Der Richter und sein Henckel

Paula Beer

Voilà: mein erstes Blog auf Deutsch. Warum? Warum nicht? Es geht um ein Deutscher Film, es geht um einen Deutschen Künstler, Gerhard Richter, und ich möchte denken daß mein Deutsch nicht  s o  schrecklich ist daß ich nicht auf Deutsch schreiben könnte – die Sprache, die so verwandt ist mit Holländisch, und doch habe ich es nie getan (ich habe es übrigens auch nicht gewußt, aber das ist eine andere Sache).
Als ich Florian Maria Georg Christian Graf Henckel von Donnersmarck's Filme sah, dachte ich: ah, schön, ein intelligenter Bio-Pic über den Maler, von dem ich ein großer Reproduktion in mein Büro hängen habe. (Ein Reproduktion einer Gemälde von Richter's Tochter Betty, wenn ich's recht habe, die ebenfalls beängstigendlich meine Frau ähnlich ist. Enfin.) Nicht nur das, der Filme hatte auch ein interessantes Plot: Sebastian Koch spielt den Schwiegervater des Künstlers, ein narzisstischen Arzt, der nicht nur sehr gut funktionierte unter den Nazis, aber später auch sehr gut funktionierte unter den Kommunisten, und, wann es ihm zu heiss unter den Fußen wird, nach Westen floh um dort sehr gut zu funktionieren. Ein Lebenskünstler, also.
Trotz dem Länge des Filmes (3 Stunden), und den offenbaren Mangel eines Autors, war Werk ohne Autor kein Moment langweilig.
NB: Paula Beer ist ein Kunstwerk an sich.
Richter hat Henckel intensiv geholfen, aber war nicht glücklich mit seinem Bio-Pic. Warum nicht? Weil er es zu 'reißerisch' fand. Nicht langweilig genug, denke ich. Zu sexy, oder so etwas. (Trotzdem, gutes PR, ein solche Kritik.)
In einer interview in The New Yorker, sprach der Regisseur vom Term 'übergriffen', in der Beschreibung eines Journalisten der ein enthüllendes Buch über Richter geschrieben hat.
Jetzt hat Henckel von Donnersmarck selbst übergriffen, und ich bin ihm dankbar dafür.
Ein Künstler ohne Gegner ist kein Künstler aber Kaugummi.

Nalatenschap

Related image



Ingeslapen. Uitgeluid en begraven. Huis leeggehaald. En dat allemaal in een tijdsbestek van tien dagen. Ik vind het allemaal nogal snel, maar ja, ik word dan ook een dagje ouder.
Omdat het om mijn buurman gaat, Jan Steen (1938-2019), kan ik de genadeloze stappen naar het niets van een afstandje gadeslaan.
Wat wij vanochtend nog op de stoep aantroffen van de huisraad, nadat de nabestaanden de inboedel de afgelopen dagen hadden verdeeld dan wel verkocht of weggegooid, was wat gruis en, dit kan ik niet nalaten te noteren, een donkergrijze onderbroek van het merk Booming Boxer. (Ik heb hem, zonder er aan te ruiken, gedeponeerd in de dichtstbijzijnde vuilnisbak.)
Precies op tijd waren ze, de nabestaanden, want vanochtend werd het grofvuil opgehaald, en a.s. vrijdag begint er alweer een nieuwe maand. Ik weet niet of ze de woning dan al leeg moeten opleveren, maar je kunt het maar beter gedaan hebben. Opruimen is goed voor de geest.
De dochter viel me gistermiddag nog om de hals. Om te bedanken. Voor alles. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Wij hadden het wel leuk gevonden om een kleinigheidje van Jan te hebben als aandenken. 's Avonds parkeerden er scooters voor ons raam, met de koplampen naar onze woonkamer gericht –  waarvoor dank – om de berg spullen op de stoep uit te kammen. Daar waren de vuilrapers gauw klaar mede, want Gideon Italiaander en een handvol Marktplaatsers waren hen voor geweest.
'Nu is er niets meer over van buurman Jan,' zeg ik tegen mijn vijfjarige op de fiets naar school.
'Jawel,' zegt ze opgewekt, 'zijn kinderen.'

Verf wint van video

Raquel van Haver: Change the rhythm of the Dancehall... it's still the Same Groove (2018)

Conceptuele kunst is gecontroleerde gekte, dacht ik toen ik in het Stedelijk naar een video van Bruce Nauman zat te kijken getiteld Playing a note on the violin while I walk around in the studio, uit 1971. Ondertussen gleden mijn kindertjes hoog boven in de zaal, – zonder dat de suppoosten hier bezwaar tegen aantekenden haast ik mij toe te voegen –, van een houten hellinkje af. Het kunstwerk waar wij aldus deel van uitmaakten en dat mogelijk werd vastgelegd (ik hoop het) door een beveiligingscamera, zou kunnen heten: Sliding off a wooden slant while dad is trying to appreciate time based art from the seventies.
Zoals zoveel gekte, gecontroleerd of niet, was ook die Nauman uiteindelijk utterly boring. Hoelang kun je geïnteresseerd naar iemand kijken die rondloopt in een rommelig kamertje, tussen de troep door, zogezegd, terwijl hij één noot speelt op een viool, niet erg virtuoos overigens maar dat was ook ongetwijfeld de bedoeling, en die ook nog eens, die 'violist' dus, af en toe uit beeld verdwijnt om dan even later weer te verschijnen?
Ik zou zeggen 1 minuut, maar dat komt omdat mijn idee van entertainment, en alle kunst is een vorm van entertainment omdat het hele leven een vorm is van entertainment, ernstig is aangetast door het interweb. We zijn allemaal ongeduldig. We willen prikkels en gauw ook, en veel verschillende liefst, zoals, grappig genoeg, Raquel van Haver met haar zelfgemaakte verf op grote panelen, die wel afgeeft ('Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het is een vrouw die haar kont tegen het kruis van een man drukt'). Mijn kinderen kregen er geen genoeg van, en ik eigenlijk ook niet. Verf wint van video, anno 2019, wie had dat gedacht?

Social driver (2)



Vandaag bijna frontaal tegen een echte auto aangereden. Ik sprong op de rem en slipte over het natte asfalt. Het scheelde een haar. Gelukkig zat er geen hoogbejaarde passagier naast me. Met een pokerface schoot ik de stoep op en vervolgde mijn weg.
Dat is het mooie van het social driverschap: alles mag, want gehandicaptenvervoer.
Toch kneep ik hem. Vorig jaar reed een social driver tegen een tram: total loss. Ik durf niet te vragen of ik verzekerd ben. 
Later op de dag, ik sta vast op de Gerard Doustraat – tegen het verkeer in, uiteraard –, blijf ik haken achter een gele betonnen balk, waarmee mijn parkeerplaats is afgebakend. Dit geeft een flinke knal, maar goddank geen schade.
Hoe zou het voelen om als vrijwilliger te worden ontslagen?
Op het adres in de Rivierenbuurt waar ik normaliter Ina ophaal wordt niet open gedaan. Ik zit verkeerd, Ina is bij de tandarts op de Rooseveltlaan. Ik scheur daar in de stijl van Mr. Bean heen. Ina is verwonderd dat ik 1 minuut te laat ben, want normaal ben ik tien minuten te vroeg. Als ik haar krukken in de achterbak heb gedeponeerd en zij zich naast mij heeft vastgegespt, zegt ze: 'Niet te snel over de bobbels, anders doet het zo'n pijn aan mijn heupen.'
Ik herinner me een instructie die ik kreeg toen ik voor het eerst achter het stuur plaatsnam: 'Altijd defensief rijden.'

Melancholisch en blij



Les parapluies de Cherbourg, waarvoor Michel Legrand de muziek schreef, is bij mijn weten, maar ik ben geen kenner (wil er misschien ook geen zijn), de enige melancholische musical. De hele idee van een musical, en die idee staat me tegen, is dat hij blij moet zijn. Denk Cats, Singing in the Rain, Sound of Music etcetera. Oké, Jezus Christ Superstar is misschien een uitzondering, want niet per se blij (neem de scene waarin de heiland 39 zweepslagen ontvangt), maar Hair is dat dan weer wel, en volgens mij zijn alle Broadway musicals, inclusief de punkmusical Rent in de grond blij, en ook Soldaat van Oranje (want onze jongens doen 't toch maar weer, hoewel ik me afvraag hoe die ene martelscène op muziek is gezet).
The Umbrellas of Cherbourg (1964), regie Jacques Demy, is melancholisch, misschien zelfs tragisch, en daarom een kunstwerk. Een hopeloos verliefd stel (hij monteur, zij parapluverkoopster, iconisch gespeeld door Catherine Deneuve), wordt uiteengereten door de oorlog (in Algerije), maar zij, reeds zwanger en het wachten moe, gaat een mariage de convenance aan met een rijke diamantair. Bij terugkomst uit de oorlog bezoekt de teleurgestelde jongeman eerst de lokale prostituées, maar trouwt daarna alsnog een jeugdliefje, dat hem nooit was vergeten. Samen beginnen ze een benzinepomp. Laatste shot is onvergetelijk mooi: het nachtelijke benzinestation in de sneeuw (heb ik weer, sorry) vijf jaar later, waar zij, de Oorspronkelijke Geliefde, in haar Mercedes, bij hem komt tanken. Ze vragen elkaar of ze gelukkig zijn en antwoorden aarzelend ja.
Waarschijnlijk hebben de producenten destijds tegen Demy en Legrand gezegd: mag het de volgende keer, iets eh, excusez le mot, blijer? En dat mocht, in de vorm van Les demoiselles de Rochefort. Ook een pareltje, wat mij betreft, muzikaal allereerst, maar vooral ook qua choreografie. Er wordt gedanst, en niet zo'n beetje. Dat heb je ook nodig, als kijker, bij een blij, dus dun, verhaal.

Schacht

Anish Kapoor: Descent into limbo


Haruki Murakami zou het jongetje over de rand hebben laten kijken, in de put hebben laten turen, en misschien iets hebben laten zeggen als: 'Ola?'
Haruki Murakami zou schrijven: het was geen put. Het was een schacht. Maar het idee, dat Murakami zo grenzeloos fascineert, namelijk dat van een ruimte die je wel in kan, heel makkelijk zelfs, maar niet meer uitkomt, zonder onmiddellijk te sterven (tenminste als je niet net een buiteling hebt gemaakt van 70 meter), blijft.
Murakami zou het jongetje, buiten het zicht van zijn ouders, die beiden in beslag worden genomen door hun mobiele telefoons, hebben laten knielen bij de schacht, en zijn hoofd in het gat laten steken. Hij zou hem, zoals elk kind dat de zwaartekracht ontdekt, en elke volwassene die nog graag de zwaartekracht aan het werk wil zien, enkele steentjes of papiertjes naar beneden hebben laten vallen. Hij zou hem niet hebben laten wachten op de plof of de plons, daarvoor is hij te jong, daarvoor heeft hij nog te weinig verwachtingen. Misschien dat Murakami hem daarom niet twee, wat belachelijk jong is, maar bijvoorbeeld vijf jaar maken, maar dat zou betekenen dat de schacht ook groter moet zijn om gevaarlijk te kunnen blijven, en hoe breder de schacht, hoe toepasselijker de term put.
Murakami is, net zoals zijn protagonistje, geobsedeerd door de put. Het mag geen ongeluk zijn, ook geen freak ongeluk. Er moet een intentie zijn, anders is er geen verhaal. Het jongetje wil naar beneden klimmen, omdat hij zich wil verstoppen. Voor wie? Hoe lang doet een kinderlijfje van pakweg 10 kilo erover om een afstand van 70 meter te vallen? Hoeveel miljoenen mensen hebben hun gedachten laten gaan over dit scenario, terwijl, maar dat is een cliché, elders kinderen in stilte sterven?

Goedertierenheid

1670 Jan Havicksz. Steen - zelfportret.jpg
Zelfportret Jan Steen
Ik was niet eerder, bij mijn weten, bij lichte sneeuwval op een kerkhof. We liepen achter de kist aan, die niet op de schouders werd gedragen, maar voortgeduwd, op een wagentje, over de witte paadjes van de Nieuwe Ooster. Ik mank schuifelend, omdat ik vanochtend mijn teen bezeerde na een glijpartij in de achtertuin (voor meer details stuur een email, dan zet ik u op de zere teen-lijst).
Mijn huis- en kantoorgenoot vroeg zich af of je in bevroren grond wel een graf kon graven.
'Dat denk ik wel,' zei ik, 'techiek staat voor niets, maar het blijft eigenaardig om iemand die vorige week nog bestond, nu onder de grond te stoppen.'
Een vriend van de zoon van de overledene, Jan Steen, complimenteerde me met mijn woordje tijdens de herdenkingsdienst. Dat woordje was geen overbodige luxe geweest, anders was er niet zo heel veel gesproken. Hoe je het wendt of keert, een woordloze uitvaart blijft een karige bedoening. Het gaf me bovendien de gelegenheid het woord goedertierenheid te gebruiken. Ik gebruik dit niet vaak, en niet alleen omdat er zo weinig aanleiding toe is.
Bij het familiegraf aangekomen stelde ik vast dat de familie van Jans vrouw, zoals hij ooit aan me vertelde, inderdaad een welluidende familienaam droeg: Boellaard van Tuyl. Jan beweerde trouwens van Jan Steen de schilder af te stammen. Dat zal dan ook wel waar zijn.
De begrafenisonderneemster sprak bij het familiegraf, waar Jan zou worden bijgezet, haar laatste, bijzonder spaarzame woorden – wat niet mocht verbazen, want zij bewees ook al eerder een vrouw van weinig woorden te zijn.
Wij raakten de kist even aan en begaven ons richting aula, alwaar filterkoffie en spreekwoordelijke cake.
De dochter kwam me, met betraande ogen, bedanken. Ik was blij met haar tranen.

Een duistere afvalemmer zonder deksel en ook zonder bodem

Related image
Eric Legrain

In het kielzog van vier meisjes, herstel: schrijvers, loop ik de vrieskou in van Antwerpen op zoek naar 't Fritkotje. Dit komt, we zijn op de nieuwjaarsborrel van de Bij, die nu eens niet de zuiderburen naar de noorderburen heeft gehaald, maar vice versa, maar waar de consumpties verrassend genoeg dermate Hollands blijken te zijn, dat wij ons genoopt voelen onze toevlucht te nemen tot lokale specialiteiten.
We volgen het meisje met de grote mond en de route op haar telefoon over de London Brug. Het meisje met de dikke jas loopt naast haar, erachter het meisje met de lange, ongelakte nagels en het meisje dat me deed denken aan mijn dochter maar dat al gedebuteerd is en werkt aan een tweede.
In de desolate frituur bestellen we kleine en medium friet. 'Goed doorbakken,' zeg ik er uit automatisme bij, hoewel dat zoiets is als bij de Chinees vragen om flinke porties.
Onze aandacht wordt getrokken door een duistere afvalemmer zonder deksel en ook zonder bodem. We gooien er een plastic vorkje in. Het plastic vorkje verdwijnt. 'Zoiets zou ik thuis ook wel willen hebben,' zegt iemand.
De frieten smaken. De mayonaise smaakt. Boven ons wordt een documentaire over Hitler uitgezonden.
Waar zullen we het over hebben? Ik heb het werk van de meisjes niet gelezen en zij het mijne niet, vermoed ik zo. Het meisje met de grote mond begint over het Boekenbal. 'Ik krijg geen kaartje,' zeg ik. Het klinkt sneuer dan ik het bedoel. 'Dan kun je toch nog naar het Schrijversbal in de Kring? Kost 15 euro.' Ik knik. De jeugd heeft niet alleen de toekomst, zij ziet altijd een uitweg; dit verklaart de aantrekkingskracht van de jeugd.
Is dit het hoogtepunt van de nieuwjaarsreceptie? Het heeft er alle schijn van. De drie uur durende busreis naar Antwerpen voelde anders, hoewel het besneeuwde, licht glooiende, schemerlandschap in de file bij Breda me in gedachten even transporteerde naar Siberië, of wat ik denk dat Siberië is, en dat had ik niet willen missen.

Social driver (1)



Ik heb er weer een baan bij: social driver. Mensen die slecht ter been zijn rijd ik kleine eindjes door de Pijp en de Rivierenbuurt à 1 euro per ritje voor de Stichting HeenEnWeer.
Mijn favoriete passagier is Greet, 97. Een juf die altijd ongetrouwd en kinderloos is gebleven. Al haar vriendinnen zijn dood. Greet heeft sluik meisjesachtig cementgrijs haar, een puntige kin (waar soms nog wat sneeuwwitte sprietjes uitsteken) en een uitermate zonnig humeur.
'Ik ruik de soep nog die je net hebt gegeten,' zeg ik, als ik haar ophaal van de dagbesteding bij het woonzorgcentrum en haar van de rollator in de Max Car help, waarbij ik bijna één bil mis. 'Uit je mond.'
'Niet uit mijn neus, nee,' kaatst Greet terug.
Greets brein werkt feilloos, behalve dat ze kort van memorie is. Wat voor soep ze heeft gegeten weet ze niet meer. Niet zelden neemt ze de verkeerde jas mee. En één keer stond ze voor haar gesloten huisdeur en belde ze de politie, die, toen die was gekomen, haar wees op de huissleutels om haar hals. 'Zolang het goed gaat, gaat het goed, en als het niet meer goed gaat, ja, dan kan ik er wel uitstappen,' zegt ze ineens. 'Dat mag op mijn leeftijd. Maar voorlopig gaat het goed.'
Zwijgend zoemen we temidden van het echte verkeer over de President Kennedylaan.
In haar tropisch verwarmde woning op de 9e verdieping van de flat waar ze al vijftig jaar woont, laat ze, niet voor de eerste keer, de zwartwit foto zien van haar als kind met haar zeven broers en zussen, van groot naar klein.
Ze wijst een jongere broer aan die nog leeft. 'Die woont in Groningen.'
'Spreek je die wel eens?'
'Hij belt nooit. En als ik hem bel, zegt hij: geen tijd. Voetbal.'

Van zwerver naar accountant in twee (2) stappen, à €19,90



Stap 1. Men kijke in de spiegel en men stelle vast dat het zwerverdom is aangebroken. Niet dat men hier niet al van doordrongen was door opmerkingen van huis- en kantoorgenote als: je ziet er verlopen uit, denk maar niet dat ik met een zwerver ... vul zelf in.
Men neme de beslissing dat het zwerverdom voor zover dit tot uiting komt in de slordige baardgroei, wellicht moet worden afgesloten, ook al is het 'stoer' om 'onverschillig' over te komen, vooral op het 'schoolplein'.
Men schere. Men kijke opnieuw in de spiegel en men stelle vast dat men 'herboren' is.
Stap 2. Men wasse de haren enkele maanden niet, waarmee weliswaar shampookosten worden uitgespaard, en, alweer, een prettige fuck you her en der op het schoolplein kan worden uitgedeeld, maar waarmee tevens het accountantendom, waar wij allen naar streven, niet bepaald dichterbij wordt gebracht. Men informere bij huis- en kantoorgenote naar Koerdische kultuurkapper: te ingewikkeld (volgende keer). Dus: op pad naar de kappersketen Lobotomy op de Rijnstraat (dezelfde Rijnstraat recent ontsterfelijk gemaakt op de eerste pagina van Rob van Essens De goede zoon. Speaking of Van Essen, die mag ook best weer eens naar de kapper, maar ik ben zijn huis- en kantoorgenote niet.)
Lobotomy hanteerde ooit de alleszins geestelijk gezonde prijs van 16 euro's of daaromtrent voor wassen & knippen, maar dit is 'dus' opgelopen tot €19,90.
Moet ik hiervoor, in gestreept kappersschort, de barricaden op?
Bij thuiskomst krijgt deze accountant te horen: 'Dat kan ik ook.' 'Sexy is anders.' En: 'Nou ja, over twee weken wordt het misschien nog wel iets.' Enzovoorts, enzoverder tot in eeuwigheid amen.



Jan is dood



De dood kwam zo dichtbij zaterdag dat mijn door de dood geobsedeerde dochter er hevig van onder de indruk was, en ik ook wel, moet ik zeggen.
's Middags was de dochter van bovenbuurman Jan, een kleine, pezige, doktersschuwe weduwnaar van rond de tachtig, in paniek naar me toe gekomen: 'Volgens mij is pa dood!' Ze had 112 aan de lijn en duwde mij de telefoon in de hand. Ik stelde me voor. 'Wilt u even gaan kijken of hij echt dood is?' vroeg de vrouw aan de lijn, 'dan weten we wat voor hulp we moeten sturen.' Een redelijke vraag. Ik ging de trap op, toch wel met lood in de schoenen, maar ook met de tinteling van drama in het hoofd. Ik had deze jobstijding al veel eerder verwacht, eigenlijk al na het overlijden van zijn vrouw, een paar jaar geleden, maar Jan had niet alleen mij verrast met zijn talent om voor zichzelf te zorgen en er iets van te maken. Maar hij at weinig, en rookte des te meer.
In zijn slaapkamer, die precies boven de onze ligt, vind ik hem in bed, vergrijsd, versteend en in foetushouding, onder een dekentje met LOVE erop. Zijn ogen staan nog een heel klein beetje open. Zijn ene hand op het hoofdkussen heeft nog het meeste weg van een kraaienpoot.
'Hij is dood,' zeg ik tegen de vrouw van 112.
'Weet u het zeker,' vraagt ze.
'Ik heb zelden iemand gezien die zo dood was.'
Beneden breng ik verslag uit aan mijn vijfjarige, die in huilen uitbarst. 'Ik vind het zo zielig voor Jan!' snikt ze.
Ik probeer uit te leggen dat het niet zozeer zielig is voor de dode, als wel voor de nabestaanden, want die gaan de dode missen, maar daar heeft zij niks aan. 'Ik ga hem ook missen... !' Ik probeer haar te troosten. 'Maar hoe kan dat dan, dat hij ineens dood is?' gaat ze verder.
Ik probeer uit te leggen dat een mensenleven soms op is, zoals een batterij op kan gaan, en dat het leven dan voorbij is. Een armzalige uitleg, besef ik, maar ik weet zo gauw niets beters.
Eigenlijk is de dood even raadselachtig als het leven.
Als de tranen zijn gedroogd, maakt ze een tekening voor hem.

Gebruikt

Uwe Wenzel: Rollator

Ik ben boos op M. Waarom ben ik boos op M.? Wacht, ik ben niet boos, je kunt niet boos zijn op een vriendin van negentig. Ik ben enigszins ontstemd. Teleurgesteld, zeg je dan geloof ik. Of moet ik zeggen dat de grenzen van de participatiemaatschappij zijn bereikt?
Vanochtend had ik haar aan de telefoon, en gisteren en eergisteren, voor de zoveelste keer had ze me gebeld met een verhaal over haar telefoon die het niet deed. Dit vond ik ongeloofwaardig. Ten eerste als je telefoon het niet doet, hoe kan het dan dat je belt? Ten tweede: koop een nieuwe telefoon, ik ben geen telefoonwinkel. Ik kreeg sterk de indruk dat het haar helemaal niet om die telefoon te doen was, maar om mij. Ze zocht naar een smoes om mij zo snel mogelijk naar haar appartement te dirigeren. Terwijl ik daar net was geweest, samen met mijn partner in crime, Bonnie, om haar bed te verschonen. Ik had namelijk unilateraal bepaald dat dat hoognodig moest gebeuren, en dat kon ook net even, omdat ze uit logeren was.
'Je gebruikt me,' zei ik. Ik schrok zelf van de formulering, ik geloof niet dat ik dit ooit tegen iemand heb gezegd (tegen mij is het daarentegen wel vaak gezegd, dacht ik).
'Ik jou gebruiken? Neeeeeeee.'
'Zo voel ik het. En dat gevoel is onbetwistbaar.' Ik klonk inmiddels als een bakvis in een driestuiverroman. 'We hebben je bed verschoond en geloof me, dat was geen overbodige luxe, en je hebt niet eens de moeite genomen ons daarvoor te bedanken. Dat vind ik niet correct.'
Stilte.
'O. Nou. Ja, maar er was ook zoveel aan de hand, ik kwam hier thuis in een enorme toestand, en...'
'Ja. Maar ik kom wel zo snel als ik kan je telefoon repareren hoor,' haastte ik mij toe te voegen en verbrak de verbinding.

Directe democratie



Ik wou dat ik ORDER zou kunnen uitspreken zoals die speaker of the house of commons, John Bercow. Hij spreekt wel luid, dus vandaar de kapitalen, maar hij roept het niet uit, vandaar geen uitroepteken. Hij spreekt het uit als een vader tegen zijn kinderen aan tafel die kletsen terwijl hij probeert uit te leggen hoe zwaar hij het heeft gehad op kantoor. Dat lijkt me het wezenlijke verschil tussen de Britse en, voor zover ik weet, enige andere democratie op deze wereld: de interactie tussen spreker en gehoor die misschien, en dit vind ik verrassend, nog het meest doet denken aan de call en response in een gospel-kerk. Het verlevendigt in elk geval de proceedings, en niet alleen dat, het heeft ook een functie: de spreker weet waar zij aan toe is, of wat zij te berde brengt enig hout snijdt, dan wel totaal uit de lucht gegrepen is. Het is een vorm van directe democratie, van onmiddellijke inspraak. (May bleek haar hoofd dus niet op het hakblok te hebben gelegd; of beter: ze deed dat wel, maar haar kop zit er nog aan.)
Die Britse manier van politiek bedrijven doet me trouwens nog aan iets anders denken: de vergaderingen bij het studentendispuut waar ik lid van was. Kennelijk hebben Nederlanders alcohol nodig om te durven hun stem massaal te verheffen in gezelschap, en trouwens, in dat dispuut was de teneur van de interrupties vrijwel steeds afbrekend. Bijval – dat deed je niet. Afbreken was zoveel leuker, daar scoorde je mee. In het lagerhuis is dat waarschijnlijk ook zo, maar ik begrijp de afbrekingen vaak niet (afgezien van sneren als 'stupid woman').
De rol van de speaker werd bij de vergaderingen van weleer in mijn dispuut ingenomen door de praeses. Dus in plaats van 'mr. speaker', de aanhef die mevrouw May en elk Lagerhuislid telkens weer gebruikt, zeiden wij: 'Meneer de praeses.'
Gôh, ik geloof dat ik dat gedoetje toch een beetje mis.

Creatieve havisten

Genadeloos?

Mijn poging om drie HAVO 4-klassen gisterochtend te verleiden Zalig uiteinde, dat door de sectie Nederlands op hun literatuurlijst was geplaatst, ook daadwerkelijk te  l e z e n , bevatte behalve verwijzingen naar 'literaire rapper' Fresku (tevens uit Eindje), een mini cursus creative writing, bestaande uit deze opdracht: schrijf één zin die a)schaamteloos is; b)genadeloos (niet hetzelfde), c) ironisch en d) origineel, onder het motto 'alles mag'.
De tekst mocht anoniem blijven, en dat was ook wel nodig, want schaamteloos zijn met je naam eronder is toch wat anders dan schaamteloos zijn zonder naam. Als ik de cursus nog eens mag overdoen met gymnasiasten eis ik op zijn minst een pseudoniem. De anonimiteit had ik trouwens gewaarborgd door ze hun tekst op een klein papiertje te laten schrijven, dat op te vouwen en in mijn vrijheidshoed te deponeren.
Dit hele systeem kon ze wel amuseren, en mij ook wel om eerlijk te zijn, en toen ik hun bijdragen aan het eind van de les in willekeurige volgorde voorlas waren de hilarische explosies cq. het geschamper en hoongelach niet van de lucht (ook en vooral bij bovenstaand tekstje).
Niet verwonderlijk hadden de adolescenten het meeste moeite met c) en d), hoewel genadeloosheid moeilijker is dan menigeen denkt. De bijdragen à la '... is kut' hadden de overhand, maar er waren toch ook wel interessante bij. 'Absent gemeld worden terwijl je gewoon aanwezig bent,' bijvoorbeeld.
Leuk, in al zijn eenvoud, vond ik: 'Mijn kat is dood en ik ben blij.'
'Deze lokalen stinken en de wc's mogen schoner.' Die was het origineelst, en indien ironisch: meesterlijk.


Zorgfunctie

Image result for chinees baby bos haar



Maandagochtend, first thing, belt M., mijn 90-jarige vriendin, maar het weekend is net achter de rug en ik heb even geen zin in een zorgfunctie, ik heb zin om egofiel met eigen werk bezig te zijn, dus ik neem niet op. Meteen daarna gaat de telefoon weer, nu een anoniem nummer, en als mijn huis- en kantoorgenoot dat wil wegdrukken – zij heeft  n o g  minder zin in mijn zorgfunctie – wint mijn medemenselijkheid het van mijn egofilie. 'Misschien ligt ze wel te creperen.'
Het OLVG aan de lijn. Ze ligt niet te creperen, integendeel, maar of ik M. wil komen ophalen van de spoedeisende hulp, waar zij vannacht per ambulance heen is gebracht, hoewel er weinig aan de hand was (een terugkerend patroon).
Natuurlijk doe ik dat. Nooit is mijn egofiele bezigheid van groter belang dan dat van een medemens met een hulpvraag.
Bovendien ben ik vergeten hoe de spoedeisende hulp van het OLVG eruit ziet.
'Ik kom eraan als ik mijn koffie op heb.'
Bij de spoedeisende hulp van het OLVG word ik door opmerkelijk opgewekte mensen naar een bed verwezen waarop M. in haar zwartfluwelen leefpak zit te kletsen met een opmerkelijk opgewekte verpleegster.
'Dat is snel!' zegt de laatste.
'We moeten opschieten, want ik verlang naar mijn tweede kopje koffie.'
Ik rijd M. in de rolstoel naar de auto, en laad haar in. 'Koud!' zegt ze. Ze trilt ook, en ademt in van die korte pufjes.
Ik zet klassieke muziek op om M.'s gedachten om te buigen, af te leiden. Afleiding is een van mijn beproefde zorgtechnieken. (Veel meer dan dat kan ik ook niet, trouwens. Het wordt tijd dat ik een EHBO-cursus volg.)
Thuis plant ik haar in haar bedje, dat wel eens verschoond zou mogen worden, denk ik en dat spreek ik ook uit, maar daar ga ik niet over. Bejaarden zonder kinderen zijn at the end of the day aan de goden overgeleverd.
Als ik haar Telegraaf uit de brievenbus heb gevist en haar wijs op een berichtje op de voorpagina: een Chinese baby met een enorme bos haar, kan er toch weer een glimlach vanaf. Haar gebrek aan make up staat haar goed.
'Viktor,' zegt ze ten afscheid, 'zul je af en toe toch nog eens aan me denken en me opbellen om te vragen hoe het met me gaat?'



Stepping out of fear

Image result for el capitan alex honnold













There are, in my mind, some similarities between free soloing and writing fiction. Both should be practised, preferably, in solitude. Other people are at best redundant, and at worst a major distraction. Both require focus, calmness and discipline. Both are completely useless (as in: there is no demand for it, the world is indifferent to it, nobody asked for it). And, here is the most interesting similarity, I think: both the soloist on the big wall and the writer facing the empty page must 'step out of fear' – in the expression of Alex Honnold in Free solo, a documentary about his ascend, without ropes or helpers, of El Capitan, a 900 meter high block of granite in Yosemite Park, California. It took him just short of 4 hours, and although I knew he would make it – I secretly betted my life on it – I felt a pit in my stomach when I saw him trying to traverse the euphemistically called 'Boulder Problem' near the end of the climb by way of the so called 'karate kick' (if he went for the jump, I would have left the movie theatre).
It's not a matter of overcoming fear, Honnold insists. It is a matter of stepping out of it, not letting it get into your consciousness. (It helps that this climber's brain has a amygdala that hardly reacts to anything, as is shown in a MRI-scan, so emotions tend not so much to interfere with his behavior.)
The fear writers of fiction have to deal with is not a mortal fear (except maybe in the case of Salman Rushdie), but a fear of their own demons, deepest insecurities, which may lead to a fear of madness, perhaps (at least in my case).
Free soloists are in search of perfection, actually, their lives depend on it, and in a way, this is true of (true) writers. It is not so much the margin of error (which is of course infinite in the case of writers), but in a way, if a fiction writer is taking his fiction writing seriously, he is fighting himself, just like a climber is fighting himself. Every word is a 'crimp', every sentence a ridge, every chapter a stop on the route to the top.

Robocalyps

Image result for robots artist

De vraag is niet of de robots het gaan overnemen maar of ze het winnen van de Chinezen en of het verschil te merken zal zijn.
Leven we in de Eindtijd – een andere dan die de christenen voor ogen hadden, maar toch met hetzelfde resultaat, namelijk dat we ten dode zijn opgeschreven, dan wel overgeleverd aan machines die ons kapot zullen maken, of, dit lijkt waarschijnlijker, ons langzaam zullen laten verpieteren?
Of wordt de Eindtijd een Begintijd als de robots de planeet redden of andere planeten voor Chinezen te bouwen of bewoonbaar te maken?
Ik werd weer eens ontroerd door de Informaticus, die, min of meer uit het niets zei: 'Pap, ik denk dat het zo gaat: eerst gaat het helemaal mis met die robots, ze richten een slachting aan. Een massamoord. Vervolgens worden ze getweaked en gefinetuned, en dan kunnen we ze weer voor ons grotere heil inzetten.'
Hij zei het natuurlijk anders, niet in deze bewoordingen, de bewoordingen zijn van mij, de vader, de robotvrezende vader, die nog gelooft in boeken en typmachines.
Het woord massamoord gebruikte hij wel, maar ik denk niet dat hij daarmee een massamoord van holocaustachtige proporties bedoelde. Meer enkele tientallen slachtoffers of daaromtrent.
We zullen zien. Dat wil zeggen: hij en zijn Chinese vrienden zullen het zien. Ik denk niet dat ik het nog ga meemaken. Dat heeft ook wel weer iets geruststellends, voor alle betrokkenen.

Brief aan mijn aambei

Image result for rosebud painting abstract
Oksana Tanasiv


'Leuk' dat je er weer bent, dat was toch wel een tijdje geleden, dat we elkaar 'zagen'; dat wil zeggen, ik zie je niet (tenzij ik een anale selfie zou maken, waar ik nu geen zin in heb), ik  v o e l   je alleen, en niet zo'n beetje. Je bent weer 'lekker' aanwezig. De vraag die mij bezighoudt is wel, wanneer ga je weer weg. Neem dit alsjeblieft niet persoonlijk. Het gaat me niet om jou als zodanig, meer om jouw soort, de subcategorie van bloedvatuitstulpingen op krappe plekken. Nu zou je me kunnen betichten van, ja, van wat eigenlijk, nou ja, zoek maar uit, verzin maar iets, er is vast wel iets dat eindigt op -isme waar ik me aan schuldig maak, uitstulpisme, het wordt langzamerhand lastig zo niet onmogelijk om een uitspraak te doen waar niemand aan zich aan stoort, waar niemand zich gekwetst door zou kunnen voelen en die toch iets betekent, meer dan een tautologie als 'druk leidt tot uitstulping'. Ik heb het idee, maar corrigeer me als ik verkeerd zit, dat je dit keer wat feller de kop op steekt dan normaal, alsof je een punt wilt maken, alsof je me wilt wijzen op iets dat ik zelf over het hoofd heb gezien. Als dat zo is, geachte aambei, wat? Kun je specifieker zijn? Nee, natuurlijk. Je speelt je spel in stilte, achter mijn rug om, veilig uit het zicht. Wat dat betreft ben je een prachtig voorbeeld van passieve agressie. Gefeliciteerd daarmee. Tot zelden in de toekomst,

Je gastheer

Non, il probablement ne regrette rien

Marvel Harris

Zonder het te weten is Marvel Harris bezig te veranderen in een oude vriend van mij zoals ik hem mij herinner van veertig jaar geleden of daaromtrent. De overeenkomst is opmerkelijk. Nu was die vriend van mij van veertig jaar geleden, J., al enigszins androgyn, zoals wij allemaal androgyn waren destijds, – ja, waar is onze androgynie gebleven? – maar hij was toch echt wel een jongen, dat weet ik zeker, dat heb ik gecheckt. Meer een jongen dan ik, zelfs. Zo had hij eerder de baard in de keel, eerder 'haartjes' en eerder spierballen en wat dies meer zij. Ik weet niet hoever Marvel is met haar transitie, of moet ik zeggen zijn transitie, maar ik vraag me met terugwerkende kracht af of ik me destijds had kunnen voorstellen dat vriend J. transgender was, of genderdysforisch of iets dergelijks. Ik kan het me nu wel voorstellen, maar kon ik het me toen voorstellen? Wist ik ervan af? Misschien een vaag besef. Wat als J., de vriend van toen, sinds ik hem niet meer gezien heb, bezig is een transitie de andere kant op? Dan zijn de genders weer in evenwicht. Er zijn ook transgenders met spijt, wist mijn moeder me te vertellen. Dit had ze gelezen. Dat er transgenders zijn met spijt wil ik best geloven. Van iedere beslissing kun je spijt hebben, dus ook van een sex change, alleen lijkt me het rechtzetten hiervan iets bewerkelijker. Zoals je laser shops hebt om tattoeages weg te werken, krijg je straks sex shops om je sex change terug te draaien. Met de groeten uit Nashville. Maar Marvel ziet er niet uit dat hij spijt heeft. Integendeel. Gelukkig maar.

Tweeëndertigste werkdag




Wonderen bestaan nog: op 4 januari jongstleden is de oud-bibliothecaresse verhuisd van haar stoffige, donkere, brandgevaarlijke huisje in de Jordaan naar een frisse, lichte, veilige kamer in een zorgcentrum in Amsterdam Zuid... oost. Het zorgteam dat de verhuizing begeleidde stuurt foto’s waarop de oud-bibliothecaresse vanuit verschillende standpunten valt te bewonderen op haar nieuwe plek, met de armen over elkaar en de ogen dicht.
Uiteindelijk maakt het niet zo gek veel uit  w a a r  je zit met je armen over elkaar en je ogen dicht, zolang het warm en droog is.
Verheugd stel ik vast dat er een goedgevuld boekenkastje is meeverhuisd. Een oud-bibliothecaresse, ook een dementerende, veroordelen tot een woning zonder boekenkast is zoiets als een kind zijn knuffels afpakken. Over knuffels gesproken: op een van de foto’s zie ik Beer, in zijn vaste leunstoel, op het dressoir, dus ook aan hem is gedacht.
Moet ik me schuldig voelen omdat ik de oud-bibliothecaresse ooit heb beloofd dat ze bij mij kon onderduiken als ze ooit zou worden gedwongen haar huisje te verlaten?
Als Maarten Biesheuvel ook nog kwam logeren, hadden ze elkaar prima kunnen bezighouden, bedenk ik me, maar de uitgever van Bies reageert niet op mijn email, en de oud-bibliothecaresse is mijn belofte denkelijk (hopelijk) vergeten.
Zorg voor dementerenden en psychotici kun je misschien ook maar beter aan professionals overlaten.
Niettemin wil ik gehoor geven aan mijn toezegging om de oud-bibliothecaresse nog eens mee te nemen met de auto voor de bezichtiging van een zonsondergang, bij voorkeur in Bloemendaal aan Zee.
Misschien niet te lang mee wachten.
Eerst maar eens zon.

Dierindrukken opgedaan op het Friese platteland

Bruno Pontiroli
Bruno Pontiroli

Een haas die rent voor zijn leven terwijl hij achterna wordt gezeten door een middelgrote jachthond. Ik had nog nooit een haas zo hard zien rennen, herstel: ik had nog nooit een haas zien rennen, en begrijp nu waar de uitdrukkingen hoe de hazen lopen, het hazepad kiezen en zo bang zijn als een haas vandaan komen. Waarom bleef haas alsmaar volledig in het zicht van zijn belager, die op pakweg dertig meter volgde? Pas op het allerlaatst dook hij wijselijk het riet in naast de sloot. De jachthond hield het niet droog.
Een rat gevangen in een val. Een ex-rat, om precies te zijn. Een rat die is opgehouden te bestaan. Een rat op bezoek bij zijn schepper.
Een kreupele koe, net volautomatisch gemolken in de lokale melkveehouderij, probeert haar weg te vinden door de stalen poortjes naar de jeukmachine (niet ongelijk de borstels in een autowasstraat), waar zij zich de streling zonder emotie laat welgevallen. In het voorbijgaan had ze naar mij, stadse pottenkijker, omhoog gekeken en haar niet onwelriekende adem gewasemd. Misschien wordt het tijd ook zuivel te vermijden.

Doodsobsessie (toch weer)

Trevor Chowning: Damien Hearse

'Mamma, ik hou zoveel van je dat ik niet kan wachten dat je doodgaat.'
Het jaar is nog niet begonnen of we worden alweer geconfronteerd met de levensvreugde van de vijfjarige, die zich niet zelden uit in doodsverlangen. Hierin toont zij zich een vroege romantica.
Ze kan gemeen zijn. Zoals wanneer de negenjarige de hele ochtend op zijn vriendje wacht, en zij tegen hem zegt: 'Hij komt niet. Hij is dood.'
Sinds kort speelt ze ook met liefde. Op geraffineerde manier, nu al. Zo heeft ze al meerdere keren verklaard aan haar moeder, dat ze, nou, ja, ze vindt het heel vervelend te moeten zeggen, maar het is niet anders, ietsiepietsie klein beetje meer van pappa houdt dan van mamma. 'Heel klein beetje meer!'
De moeder begrijpt dat wel, deed vroeger hetzelfde, en misschien nog steeds, zonder het met zoveel woorden te zeggen. Iets uitspreken is meer dan alleen iets uitspreken. Iets uitspreken, John Searle wist het al, is een handeling. Een daad.
Ik krijg ook te pas en te onpas kusjes, op allerlei plaatsen. Ze weet mij daarmee in te palmen, te verleiden – om dingen gedaan te krijgen.
Van de week probeerde ik 'een beetje' te werken – proberen te werken tijdens een kindervakantie is proberen een ei te bakken op een landmijn – en toen ik haar niet snel genoeg mijn aandacht schonk, zei ze: 'Als je nu niet komt, vind ik jou niet meer liever dan mamma.'
Ziehier het gevolg van haar liefdesobsessie: de Totale Fysieke en Psychische Confiscatie van het Object Harer Liefde.
Je zou haar  b i j n a  dood wensen.

Het tragische lot van Matthieu Smakman



Dat had de titel kunnen zijn van een novelle van, ik noem maar iemand: – nee, laat ik dat niet doen, maar het zou wel degelijk de titel van een novelle kunnen zijn. En niet alleen dat, het zou een waar gebeurde novelle kunnen zijn, maar dan heet zoiets geloof ik een long read.
Van het bestaan van Matthieu Smakman was ik tot een paar dagen geleden niet op de hoogte, maar toen iemand zijn naam noemde en ik begon te googelen, vond ik het moeilijk om op te houden met googelen. De feiten zijn gauw opgesomd: gezette vijftiger met onblusbare ambitie en dito can do mentaliteit keert terug uit Frankrijk (waar hij eerder, zoals door het programma Ik vertrek vastgelegd, in Normandië met vrouw en kinderen een landgoed had opgeketst) om een zelfvoorzienende 'kolonie' te stichten op een tochtig stuk boerenland nabij Purmerend. Dit mislukt, zoals vastgelegd door Frans Bromet, maar Smakman strijkt neer in Exloo om daar een whiskey-stokerij op te zetten (onder de beroerde merknaam Turv). In het laatste shot van Bromet zien we Smakman met volle jezus-baard, een kleine ingreep die hem in een totaal ander mens omtovert. Flash forward naar 2017: Smakmans stokerij, alsmede zijn boerderij die te koop stond, brandt tot de grond toe af. Vrouw en kinderen zijn gevlucht, maar, zo blijkt later, de tragicus zelf is bij de brand omgekomen. Wat is gebeurd? Wat dreef Smakman? Heeft deze voormalige 'slager van het jaar' zichzelf in de vernieling gedraaid, of hebben de vijanden die hij in de loop der jaren had verzameld dat gedaan? Een intrigerend personage.

Vier diners



Het eerste diner zal de geschiedenis ingaan als het diner waarop ik, al kauwende, besefte dat ik het lot uit de loterij aan het vermalen was: de amandel die verstopt zat in het Noorse toetje. Geen bewijs, geen prijs.
Het tweede diner zal herinnerd worden, althans door mij, en misschien alleen maar omdat ik er hier over schrijf, als het diner waarop ik mijn eigen keuken uit werd gejaagd door mijn Gesprekspartner sinds '83, die ik niet alleen had uitgenodigd om te komen eten, maar tevens om te komen koken. Be careful what you wish for. Overigens kan hij veel beter koken, dus was het niet meer dan terecht, maar toch. Onze cultuur is een eercultuur: waar zouden we ons anders druk over moeten maken?
Het derde diner, ook wel het tweede familiediner – ach ja, dat moest er ook nog komen; natuurlijk, nee zeggen zou flauw zijn, onnodig grievend, en uiteindelijk was het ook toch gezellig? Jawel, samenleven is gezelligheid opzoeken, afdwingen, organiseren (ook al kun je, zoals ik, nog zo blijven hameren op het belang van ongezelligheid) – herinner ik me als het diner waarop Gesproken Werd. Door mijzelf zelfs, tot mijn eigen verbazing, toch wel, terwijl ik Eigenlijk Niets te Zeggen had. Aardig lastig om dat met zoveel woorden te verbergen.
Het vierde diner was als het laatste avondmaal, maar dan met kinderen, die aan hun eigen disje zaten (dat dan wel weer; de maatschappelijke hegemonie van het kind mag dan onafwendbaar zijn, dat wil niet zeggen dat kinderen niet, zoals vroeger bij mijn tante thuis, apart kunnen en mogen tafelen). Noem het apartheid nieuwe stijl.
En nu vasten.