Directe democratie



Ik wou dat ik ORDER zou kunnen uitspreken zoals die speaker of the house of commons, John Bercow. Hij spreekt wel luid, dus vandaar de kapitalen, maar hij roept het niet uit, vandaar geen uitroepteken. Hij spreekt het uit als een vader tegen zijn kinderen aan tafel die kletsen terwijl hij probeert uit te leggen hoe zwaar hij het heeft gehad op kantoor. Dat lijkt me het wezenlijke verschil tussen de Britse en, voor zover ik weet, enige andere democratie op deze wereld: de interactie tussen spreker en gehoor die misschien, en dit vind ik verrassend, nog het meest doet denken aan de call en response in een gospel-kerk. Het verlevendigt in elk geval de proceedings, en niet alleen dat, het heeft ook een functie: de spreker weet waar zij aan toe is, of wat zij te berde brengt enig hout snijdt, dan wel totaal uit de lucht gegrepen is. Het is een vorm van directe democratie, van onmiddellijke inspraak. (May bleek haar hoofd dus niet op het hakblok te hebben gelegd; of beter: ze deed dat wel, maar haar kop zit er nog aan.)
Die Britse manier van politiek bedrijven doet me trouwens nog aan iets anders denken: de vergaderingen bij het studentendispuut waar ik lid van was. Kennelijk hebben Nederlanders alcohol nodig om te durven hun stem massaal te verheffen in gezelschap, en trouwens, in dat dispuut was de teneur van de interrupties vrijwel steeds afbrekend. Bijval – dat deed je niet. Afbreken was zoveel leuker, daar scoorde je mee. In het lagerhuis is dat waarschijnlijk ook zo, maar ik begrijp de afbrekingen vaak niet (afgezien van sneren als 'stupid woman').
De rol van de speaker werd bij de vergaderingen van weleer in mijn dispuut ingenomen door de praeses. Dus in plaats van 'mr. speaker', de aanhef die mevrouw May en elk Lagerhuislid telkens weer gebruikt, zeiden wij: 'Meneer de praeses.'
Gôh, ik geloof dat ik dat gedoetje toch een beetje mis.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten