TunFun



Zach Johnsen


Ik probeer te werken bij TunFun en het valt me niet tegen. Er is zoveel chaos om me heen, dat die zich makkelijk laat blokken. Als er één kind krijst, kijk ik wel op, maar als er honderd tegelijk krijsen, dan blijkt dit bevordelijk te zijn voor mijn concentratie.
Maar dan: 'Pappa, mogen we een slush puppie?'
'Nee.'
'Zeg ja.'
'Nee.'
'Nee: ja!'
'Oké, vooruit. Een kleintje.'
Er wordt even driftig aan de slush puppie gezogen en dan gaan ze weer de jungle in. Zolang ik geen bebloede hoofden of afgerukte ledematen zie, denk ik dat het goed gaat. Eén keer, in een andere apenkooi, was ik mijn kind kwijt. Ik zoeken. Roepen. Bleek hij verstrikt te zijn in een kubus van touw.
Mijn computer is leeg. Ik bestudeer de tijddodende ouders, een vader met getatoeëerd gezicht in het bijzonder. Niet helemaal, maar voor veertig procent, schat ik. Geen woorden, maar een web, dat vanuit zijn hals, over zijn wang en slaap en voorhoofd zich verspreidt. Ik mag er graag naar kijken, maar dit blijft toch een uiterst eigenaardig aspect van lichamelijke versiering, dat de drager aan de ene kant bekeken wil worden (stel ik me zo voor, want waarom anders de moeite gedaan?) en aan de andere kant met rust gelaten wil worden, zoals iedereen. Het wordt nog vreemder, want deze gezichtstatoeage is voor mij zichtbaar, maar niet voor hem. Ik hoop voor hem dat hij hem, al is het maar voor even, vergeten is.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten