1. Beslagen ramen

Julie Mecoli

Opeens stond er een rood autootje voor de deur, met twee grote, kale mannen erin. Ik weet ook wel dat je een verhaal zo niet kan beginnen, zo'n rood autootje dat uit de lucht komt vallen, compleet met twee passagiers, groot en kaal bovendien, maar toch was het zo. Die mannen pasten nauwelijks in dat autootje, maar ze bleven er urenlang in zitten, soms van plaats verwisselend, af en toe uitstappend om even in de achterbak te rommelen of een sigaret te roken. Ze droegen kleren die niet getuigden van enig modieus besef. Willekeurige kleren.
'Heb je die mannen gezien,' vroeg Enna bij de koffie. 'In dat autootje?'
'Ja, wat is daarmee?'
'Ze zitten er al de hele dag.'
'Ik denk flex-migranten, met een klus in Amsterdam. Ze willen geen geld uitgeven. Als je geen geld wilt uitgeven moet je binnenblijven en je niet verroeren. Zodra je je gaat bewegen, geef je geld uit. Ze willen alles wat ze met die klus verdienen mee terugnemen naar huis.'
Enna was er niet gerust op. Ze wilde de politie bellen.
'Waarom zou je de politie bellen? Die mannen zijn niemand tot last. We leven, last time I checked, in een vrij land.'
Die avond, voordat we naar bed gingen, deed ik de gordijnen opzij. Het autootje stond er nog, met de mannen erin. Ze hadden zich in allerlei bochten gewrongen, op zoek naar een slaaphouding. De ramen waren compleet beslagen. Ik vroeg me af hoeveel zuurstof twee grote mensen nodig hebben om de nacht door te komen. Waarom zetten ze geen raampje open?
De volgende ochtend ging ik naar buiten en tikte tegen het raam. Niet om ze weg te sturen, of om te zeggen dat wat ze deden illegaal was, maar uit nieuwsgierigheid. Soms denk ik: iets minder nieuwsgierig zou beter zijn voor iedereen, maar dan is het al te laat.
Het raampje ging open. De man achter het stuur droeg een ziekenfondsbrilletje. Onder aan zijn kin hing een plukje zuurkoolkleurig haar. Hij keek afwachtend naar me omhoog. Dit was het exacte moment waarop wij en zij elkaar tegenkwamen, het punt van menselijke interactie zogezegd, de confrontatie met de Ander.
'Good morning,' zei ik, zo vriendelijk mogelijk. Je weet nooit wat je aantreft, dus kun je maar het beste vriendelijk zijn, is mijn filosofie.
'Good morning,' zei de man met het sikje, met een onvervalst accent.
'May I ask what you are doing here?'
'You may.' Hij knikte. Ik meende een heel klein glimlachje te ontwaren achter de brillenglazen. 'Well?'
'We have come to assassinate you.'

Geen opmerkingen:

Een reactie posten