Een mooie, weggegooide dag

Je was bezig met een schutting voor je tuinhuisje omdat je niet wil dat iedereen zomaar kan zien wat jij daar allemaal uitvoert, en nu had je je zinnen gezet op een haag van bamboe. Veel beter, eleganter ook, dan een slap hekje van nephout, bijvoorbeeld. Je had je al een paar weken, maanden misschien, verdiept in de ins en outs van bamboe, en dat waren er nogal wat; zo ontdekte je bijvoorbeeld dat er zoiets bestaat als een bamboe-plaag, maar die wetenschap was niet relevant voor dit project. Toen hoorde je dat iemand in zijn nieuwe huis buiten de stad bamboe in de tuin had staan en daar vanaf wilde. Ha, zei jij, als ik die bij jou mag weghalen, dan ben jij van je bamboe af en heb ik een schutting voor mijn tuinhuisje. Je superhandige en dito bereidwillige schoonvader ging mee. Het was een mooie dag. Jullie togen aan het werk met een schop, een bijl en zagen, maar er was een probleem: de bamboeplant wilde niet mee. Hij liet zich niet uitgraven. Hij had zich diep, heel diep vastgegrepen met zijn lange, lenige wortels in de Hollandse bodem en op geen enkele wijze zou hij zich laten bevrijden. Zeer tegen de gewoonte van de schoonvader in moesten jullie na een paar uur opgeven. De bamboe bleef waar hij was en jullie gingen met lege handen naar huis. Op de terugweg belandde je in de file.

Literair experiment

'Ik heb nou toch iets gelezen,' zegt mijn moeder over de telefoon, 'een roman bestaande uit een zin. Eén zin! Titel: Nu ik. Geschreven door Rutger Pontzen. Wel eens van gehoord? Thomas Rosenboom heeft het aangeprezen. Zei dat het op meesterlijke wijze toewerkt naar een apotheose of zoiets. Maar ik vond het niets. Vreselijk! Eén zin. Dat is toch niks?'
Ik zeg tegen mijn moeder dat ik alleen al het idee toejuich dat een schrijver iets anders probeert dan altijd maar weer hetzelfde, en dat de moderne Nederlandse literatuur opvallend conservatief is. Ook al bevat Ulysses veel, zo niet alle literaire fratsen die je zou willen uithalen, dan betekent dat nog niet dat er alleen maar naturalistische romans geschreven zouden moeten worden.
'Ja, maar één zin! Ik heb een stukje geprobeerd, maar het was niet vol te houden. Ik heb het boek meteen weer naar de bibliotheek teruggebracht.'
Het is inderdaad moeilijk vol te houden, zo'n experiment, zowel voor de lezer als voor de schrijver. Ik doe het ook wel eens, maar dan in korte stukjes. Ik geloof dat het langste verhaal uit één zin een tirade tegen vakantie was voor het 'Vakantiedoeboek' van Hans Ubbink, maar daar heb ik nooit ook maar een reactie op gekregen, ook niet van mijn moeder.
Pontzens roman in één zin doet me denken aan The Interrogative Mood: A Novel?, een roman bestaande uit alleen maar vragen. Ook gewaagd. En vermoeiend.
Opnieuw neem ik me voor vaker het experiment op te zoeken, al was het alleen maar om mijn moeder op de kast te krijgen.

Schriftsteller

'We hebben gehoord dat je Schriftsteller bent. Zijn er boeken van je vertaald in het Duits of in het Engels? Zo ja, kun je ons vertellen bij welke boekhandelaar we je boeken kunnen kopen?'
Een jong stel uit Hamburg. Geen 'intelluelen'. Maar wel lezers, dus. Zij, fitness-trainer, en hij leraar muziek. ('Je bent dus muzikant,' zei ik in mijn Schwere Wörter-Duits omdat ik weiger Engels te spreken met Duitsers. [Engels spreken met Duitsers is zoiets als wortels bestellen voor een konijn in een driesterrenrestaurant.] En daarnaast geef je les.' Hij knikte, glunderde.)
Ik hoorde mezelf uitleggen dat nee, mijn boeken niet vertaald zijn, noch in het Duits, noch in het Tuvalees, for that matter.
'Maar we hebben wel een stuk over je laatste boek gelezen in Die Welt. Lukt het met de sollicitaties bij de Polizei?'
Nu was het mijn beurt om te knikken.
Zij glunderen. Ik glunderen.
'We hopen dat je boeken gauw worden vertaald.'
Knikken. Glunderen.
Ik memoreerde nog een New Yorkse kennis die, toen hij een internationale bestseller had, de ene na de andere vertaalde editie kreeg opgestuurd, uit alle hoeken van de wereld. 'Dat is iets om heel erg jaloers op te zijn,' zei ik.
De Duitsers knikten. Het werd tijd om afscheid te nemen.

Bericht van de cramping II: faits divers

1. Als we van de overvolle stad naar de overvolle cramping zijn gereden, moeten we van de overvolle cramping naar het overvolle strand en als we eenmaal op het overvolle strand zijn, moeten we stoelen bij de overvolle strandtent bezetten om daar te kunnen eten, 'anders is het vakantiegevoel niet compleet'. 'Ga jij die stoelen maar bezetten, als je dat zo graag wilt, voor mij hoeft het niet. Ik lig hier prima.' 'Ik heb alles geregeld, wil jij dat dan niet even doen? Dat is toch een kleine moeite?' 'Dat geeft me nieuwe stress, ik kom juist om te de-stressen.' Enzovoort, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Uiteindelijk zitten we natuurlijk toch in de felbegeerde stoelen, en land ik met een hand in de zoetzure saus.

2. Een blond jochie zegt tegen zijn zus: 'De volgende keer sla ik je een bloedneus.' De moeder probeert te sussen. Lukt niet. Later probeert de vader het. Zelfde type. Verloren zaak.

3. Een yogalerares uit Stuttgart beweert om morele redenen niet op Facebook te zitten. Die kende ik nog niet.

4. Alle kippen, en de meeste konijnenjongen in de cramping-kinderboerderij zijn in een paar nachten door een vos en een boommarter kapotgebeten. Een kalkoen hebben ze ook meegenomen. Dat was jammer, want die broedde net op een stel eieren.

5. Een man doemt ineens halfnaakt uit de duinen op vraagt om een vuurtje.

6. Een meisje op de fiets draagt een T-shirt met natte plekken.

7. Uit de dennenbomen daalt stuifmeel neer. Bosvreugd!

Uitzitten

Een vriend die ik al lang niet meer heb gesproken belt opeens. Ik vraag hoe het met hem gaat. Hij klaagt dat zijn vrouw haar onzekerheid vertaalt in woede, en dat hij daar hoorndol van wordt. 'Iemand wees me daarop. Ik had haar gedrag zelf nog nooit zo geanalyseerd, maar het is waar. Ik word gek van die woede. Het enige wat ik wil is af en toe de liefde bedrijven en een goed gesprek. Wat ik nu krijg is dag in dag uit toorn... Zij belaagt me met haar argumenten... Ze wil in alles gelijk hebben... Ik krijg natuurlijk de volle laag... Wij passen gewoon totaal niet bij elkaar. Dat wist ik al vanaf het begin, maar goed, we hebben de kinderen... Als we het nog een paar jaar uithouden met elkaar... Als. Ik weet niet eens of we dat wel redden...' Ik vertel hem over een andere vriend, net zoals hij getrouwd met kinderen, die het polyamoureuze experiment aan is gegaan. De klagende vriend zucht diep. 'Wauw. Nou. Ik weet niet. Dat staat allemaal ver af van me. Ik moet dit huwelijk uitzitten, ben ik bang, en dan hopen dat er tegen die tijd nog een nieuw hoofdstuk voor mij in zit.'

Massale opsluiting + paniek = de hel

De hel zoals ik me die voorstel – toegegeven, er zijn meerdere varianten, maar dit is een die telkens terugkeert: – een grote ruimte, gevuld met duizenden mensen die in paniek raken en die, in hun ijver om te ontsnappen, elkaar vertrappen. De eerste keer dat ik me goed van dit scenario bewust werd, was bij de ramp in het Heizel-voetbalstadion in 1985. Ik kijk nooit naar voetbal, maar toen was ik aan het beeld gekluisterd. Je kon live zien hoe mensen werden verdrukt.
Ik zag een filmpje langskomen van twintig seconden uit Manchester. Gillende mensen. Een vrouw die eerder was vertrokken, las ik in The Guardian, zag lichaamsdelen rondvliegen en vond later bloedspatten in haar haar. Er zullen meer films zijn. Ik hoef ze niet te zien.
Elk mens is tot op zekere hoogte claustrofobisch, maar zoekt tegelijkertijd afgesloten ruimten op – Middas Dekkers muntte die laatste neiging thigmofilie – en wil sociaal zijn. Bij mij wint de claustrofobie het dikwijls van de andere neigingen.
Het is moeilijk, maar niet onmogelijk, om je een toekomst voor te stellen waarin populaire gelegenheden alleen nog virtueel kunnen worden bijgewoond. Ook een hel.

Uit

We gingen uit. Dat wil zeggen, ik had blind kaartjes gekocht voor een concert van Torgeir Waldemar in Cinetol, waarop we ons wegens tijdnood, en gebrek aan voorkennis, nauwelijks konden verheugen, maar toen het concert zou beginnen zat ik in de kinderkamer met het handje van een driejarige aan mij vastgeklampt. Ik stelde mezelf gerust met de gedachte dat rockconcerten nooit op tijd beginnen, maar misschien was dat ook allang achterhaald.
'Ga jij maar alvast,' zei lieftallige, 'laat maar weten of het iets is.'
Twee minuten later was ik ter plaatse. Niet alleen wordt alles persoonlijk, alles wordt ook lokaal – of is dat allang, maar dit was er voor mij nog een bewijs van.
Het concert was in volle gang. Torgeir Waldemar bleek een Herman Brusselmans-lookalike, met lange baard, die extreem luid en traag gitaar speelde en zong (toch wel een heel klein beetje vals maar misschien was dat de bedoeling). Ik had geen gehoorbescherming in. Ik stond tegen de bar geleund, de geur van het eten van de barjuffrouw achter mij drong mijn neusgaten in.
'Best leuk,' berichtte ik aan lieftallige. 'Kom maar.'
Lieftallige arriveerde. 'Ik voel me niet zo lekker,' zei ze. Speelde Torgeir Waldemar ineens minder luid, en gevoeliger,  een mooi liedje, of leek dat maar zo? 'Hoe vind je dat nou,' zei ik, 'zo'n Noorse band die enorm zijn best doet om Texaans te klinken, en daar ook behoorlijk goed in slaagt?'
'Jammer dat hij niet één liedje in het Noors doet,' zei ze.
Torgeir begon weer luider te spelen. 'Als ik nu niet wat frisse lucht krijg, val ik flauw,' zei lieftallige.
We gingen buiten op het terras zitten. In de verte klonk de gedempte muziek van de Noorse Texaan.
Niet veel later waren we weer thuis. Maar we waren uit geweest, dat kon niemand ons meer afnemen.

Zesde werkdag

Ik ben aan het spijbelen. Ik was gisteren ook al aan het spijbelen. En eigenlijk is mijn aanwezigheid op het werk ernstig gewenst, ben ik zo onbescheiden om te denken. De oud-bibliothecaresse verkeert in shock. Nou ja, shock, haar is verstaan gegeven dat ze haar huis uit moet, en toen heeft zij gezinspeeld op zelfdoding.
Die zelfdoding houdt me bezig. Hoe zou ze dat doen, gesteld dat ze het deed, zonder Pil van Drion? Moet ik haar helpen? Hoe zou mijn werkdag er dan uit zien? Moet ik voor haar op internet een Chinese Pil van Drion bestellen? Maar gezien haar aversie tegen pillen, slikte ze die waarschijnlijk ook niet, als puntje bij paaltje kwam. En trouwens, waar bemoei ik me mee?
Ik heb het antwoord op deze vragen voor me uitgeschoven door niet naar mijn schrijfzolder te gaan en thuis te werken. Spijbelen is ook laf, maar het is lafheid van een andere orde.
Inmiddels geloof/hoop ik dat er van die shock niet zo veel meer over is, als ik haar weer zie. Een van de voordelen van lichte Alzheimer. Ik heb zo'n gevoel dat ze wel nog precies weet waar we zijn gebleven in Gogol's Dagboek van een krankzinnige. Anders ik wel.

The Girl from Nova Scotia

One could say a few things about the girl from Nova Scotia.
First of all, that she was by herself, and not restless.
Further, that she was petite, except for her shoes, her gums and her mammalian protuberances (carefully wrapped in a tight dress). She wore no make up to speak of.
Also, that she was talkative, both in French, and in English, although she spoke softly and never felt the need to interrupt. Her French sounded peculiar, perhaps a bit sloppy, as if she was drunk or stoned, or both, but she was neither. She hadn't gone shopping coffee, and she did not drink much wine.
Her English – New Scottish? – was interesting, especially at the end of words. Her slight accent was apparent in the pronunciation, for instance, of 'out'. The 'ou' didn't sound like American or English, and the 't' didn't cut off the word, but extended it a little. If this sounds coquettish, it wasn't.
She did have a sense of humor, although, like with some women, you had to feed it.
On a map she pointed out her habitat and explained that driving to her parents took her eight hours. She also showed pictures, of what I thought was her house, but turned out to be the view from her window.
The place looked desolate.
She seemed perfectly fine with it.

Royalty

De snelste manier om een schrijver uit zijn schrijversbubbel te halen is hem zijn royalty-overzicht te sturen.
Toen ik nog bij Meulenhoff zat, kreeg ik jaarlijks mijn royalty-afschrift in een brief die zodanig was gevouwen dat het totaalbedrag niet in één oogopslag zichtbaar werd. Ik moest eerst nog een flapje terugduwen, voordat de waarheid zich in al haar getalsmatigheid aan mij openbaarde.
Waarschijnlijk was de gedachte van de uitgever dat de waarheid op deze manier minder hard bij de royalty-houder aankwam. De royalty-houder had een paar seconden extra tijd gekregen om te beseffen dat ook zijn laatste meesterwerk geen bestseller was. Dat wist hij natuurlijk allang, of hij had het kunnen vermoeden, maar beseffen is iets anders dan weten.
Tegenwoordig stuurt mijn agent me een lieve email met mijn royalty-overzicht. De zalvende woorden in het bijgaande briefje zeggen genoeg. Dan hoef ik al niet meer te kijken. Als ik flink zou verkopen, zijn zalvende woorden niet nodig, in zekere zin misplaatst.
Ik kijk toch. Mijn nieuwsgierigheid, gedreven door hoop (wat anders?) is groter dan mijn angst voor teleurstelling.
Ik word niet teleurgesteld in mijn teleurstelling.
Een dag later zit ik op de fiets en goochel in gedachten met mijn verkoopcijfers en denk: hm, nog helemaal zo slecht nog niet. En: er zit een stijgende lijn in.
Een schrijver is net een hondje.

Transactie-consult

Dat ik mijn postrondes niet meer loop *snotter* betekent niet dat de transacties met de tijdschriftverslindende zenuwarts geen doorgang kunnen vinden, dus vandaag tijg ik weer (met mijn driejarige aan mijn been) naar zijn – nieuwe, smetteloze – praktijkruimte om mijn opgespaarde New Yorkers te ruilen voor een stapeltje New York Review of Books.
De afgelopen keren gingen de tijdschrifttransacties vergezeld van een consult. Ik dacht: als ik toch naar mijn zenuwarts moet... Maar omdat ik thans mijn zenuwen min of meer onder controle lijk te hebben, heb ik de consulten gestaakt.
De zenuwarts leek dat een beetje jammer te vinden.
Als ik in zijn wachtkamer zit, met de driejarige als een kromgetrokken plank op schoot, komen de wezenlijke kwesties als vanzelf aan de orde. De zenuwarts hoort de beschrijving van mijn gemoedstoestand welwillend aan, met zijn armen over elkaar, leunend tegen een grote houten tafel, glimlacht en adviseert me met mijn prachtige kindje de gezonde buitenlucht op te zoeken.

De Grote Verjaardag

De 7-jarige werd 8.
Waarschijnlijk is de verjaardagsbeleving, de magie van de verjaardag op deze leeftijd op zijn hoogtepunt, zo vlak voor de definitieve ontmaskering van Sinterklaas, voor het cynisme langzaam zijn geest binnensijpelt, maar toen het moment was aangebroken waarnaar hij al weken had afgeteld, gedroeg hij zich niet bijzonder opgewonden en nam hij de cadeautjes waarop hij zich al maanden had verheugd, in mijn ogen nogal zakelijk – je zou kunnen zeggen: professioneel – in ontvangst.
Uiteraard hebben wij  a l l e s  in het werk gesteld om het hem naar de zin te maken, daartoe ben je als ouder in dit infanticentrische tijdsgewricht moreel verplicht, maar een dag later vraag ik me af hoeveel hiervan bij hem blijft hangen. Ik weet bijvoorbeeld  n i e t s  van mijn eigen achtste verjaardag, maar 42 jaar geleden was dit ook nog niet zo'n ding, geloof ik, zo'n ouderlijk Gesamtkunstwerk voor het kind. Er werd gezongen, je mocht trakteren en je kreeg een pak viltstiften, daarna ging men over tot de orde van de dag. De gedachte alleen al dat mijn vader destijds tot diep in de nacht aan de voorbereidingen van mijn Grote Verjaardag zou hebben gewerkt, komt me als absurd voor.
'Word je 8?' vroeg een moeder op het schoolplein aan de jarige. Hij knikte, trots.
'Maar dat is heel bijzonder,' vervolgde ze, 'die verjaardag kan ik me nog heel goed herinneren.'
'Echt waar?' vroeg ik.
'Ja, want toen zijn mijn ouders gescheiden.'

Moederdag

Zit ik daar rustig op mijn nest met mijn jonkie, oké, zo rustig is het ook weer niet aan die godvergeten Amsteldijk met al dat zieke sluipverkeer en die a-sociale schijtscooters met hun koleregassen waar je helemaal de vliegende tering van krijgt, maar goed, ik zit daar dus, ik heb mijn jonkie onder mijn vleugel, hoe oud is ie nu, ik ben niet goed in tellen, ik houd dat soort dingen niet bij, een paar dagen of een paar weken, ach dat doet er ook niet toe, het gaat erom dat lil' kleine er nog niet in zijn uppie op uit kan gaan, dat begrijp je, hij ziet er wel snoezig uit en zo, met dat sigarettenasgrijze vachtje van hem, maar pas op, een lel van zijn vleugel en je praat wel anders, maar goed hij dus, eigenlijk moet ik zeggen zij, want het is een meisje, een flink meisje mogen we wel zeggen, gezien haar eet- en vechtlust, gister hadden mijn man en ik, ja, mijn man doet ook zijn best hoor, die kun je niet zomaar uitvlakken, hij heeft goed meegeholpen met het nest, de ligging had beter gekund maar ja, je kunt niet alles hebben, nog een kleine altercatie op de Prinsengracht ja mooi woord hè had je niet gedacht hè van een simpele zwaan dat ze zulke dure woorden zou gebruiken, maar goed, we hadden dus een altercatie met een van die zuighoentjes, die overal alles voor je neus wegpikken, ja dat doen die fokking meeuwen ook, dat weet ik ook wel, maar van hen kan ik het hebben, die hoentjes zijn zo irritant met hun penetrante pieptoontje, maar goed toen zag je Chardy toch ineens van zich afbijten, dat was voor het eerst, weg jij, blijf af van dat algje, dat algje is van mij, enzovoorts, en ik was me er toch een partij trots op, ja echt mooi, maar goed wat zie ik vandaag, vlak voor mijn ogen, zittend op de stoep, nee, geen Google-medewerker die ons komt opvoeden in de privacy die ze zelf helpen om zeep te brengen, nee, een of andere vederloze tweevoeter, een beetje zielig is hij wel, met zijn camera en fotografenjack, hij wacht vast op het moment dat mijn kuiken weer onder me vandaan komt, nou dan kan ie lang wachten want ik ga mijn nest niet meer af, en Chardy ook niet, ik steek mijn snavel achter mijn schouders en iedereen kan de kanker krijgen.

Vijfde werkdag

Bij binnenkomst zat de oud-bibliothecaresse zoals gebruikelijk bij de kachel, maar ze keek bedrukt. 'Ik ben tegen een kastje gevallen,' zei ze. 'Ik heb een rib gekneusd en nu kan ik nauwelijks meer bewegen. Ik kan niet eens opstaan om naar bed te gaan. Als ik ook maar iets voel schreeuw ik het uit van de pijn.' Haar benen zagen eruit als in worstvorm gedraaide ballonnen.
'Wat u nodig hebt,' improviseerde ik ter plekke, 'is een verstelbare stoel. Dan hoeft u niet op te staan, kunt u gewoon achteroverleunen, en uw benen omhoog doen, en dan kunt u zo slapen.'
'Als ik jou geld geef wil je dan zo'n stoel voor me kopen?'
Ik knikte, maar eerst maar eens de huisarts bellen, dacht ik. Die zei via veel omwegen, dat ze op de hoogte was van 'mevrouw' haar problematiek, maar dat ze wel degelijk op kon staan, zolang ze haar pijnmedicatie maar innam.
'Neem je je pijnmedicatie?' vroeg ik.
Ze zoog aan haar shagje en antwoordde met haar oogleden.
De pillen bleken buiten haar actieradius te liggen, op tafel. Ik brak een tablet door midden en overhandigde haar de brokstukjes, met een glas water. 'Allemachtig,' zei ze.
De oud-bibliothecaresse, die trouwens een eeuwigheid geleden een paar jaar medicijnen had gestudeerd, leed aan pil-aversie. 'Als je je pijnstillers nou net hebt genomen, dan moet je daarna naar de WC gaan of naar bed, want dan doet het nog niet zo'n pijn. Als je te lang wacht is het uitgewerkt.'
Ik had huisarts moeten worden. Hoewel, troosten gaat me beter af. Ik las de oud-bibliothecaresse voor uit Dagboek van een krankzinnige van Gogol, een prismapocket die ik in de afdeling Russen in haar imposante boekenkast had gevonden. Dat verhaal loopt al meteen uit de hand met de ik-persoon die via de diefstal van de correspondentie van twee hondjes meer te weten probeert komen over de dochter van zijn baas op wie hij verliefd is. Ik weet dat de oud-bibliothecaresse luisterde want ze lachte op de goede momenten. Het hardst trouwens bij een woord waarvan ik de betekenis niet kende.


Sehnsucht

'Wat ben jij allemaal van plan,' wilde lieftallige weten toen ze me in pak rond zag stappen.
'Ik ga vandaag een stichting oprichten.'
'Zo zo.'
'Een man moet zijn glorie ergens vandaan halen.'
De dag was mooi. De bestuursleden waren op tijd. Mijn notaris bleek gehuisvest in hetzelfde pand als waarin de firma Caransa is gevestigd. Ik wist niet of dit een goed of slecht teken was. Waarschijnlijk betekende het helemaal niets, zoals de meeste dingen (bijvoorbeeld de enorme plastic pad met dito koptelefoon op in de ontvangstruimte).
Mijn notaris verzuimde de enige vrouw in het gezelschap – de penningmeester van het stichtingsbestuur – de hand te schudden of behoorlijk aan te kijken.
In de statuten die hij voor onze neus legde ontwaarde ik meteen al een spelfout, zij het een minieme.
'Moet ik uw boeken kennen?' vroeg hij aan mij, toen hij zag dat ik schrijver was.
'U moet helemaal niets,' antwoordde ik en ik sprak de titel van mijn laatste boek uit.
'Ik zal mijn vader vragen,' beloofde de notaris.
'Die kan wel lezen?'
Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.
Hoe dan ook: Stichting Sehnsucht was opgericht. De champagne kon worden ontkurkt op de (gratis) parkeerplaats.

Eat that frog

In New York kan ik me herinneren was een mecenas, een kapitaalkrachtige dame, die elke twee jaar aan tien kunstenaars in wie zij geloofde ongezien en ongevraagd en zonder enige tegenprestatie te verlangen 25.000 dollar schonk.
Stel dat je op een doordeweekse donderdag je saldo checkt, omdat je een dwangbevel hebt ontvangen wegens achterstallige belastingen, en KLABANG! in plaats van 7.548 zie je staan 17.452. Plezierig.
In Nederland gaat het anders. Gisteravond deed ik mijn eerste serieuze subsidie-aanvraag, van wie niet alleen ik, maar ook een handvol anderen plezier zou gaan hebben. Hieraan gingen weken, dagen, uren van totale ontreddering vooraf. De lijst van eisen waar een aanvrager aan moet voldoen is schier oneindig. En waarom zou een schrijver zich onledig houden met het schrijven van projectplannen, communicatieplannen en aanbiedingsbrieven? Aanvragen is een industrie, weet ik inmiddels en ik hoopte daarom even dat ik het hele zwikje kon overlaten aan een no cure no pay fondsenwerver.
Nope. Misschien als ik Amron Gluurborg heette.
Eat that frog, adviseerde iemand. Een goed advies. Mijn gesprekspartner sinds '83, die ervaring heeft met gratis geld, adviseerde: doe het niet alleen. Ook een goed advies, want zonder de hulp van Nieuwe Vriend P., die zo vriendelijk was met mij mijn aanvraag door te lopen, had ik mezelf gesuïcideerd, en suïcide kan van subsidie de bedoeling niet zijn.

Forthcoming



We hebben er geen woord voor, maar mijn volgende roman, Het dispuut, is toch echt forthcoming. Ligt 17 augustus in de winkel. Midden in de zomervakantie inderdaad, maar midden in de zomervakantie moet men ook wat te lezen hebben.

Ontmaagd

Het verzameld werk van Conny van den Bos is uitgebracht, las ik. Dat feit, die naam en 'Ik geef je een roosje, mijn roosje' voerde mij terug naar 1978, toen ik door Conny werd ontmaagd in de Stadsschouwburg te Eindhoven.
Moeder had het een goed idee gevonden om mij en mijn vriendjes voor mijn elfde verjaardag mee te nemen naar Conny van den Bos. Ik weet niet wat haar bezielde, – dat weet ik nog steeds niet en dat houdt het spannend – maar hoezo zouden elfjarigen zich vermaken bij deze chansonnière?
Conny, gezeten op een barkruk, zette tussen twee liedjes een ernstig gezicht op, en sprak door de microfoon: 'Ik weet dat iemand in de zaal zijn verjaardag viert.'
Stilte.
'Viktor?'
Geroezemoes.
'Viktor, wil je even naar voren komen?'
Nee, toch, dacht ik, het zou toch niet waar zijn? Maar het was wel waar; daar had moeder wel voor gezorgd, want nu gebaarde ze dat ik on-mi-del-lijk naar voren moest komen.
Conny was lief. Ze probeerde een gesprekje aan te knopen, maar uit mij kwam geen geluid. Ik was met stomheid geslagen. En toen gebeurde het: Conny pakte me bij de arm, en gaf me een dikke zoen. Naast mijn mond. De lippenstiftafdruk was enorm.
Mijn leven zou nooit meer hetzelfde zijn.

'Achteraf bekeken zal de mensheid hooguit een rimpeling zijn geweest in de kosmische dataflow.'

Yuval Noah Harari stelt op talrijke manieren, soms dacht ik: al te talrijke manieren, maar toch ook voor mij soms nieuwe, – onverwachts poëtische – manieren, dat de mens hard op weg is overtollig te worden. Homo deus, de titel van zijn boek, getuigt dus van behoorlijk sarcasme, want in het beste geval blijft er in zijn scenario een kleine elite van supermensen over, die voor het Internet van Dingen nog wel enig nut zou kunnen zijn, terwijl het overgrote deel langzaam over de rand wordt geduwd, of gewoon geruisloos naar de achtergrond verdwijnt.
Harari is niet de eerste die dit beweert, maar ik had het argument aanvankelijk als science fiction afgedaan, borrelpraat van futuristen, of op zijn minst een voorspelling die ver, ver weg ligt, te ver om je over druk te maken, maar deze Israëlische historicus toont overtuigend aan dat het proces allang in gang is gezet en waarschijnlijk niet meer valt te stoppen.
Wat dat met je doet, zo'n mantra van 400+ pagina's waarin je telkens opnieuw wordt ingepeperd dat je niets voorstelt, niet eens een kruimel op de rok van het universum, hooguit een algoritme, maar dan een gebrekkig algoritme, terwijl er allang veel betere algoritmes bestaan, is eerst zoiets van: verdomd, als dit waar is, waarom zou ik dan überhaupt mijn nest nog uitkomen, laat staan mijn kindjes met lichte dwang voortduwen op het lange, al te lange pad naar volwassenheid, als een boer een kudde koeien naar het volgende stukje grond (of beter gezegd: het volgende station in de volledig geautomatiseerde melk-productie)?
Vervolgens denk je: oké, er bestaat toch geen vrije wil, we klooien maar wat aan, we zitten onze tijd uit hier. We zijn ruis. Altijd geweest ook. Dit inzicht geeft een bepaalde troost. Maar niet voor lang. Daarna ga je toch weer verlangen, tenminste dat doe ik, naar een idylle ver weg van hier en nu, waar de imperfecte mens nog ongestoord mens mocht zijn, maar maar dat zal wel weer mijn hopeloos romantische inborst wezen.

Stilte

'O, het is bijna zover,' zegt lieftallige terwijl ze onze borden met sushi rangschikt rondom de zitbank, 'dodenherdenking.'
Verdomd. Ik sta op en zet de cd van PJ Harvey op pauze. Andere muziek had misschien nog gekund, John Cage 4'33'' bijvoorbeeld, maar niet To bring you my love.
'Mag je wel eten?' vraag ik me nog hardop af, maar lieftallige heeft het antwoord al gegeven. Ze neemt een sojaboontje uit het kommetje, knijpt het boontje leeg in haar mond, kauwt, legt het lege peultje terug in de kom, pakt haar kopje misosoep, slurpt (niet heel hard maar toch een klein beetje), kauwt op een blokje soja uit die misosoep, slikt een blaadje groente uit dezelfde soep door, zet haar kopje misosoep terug op de rand van de bank, raapt haar eetstokjes van haar bord, grijpt met haar eetstokjes een sushi-rolletje, doopt dat rolletje in een bakje wassabi en sojasaus, en steekt het vervolgens in zijn geheel in haar mond.
De twee minuten zijn voorbij. Ik ga ook eten. De doden zijn dit jaar weer niet herdacht.

Ongelegen

Hoe komt dat plantje hier? Daar weet ik niks van, en in het boek staat ook niks... Ik lag diep te slapen – denk ik, want van dat slapen was ik me niet bewust, alleen van het wakker worden, geloof ik – toen er aangebeld werd. Ik opende mijn ogen. Wie kon dat nou weer zijn? Wie belde op dit onmogelijke uur? Iedereen die mijn dagritme ook maar enigszins kent, die ook maar een heel klein beetje op de hoogte is van mijn status, weet dat ik op dit uur slaap en dus niet gestoord wens te worden. Het was pikdonker in mijn kamer, (hetgeen niet verwonderlijk was, want ik herinnerde me zelf de dikke gordijnen te hebben dichtgetrokken), op een spleet licht na. Ik werkte mezelf uit bed. Gelukkig had ik wat kleren aan. Niet mijn meest representatieve outfit, maar ik verwachtte dan ook niemand. Ik schuifelde naar de deur en opende deze. Er stond een man voor mijn neus die me vaag bekend voorkwam. Hij had twee kinderen bij zich, een ervan droeg een fel gekleurde jas die mijn aandacht trok. 'Dag tante,' zei de man. 'Komen we gelegen?' De vraag stellen was hem ontkennend beantwoorden, maar ik manoeuvreerde mijn gezicht in een beleefde plooi, terwijl ik hen binnenliet. Hij trok meteen de gordijnen open ging thee zetten. De jongen met de felle jas nam plaats in mijn bureaustoel en giechelde om mijn verstrooidheid, wat mij weer deed giechelen. Knipperend met mijn ogen, en voorzichtig proberend met mijn lippen, nipte ik van de hete thee. Ik wou dat ze weggingen, die lui, en dat deden ze eindelijk ook. Hij hielp me terug in bed, sloot de gordijnen en was weer verdwenen.

Stoten

Met mijn gymnasiast stel ik voor te gaan biljarten. Dat lijkt hem wel wat. 'Poolen, toch?' Ja, poolen, verzeker ik hem.
Ik denk terug aan de jaren dat ik biljartte met A. in rokerige café's in de achtergebleven gebieden toen ik zo oud was als mijn zoon nu. Nee, zo treurig als bij Dimitri Verhulst waren die café's niet, maar toch treurig genoeg, hoewel je daar als jonge biljarter weinig van meekrijgt. Dat biljarten was eigenlijk te hoog gegrepen voor pubers als wij. We deden maar wat. Urenlang moeten we om de tafel hebben gelopen in ijdele afwachting an een combinatie.
Het poolen in het poolcentrum gaat me na een stroeve start verrassend goed af. Mijn ballen laten zich maar wat graag in gaten stoten en de witte gaat zelden mee.
Mijn gymnasiast heeft minder ervaring, zijn keu beweegt nog wat stroef, maar ik weet niet of hij op mijn adviezen zit te wachten.

'Alleen glijhoudingen toegestaan die zijn gecomminiceerd.'

Maandagochtend in het De Mirandabad. Dit zijn niet mijn favoriete coördinaten, maar verzin maar eens betere voor een zevenjarige met vakantie. Alleen al de opwinding vooraf – we gaan zwemmen en we mogen de driejarige er niets over vertellen anders wil ze mee – is... ontroerend. Bij aankomst blijkt alles weer eens mede te vallen. De zevenjarige vindt zelf zijn weg in het nog vrijwel lege zwembad; ik mag van hem op een plastic terrasstoel een boek lezen. Om niet helemaal een afwezige vader te zijn, gaan we samen de familie-glijbaan af, een brede la die steil maar niet te steil, een halve meter of wat boven het bassin eindigt. Op een bord lees ik: 'Alleen glijhoudingen toegestaan die zijn gecomminiceerd.' De glijhouding waarbij de vader op de buik met de kop naar beneden naar beneden glijdt is niet toegestaan (want niet gecomminiceerd). 'Dat mag niet, pap,' wijst mijn zevenjarige mij terecht, maar de toeziend badmeesteres, die in een Russisch kuuroord niet zou misstaan, heeft denkelijk nog geen zin om in te grijpen.

Bericht van de cramping I: 'Je weet dat je fout zit.'

We hebben een nieuw plekje op de cramping. Dat plekje is kleiner, maar, zo leg ik uit aan belangstellenden, het biedt meer privacy. Verlangen naar privacy op de cramping is zoiets als verlangen naar de Noordpool in de tropen, maar je moet wat. Het probleem met je plekje afbakenen middels manshoge hekken, is dat de privacy weliswaar toeneemt, maar de vijandigheid ook. Dus onze nieuwe buurvrouw had al een opmerking over ons hek gemaakt – met een tamelijk goed argument bovendien: 'Als je dat hek weghaalt hebben we allebei een halve meter meer grond.'
Bij de pingpong-tafel had ik alweer mijn eerste woordenwisseling te pakken, nadat ik de aldaar pongende kindjes, na een poosje te hebben gewacht, vriendelijk had verzocht of ik even met mijn mijn zevenjarige een paar ballen mocht slaan. Dat mocht. Een ongeschoren figuur, die net met een pakje sigaretten aan kwam sloffen, sprak er op luide toon zijn afkeuring over uit. 'Jij jaagt gewoon die kinderen weg, man! Dat kan toch niet! En je wéét dat je fout zit. O, o, o.' Gelukkig kreeg hij de aanwezige afwassers niet mee in zijn verontwaardiging. Wordt nog een leuk seizoen, dit.