Goedertierenheid

1670 Jan Havicksz. Steen - zelfportret.jpg
Zelfportret Jan Steen
Ik was niet eerder, bij mijn weten, bij lichte sneeuwval op een kerkhof. We liepen achter de kist aan, die niet op de schouders werd gedragen, maar voortgeduwd, op een wagentje, over de witte paadjes van de Nieuwe Ooster. Ik mank schuifelend, omdat ik vanochtend mijn teen bezeerde na een glijpartij in de achtertuin (voor meer details stuur een email, dan zet ik u op de zere teen-lijst).
Mijn huis- en kantoorgenoot vroeg zich af of je in bevroren grond wel een graf kon graven.
'Dat denk ik wel,' zei ik, 'techiek staat voor niets, maar het blijft eigenaardig om iemand die vorige week nog bestond, nu onder de grond te stoppen.'
Een vriend van de zoon van de overledene, Jan Steen, complimenteerde me met mijn woordje tijdens de herdenkingsdienst. Dat woordje was geen overbodige luxe geweest, anders was er niet zo heel veel gesproken. Hoe je het wendt of keert, een woordloze uitvaart blijft een karige bedoening. Het gaf me bovendien de gelegenheid het woord goedertierenheid te gebruiken. Ik gebruik dit niet vaak, en niet alleen omdat er zo weinig aanleiding toe is.
Bij het familiegraf aangekomen stelde ik vast dat de familie van Jans vrouw, zoals hij ooit aan me vertelde, inderdaad een welluidende familienaam droeg: Boellaard van Tuyl. Jan beweerde trouwens van Jan Steen de schilder af te stammen. Dat zal dan ook wel waar zijn.
De begrafenisonderneemster sprak bij het familiegraf, waar Jan zou worden bijgezet, haar laatste, bijzonder spaarzame woorden – wat niet mocht verbazen, want zij bewees ook al eerder een vrouw van weinig woorden te zijn.
Wij raakten de kist even aan en begaven ons richting aula, alwaar filterkoffie en spreekwoordelijke cake.
De dochter kwam me, met betraande ogen, bedanken. Ik was blij met haar tranen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten