooit. Hij bepaalde graag zelf wanneer hij wakker werd. Gisteravond had hij het relatief bont gemaakt, met veel wijn en veel gesprekken met veel verschillende mensen in de lobby, als hij het zich goed herinnerde lag hij er pas rond enen in, en als hij uitging van negen uur slaap (mensen die beweerden dat volwassenen met acht uur af konden, waren wat hem betrof een dief van hun nachtrust), dan mocht hij van zichzelf niet voor tienen opstaan. Hij keek op zijn horloge en zag dat het half elf was. Gerustgesteld, met een brede glimlach op zijn pafferige gezicht, deed hij zijn ogen weer dicht.

Hij probeerde zich de gesprekken te herinneren. Er was een dame die serieus beweerde dat de aarde vierkant was, een kubus dus, en die mensen die beweerden dat de aarde plat was, belachelijk maakte wegens hun gebrek aan dimensie. Een heer, die Domasov meende eerder te hebben gezien, vertelde verhalen over zijn familie, hoe rijk die wel niet was, hoeveel land die wel niet bezat, fabrieken enzovoorts met massa's werknemers, maar Domasov had die vertelling erg vervelend gevonden. 'Het wordt pas boeiend als dat bezit wordt afgepakt, als die rijkdom verdampt door een ongelukkige beslissing,' kon hij zich herinneren te hebben opgemerkt. De heer wendde hierbij zijn gezicht af, alsof hij in een zure appel had gebeten, en verdween. Dan was er nog de vrouw die wiskunde studeerde en zweerde alle wiskundige problemen voor hem, of voor wie dan ook te kunnen oplossen. Omdat Domasov zo gauw geen wiskundig probleem kon bedenken, liep dat gesprek ook dood.

Domasov opende zijn ogen voor de tweede keer. Het was kwart over elf. Als een jong hondje sprong hij uit bed en opende de gordijnen. De hele straat was wit. Er lag een dik pak sneeuw. Het dwarrelde nog zachtjes, maar het was duidelijk dat de meeste sneeuw al was gevallen.

Een gelukzalig moment voor Domasov, die erg van sneeuw hield. Zonder sneeuw had het leven voor hem eigenlijk weinig zin. 'Sneeuw geeft, nou ja, sneeuw aan alle dingen. Een extra laag,' zo mocht hij graag volhouden tegen zijn vriend Tjersjev, die een hekel had aan sneeuw of welke vorm van kouwigheid dan ook. 

Domasov pakte de telefoon die naast zijn bed stond en bestelde een champagne-ontbijt, om de eerste sneeuw te vieren.

Toen er niet lang daarna werd aangeklopt bij zijn kamer, zachtjes, en Domasov opendeed, zag hij een verlegen serveerstertje, dat hij nog niet eerder gezien had, achter de room service wagen. 'Anastasia,' stond er op haar naambordje. Ze bleef naar de grond kijken.

'Ben je nieuw hier in het Helvetia?' vroeg Domasov.

Ze schudde haar hoofd, terwijl ze naar de grond bleef kijken. Uiteindelijk kwam het hoge woord eruit. 'Mijnheer heeft zich nog niet aangekleed.'