Spoedeisende hulp



De spoedeisende hulp afdeling waar ik gisteravond enige uren doorbracht aan het bed van N., die eerder die dag een insult en een herseninfarct leek te hebben gehad (geen van beide nieuw voor haar, wel voor mij), deed denken aan een kantoortuin. Alleen de uniformen (rode katoenen werkpakjes met korte mouwen) en de piepende apparaten weken af. Wellicht zijn er kantoren waar de hele nacht door wordt gewerkt (ik hoop van niet), maar hier is het standaard.
Wat uiteraard niet wil zeggen dat er steeds spoedeisende hulp nodig is. Het is geen oorlog – nog niet.
Niet alleen voor mij zat er weinig anders op dan te wachten. Op uitslagen van scans en op een neurologiebed in het dichtstbijzijnde ziekenhuis. N. wilde haar connecties inschakelen, maar ik had zo'n voorgevoel dat dat zinloos was. De tijden zijn eerlijker, en anoniemer.
'Wilt u een kopje koffie?' vroeg de vriendelijk verpleegster aan mij. Dat wilde ik wel, maar was die koffie te drinken?
Niet echt, maar om de hoek was een automaat met betere koffie. Ik ging koffie halen voor mezelf.
'Wil jij ook iets,' vroeg ik N. , toen ze wakker was, en helder.
'Een appel,' zei ze tot mijn verbazing, want ik heb haar nog nooit een appel zien eten.
'Kan ik hier ergens een appel krijgen voor mevrouw?'
Nee, dat zat er niet in. Het winkeltje was dicht. De automaat in Wachtkamer 1 had wel snoepgoed. Er werd net een man uit een taxi in een rolstoel geladen. Hij hing helemaal voorover, alsof hij moest overgeven, en hij steunde en kreunde, maar de receptioniste was niet onder de indruk.
Ik keerde terug met een Twix voor N. maar die bliefde ze niet.

Focus




Ik drong langs de rij, door de draaideur de benauwde ruimte binnen en keek om me heen. Mijn oog viel eigenlijk onmiddellijk op jou. Je bevond je in het midden van het bad. Je stond tot je middel in het water, je buik geplooid als een behaarde skippybal. Je zag mij niet. Je stond in je neus te peuteren. Dat zeg ik verkeerd. Je draaide je linkerpink in je linkerneusgat, haalde hem eruit, bekeek de oogst, en spoelde hem af in het water. Dit herhaalde zich bij het andere neusgat, met de andere pink. Daarna zette je je handen, je mollige behaarde handen, in je zij, als een gevreesde cowboy in een saloon in een goedkope western.
Waar pistolen hadden moeten zitten, of op zijn minst holsters, zaten bij jouw hamlappen.
Je zag me nog steeds niet. Ik stond verdekt op gesteld. Ik had geen reden om mijn aanwezigheid kenbaar te maken.
Ik richtte. Het was niet moeilijk om te richten. Jouw lichaam vormt een makkelijk doelwit. Ik had ook het magere meisje kunnen nemen, dat ter rechterzijde van jou dobberde, knielend op de zwembadvloer. Een spichtig kind, met een dunne, bijna doorzichtige huid. Maar dan zou ik het mezelf onnodig moeilijk hebben gemaakt.
Nee, ik moest jou hebben.
Vroeg je erom? Stond je daar expres je vlees te etaleren, in je neus te peuteren, opdat ik je makkelijk kon raken?

De schier oneindige tussentijd

Edith Piaf


We can never know what to want, because, living only one life, we can neither compare it with our previous lives nor perfect it in our lives to come.
Dit citaat, van Milan Kundera, kwam ik tegen in een verhalenbundel van Raymond Carver die ik had gekocht.
Het is een mooi citaat maar ik weet niet of het waar is. Ik denk dat we wel weten wat we willen, dat we heel goed weten wat we willen, maar dat de tragiek erin schuilt dat we inderdaad maar een leven kunnen leiden en dus nooit weten hoe het alternatief eruit had gezien. Als ik toen en toen niet zus en zo had gedaan, dan was ik nu niet huppelepup geweest. Had ik er niet beter aan gedaan als? Maar met Edith Piaf wil ik zingen (rustig maar ik zal het niet doen): non, je ne regrette rien, ni le mal, ni le bien. Het leven komt zoals het komt, door het tranendal en over juichende bergtoppen, en we moeten er in de tussentijd, de schier oneindige tussentijd, het beste van zien te maken.
Tegen sommige mensen zou je niettemin willen roepen: Neem ontslag! Of: Geef het op! Of: Ga dood! Of: scheid en zoek een andere partner! Of: laat je ombouwen! Of: laat je invriezen! Of: lees eens een boek! Of: hou op met schrijven! Of: knip je neushaar bij! Of: trek een latex pak aan, laat je in de kettingen slaan en afranselen door iemand die er verstand van heeft! Of: ga onder je bed liggen en verbeeld je dat het bed zich vergist! Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Maar ik zeg niks, want waar bemoei ik mij mede?

Een gevoel van ineenstorting



Frankrijk is ongelukkig zegt de politicoloog Dominique Reynié in een uitstekend artikel van Marijn Kruk in De Groene. Waarom? Omdat Europa's prachtigste land, waar de tijd lange tijd leek stil te staan en waar men zich die stilstand ook leek te kunnen permitteren, lijdt aan 'een gevoel van ineenstorting', en 'existentiële destabilisatie.'
Deels door eigen toedoen, uiteraard.
Wie giga-winkels bouwt voor de mensen, laat die mensen vroeg of laat meewerken aan hun eigen overbodigheid.
Het globale kapitalisme, dat uit is op schaalvergroting, kostenreductie en winstmaximalisatie, slaat harder toe in Frankrijk dan in andere landen. Daarin lijkt Frankrijk interessant genoeg meer op Amerika, net zoals Engeland meer op Amerika lijkt qua gebrek aan vangnet.
Vakbonden kunnen zand in de machine strooien, maar uiteindelijk hebben zij het antwoord ook niet. Zij willen de tijd opnieuw stil zetten, – en wie wil dat niet –, maar geldstromen laten zich niet stilzetten. Wie de boel stilzet, gaat verliezen.
Dan is er dus nog die extreemrechtse component: het aanwijzen van een zondebok voor de onvrede, de schuld leggen bij kwetsbare groepen, ook al ontbreekt hiervoor iedere logica.
Er is nog een specifiek Franse component: het elitaire. De Franse elite, het bolwerk van de enarques, is nog net wat elitairder. Die hebben jarenlang, decennialang hun neus opgehaald voor de zorgen van de provincialen en de marginalen en krijgen nu hun bekomst.
Is er hoop? Wel als je naar de revolutionaire strijdliederen luistert die de gele hesjes hebben voortgebracht: À nos souvenirs van Trois Cafés Gourmands klinkt mij toch vooral vrolijk in de oren (ook al doet de tekst moeite grimmig te zijn) en Les oubliés van Gauvain Sers nostalgisch. Fransen hebben geen talent voor grimmigheid; dat maakt ze juist zo aantrekkelijk.

Laat vuurloos vuurwerk


Eigen werk



Voor het voorleesontbijt in groep 3b waren vier ouders aangetreden, onder wie ondergetekende. 'Eén vader leest voor uit eigen werk,' zei de juf, ietwat verlegen. 'Mijn vader!' jubelde de zesjarige. Ik glom van trots. Mijn dochter glom van trots. De rest van de klas was niet zichtbaar onder de indruk.
Moest ik zenuwachtig zijn? Zenuwachtiger dan anders?
Ik beet het spits af. Ik dacht, bij een voorleesontbijt is de aandacht een schaars goed, maar beter als eerste die aandacht opslurpen. Deze veronderstelling bleek onjuist. De laatste voorleesouder kreeg ieders aandacht. Een kwestie van voordrachtskunst.
Toen iedereen zijn ontbijtje voor zich op tafel had uitgespreid, schraapte ik mijn keel – mijn handelsmerk – en begon aan De scheet. Iedereen was stil. Slechts een enkeling durfde te lachen, bijvoorbeeld wanneer ik scheet-geluiden maakte, wat, dacht ik, voor deze leeftijd toch wel om te lachen is. Ook de overige ouders hielden zich muisstil, alsof het een kerkdienst betrof, en dat was het natuurlijk ook. Voorlezen is het nieuwe preken.
'Dit is veel te lang,' dacht ik bij mezelf tijdens het lezen. En: 'Veel moeilijke woorden, niet te geloven dat ik dit heb geschreven voor mijn vijfjarige, vijf jaar geleden...' Maar goed, ik kon me troosten met de gedachte dat ik voorlas op verzoek van mijn dochter, die mijn voorstellen Rintje, Kleine Beer bij Opa en Oma en zelfs Varkentje Valentijn had afgewezen. Het moest en zou De scheet wezen.
Na afloop van de voorleessessies bleef het angstvallig stil. Niemand zei iets, ook de andere ouders niet. Nu is het altijd ingewikkeld om op iemands eigen werk te reageren, vooral als men er geen verstand van heeft en er nooit om gevraagd heeft, maar in dit geval was het misschien onmogelijk.

UB



Ik zit in de UB, herstel Library Learning Center, temidden van tientallen studenten, aan een tafel te, nou ja, studeren, met als achtergrondmuziek aanhoudend vogelgekwetter dat ergens van boven vandaan lijkt te komen. Vogelgekwetter waarvan je verwacht dat het tijdelijk zal zijn, dat die vogels naar verloop van tijd klaar zullen zijn met hun gekwetter. Maar nee. Overigens is het verder muisstil in de UB, ik maak denkelijk met mijn periodieke keelschraap nog het meeste rumoer.
Twee studentes komen aan mijn tafel zitten. Nu ben ik een getrouwde huisvader die zich volledig aan het laatkapitalistische burgerideaal probeert te houden (whatever this may entail), maar deze twee trekken mijn aandacht. Dat niet alleen, kennelijk trek ik ook hun aandacht, want onze blikken vinden elkaar nu en dan. Je kunt elkaar wel totaal negeren in een universiteitsbibliotheek, maar dan kun je net zo goed thuis in de kelder naast de aardappelen gaan zitten. De ene studente kijkt naar de andere, die dan weer naar mij kijkt, of omgekeerd. Een van die studentes heeft een subtiel, maar niet te verwaarlozen decolleté, een piepklein spleetje, dat je niet zou verwachten in de UB, maar misschien loop ik achter, misschien is uitgaan uit en is studeren het nieuwe uitgaan. Het enige verschil dat ik kan ontdekken verder tussen de UB dertig jaar geleden, toen ik studeerde, en de UB thans, zijn de koptelefoons en de mobieltjes en de laptops, maar die zijn 'dus' bijzaak.
Dan komt een kortgeknipte student in een oud-oranje pullover met een krokodilletje op de borst recht tegenover mij zitten. Hij klapt zijn laptop open en haalt zijn neus op. Hij pakt zijn mobiel en haalt zijn neus op. Ik lijd niet aan misofonie, of niet aan een ernstige vorm, maar ik kan me levendig voorstellen dat je woest wordt van zulk geluid, dat je de veroorzaker ervan zou willen vermoorden.
Ik moet vaker naar de UB.

Sonnetisten

Bertus Aafjes door Diana Huijts

Stiefelend over de K-gracht, – zonder rollator! – begint N. uit het niets Bloem te citeren. 'En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos ter grootte van een krant, een heuvel met wat villaatjes ertegen.'
Waar komt dat opeens vandaan? Dat weet ze niet. En ook niet hoe het verder gaat, behalve dan opeens dit weer: 'Alles is veel voor wie niet veel verwacht.' Een beroemde dichtregel, zover ben ik ook wel, en niet alleen dat, een behoorlijk goed adagium, vinden we. 'Daar zou de jeugd van tegenwoordig een voorbeeld aan kunnen nemen,' zegt N., en ik ben het roerend met haar eens – en niet alleen de jeugd, ook de volwassenen, en het meerendeel van de ouderen, en waarschijnlijk zouden ook de buitenaardsen en de ondergrondsen zich naar deze levenswijsheid moeten voegen.
Als we aan de lunchtafel zitten spuugt ze de rest eruit, dat laatste stukje dat nog ergens in de bocht van een hersenwindsel verborgen lag: Dit heb ik bij mijzelve overdacht, verregend op een miezerige morgen, domweg gelukkig, in de Dapperstraat.'
Wie schreven er vorige eeuw nog meer sonnetten? Ik kan niemand noemen behalve het wel erg makkelijke sonnet van Lucebert.
N. begint, tussen de muizenhappen door, opnieuw te citeren. 'Toen het herbegon, achter de grijze lijn der horizon, het bulderen goedmoedig der kanonnen...' en dan valt ze weer stil. Ik kan haar niet aanvullen. Dit gedicht zegt me niets.
Het is even stil. Dan kruipt weer een flard omhoog: 'Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef, bevrijdde zich het laatste wat hij schreef: liefste, de oorlog is nog niet begonnen.'
Bloem?
Neen. De laatste brief, van Bertus Aafjes. Nog een sonnetist.

Maar, waarom had ik ook alweer vijanden?



Terugkerend van mijn avondlijke wandeling, die iets langer was dan gebruikelijk (ik werd afgeleid door de sterren), kwam ik mijn huis niet meer in. De sleutel deed het niet. Ik wilde niet op het raam bonken en moord en brand schreeuwen; LT lag al in bed.
Ik ging op het gevelbankje zitten en dacht na, daarbij mijn telefoon tevoorschijn halend. Het komt nog maar zelden voor dat ik zonder telefoon nadenk, naar mijn telefoon staren en nadenken, lijken steeds meer samen te vallen. Veel levert het doorgaans niet op.
Ik stond op en probeerde het opnieuw. Had ik de sleutel niet per ongeluk verkeerd om gehouden, met de baard naar boven? Nee. Hij paste nog steeds niet. Ik lichtte het sleutelgat met mijn telefoon bij. Aha, mompelde Sherlock Holmes, er zat al een sleutel in, dat wil zeggen, het afgebroken deel van een sleutel. Onmiddellijk deduceerde Holmes hieruit, dat er twee mogelijkheden waren. 1. Een dronken buurman had zich vergist in de voordeur en had zijn sleutel en daarmee mijn slot vernachelt; 2. Iemand probeerde mij een loer te draaien, te benadelen, buiten te sluiten. Een vijand. Een vijand was mij gevolgd, of had in elk geval gezien dat ik aan de wandel was, en had vervolgens mijn voordeur gesaboteerd. Ja, dat moest het zijn! Maar, waarom had ik ook alweer vijanden?
Naderende voetstappen in de gang. Een schim bewoog naar de deur en keek met een oog door het smalle raam. De deur ging op een kier. 'Wat zit je allemaal te prutsen?'
'Mijn sleutel werkt niet, het slot is kapot.'
'O. Nou. Kom maar gauw naar bed dan.'
De volgende ochtend waren de felicitaties niet van de lucht toen het me lukte het afgebroken sleuteleindje met een piepklein zaagje uit het gat te trekken (een oude truc).
Later die dag kreeg ik een sms van LT: 'Het was mijn sleutel die is afgebroken.'
De teleurstelling van de voor de hand liggende verklaring. Zonder paranoïa geen literatuur, laat staan detectives.

Leeshuis





De zon scheen, ook in het Leeshuis. Ik stapte naar binnen, waar drie mensen aan een tafel zaten: een vrouw van middelbare leeftijd met een kogelrond gezicht, een jongere vrouw met golvend haar en een lange man die me op een of andere manier aan Gerard Depardieu deed denken. Een Nederlandse les was in volle gang. De voorpagina van Het Parool werd gespeld.
'Ik hoop niet dat ik stoor,' zei ik.
'Helemaal niet,' zei de vrouw met het kogelronde gezicht. 'Wilt u wat lezen?' Ze wees op de volle boekenkasten.
'Altijd,' zei ik.
'Dan bent u hier aan het juiste adres.'
Iedereen glimlachte. Het scheen me toe dat er in het Leeshuis dikwijls werd geglimlacht. Ik wierp mijn trilby aan de kapstok, schonk mezelf thee in, opende een koektrommel waarin bastognes zaten, verrukt uitroepend 'warempel nog koekjes ook!', greep Malcolm Lowry's Onder de vulkaan van een stapel, sloeg de beduimelde Bezige Bij-pocket open. Wat ik las viel me niet mee, wat mijn idee van dit boek als meesterwerk aantastte.
'Wat is beleggen, is dat hetzelfde als belegen? Als in belegen kaas?' vroeg de jonge vrouw met het golvende haar.
De docente corrigeerde haar. Even later wilde de Depardieu-lookalike, in wie ik een Amerikaan vermoedde, weten wat het verschil was tussen geslaagd en geslacht.
'Geslacht is your genitals,' glimlachte de docente.
'Wat is bescherming?' vroeg de jonge vrouw met het golvende haar.
'Protection. Wat je gebruikt om geslachtsziekte te voorkomen.'
Iedereen glimlachte. Ik stak het laatste stukje koekje in mijn mond, pakte mijn hoed en vertrok.