Der Richter und sein Henckel

Paula Beer

Voilà: mein erstes Blog auf Deutsch. Warum? Warum nicht? Es geht um ein Deutscher Film, es geht um einen Deutschen Künstler, Gerhard Richter, und ich möchte denken daß mein Deutsch nicht  s o  schrecklich ist daß ich nicht auf Deutsch schreiben könnte – die Sprache, die so verwandt ist mit Holländisch, und doch habe ich es nie getan (ich habe es übrigens auch nicht gewußt, aber das ist eine andere Sache).
Als ich Florian Maria Georg Christian Graf Henckel von Donnersmarck's Filme sah, dachte ich: ah, schön, ein intelligenter Bio-Pic über den Maler, von dem ich ein großer Reproduktion in mein Büro hängen habe. (Ein Reproduktion einer Gemälde von Richter's Tochter Betty, wenn ich's recht habe, die ebenfalls beängstigendlich meine Frau ähnlich ist. Enfin.) Nicht nur das, der Filme hatte auch ein interessantes Plot: Sebastian Koch spielt den Schwiegervater des Künstlers, ein narzisstischen Arzt, der nicht nur sehr gut funktionierte unter den Nazis, aber später auch sehr gut funktionierte unter den Kommunisten, und, wann es ihm zu heiss unter den Fußen wird, nach Westen floh um dort sehr gut zu funktionieren. Ein Lebenskünstler, also.
Trotz dem Länge des Filmes (3 Stunden), und den offenbaren Mangel eines Autors, war Werk ohne Autor kein Moment langweilig.
NB: Paula Beer ist ein Kunstwerk an sich.
Richter hat Henckel intensiv geholfen, aber war nicht glücklich mit seinem Bio-Pic. Warum nicht? Weil er es zu 'reißerisch' fand. Nicht langweilig genug, denke ich. Zu sexy, oder so etwas. (Trotzdem, gutes PR, ein solche Kritik.)
In einer interview in The New Yorker, sprach der Regisseur vom Term 'übergriffen', in der Beschreibung eines Journalisten der ein enthüllendes Buch über Richter geschrieben hat.
Jetzt hat Henckel von Donnersmarck selbst übergriffen, und ich bin ihm dankbar dafür.
Ein Künstler ohne Gegner ist kein Künstler aber Kaugummi.

Nalatenschap

Related image



Ingeslapen. Uitgeluid en begraven. Huis leeggehaald. En dat allemaal in een tijdsbestek van tien dagen. Ik vind het allemaal nogal snel, maar ja, ik word dan ook een dagje ouder.
Omdat het om mijn buurman gaat, Jan Steen (1938-2019), kan ik de genadeloze stappen naar het niets van een afstandje gadeslaan.
Wat wij vanochtend nog op de stoep aantroffen van de huisraad, nadat de nabestaanden de inboedel de afgelopen dagen hadden verdeeld dan wel verkocht of weggegooid, was wat gruis en, dit kan ik niet nalaten te noteren, een donkergrijze onderbroek van het merk Booming Boxer. (Ik heb hem, zonder er aan te ruiken, gedeponeerd in de dichtstbijzijnde vuilnisbak.)
Precies op tijd waren ze, de nabestaanden, want vanochtend werd het grofvuil opgehaald, en a.s. vrijdag begint er alweer een nieuwe maand. Ik weet niet of ze de woning dan al leeg moeten opleveren, maar je kunt het maar beter gedaan hebben. Opruimen is goed voor de geest.
De dochter viel me gistermiddag nog om de hals. Om te bedanken. Voor alles. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Wij hadden het wel leuk gevonden om een kleinigheidje van Jan te hebben als aandenken. 's Avonds parkeerden er scooters voor ons raam, met de koplampen naar onze woonkamer gericht –  waarvoor dank – om de berg spullen op de stoep uit te kammen. Daar waren de vuilrapers gauw klaar mede, want Gideon Italiaander en een handvol Marktplaatsers waren hen voor geweest.
'Nu is er niets meer over van buurman Jan,' zeg ik tegen mijn vijfjarige op de fiets naar school.
'Jawel,' zegt ze opgewekt, 'zijn kinderen.'

Verf wint van video

Raquel van Haver: Change the rhythm of the Dancehall... it's still the Same Groove (2018)

Conceptuele kunst is gecontroleerde gekte, dacht ik toen ik in het Stedelijk naar een video van Bruce Nauman zat te kijken getiteld Playing a note on the violin while I walk around in the studio, uit 1971. Ondertussen gleden mijn kindertjes hoog boven in de zaal, – zonder dat de suppoosten hier bezwaar tegen aantekenden haast ik mij toe te voegen –, van een houten hellinkje af. Het kunstwerk waar wij aldus deel van uitmaakten en dat mogelijk werd vastgelegd (ik hoop het) door een beveiligingscamera, zou kunnen heten: Sliding off a wooden slant while dad is trying to appreciate time based art from the seventies.
Zoals zoveel gekte, gecontroleerd of niet, was ook die Nauman uiteindelijk utterly boring. Hoelang kun je geïnteresseerd naar iemand kijken die rondloopt in een rommelig kamertje, tussen de troep door, zogezegd, terwijl hij één noot speelt op een viool, niet erg virtuoos overigens maar dat was ook ongetwijfeld de bedoeling, en die ook nog eens, die 'violist' dus, af en toe uit beeld verdwijnt om dan even later weer te verschijnen?
Ik zou zeggen 1 minuut, maar dat komt omdat mijn idee van entertainment, en alle kunst is een vorm van entertainment omdat het hele leven een vorm is van entertainment, ernstig is aangetast door het interweb. We zijn allemaal ongeduldig. We willen prikkels en gauw ook, en veel verschillende liefst, zoals, grappig genoeg, Raquel van Haver met haar zelfgemaakte verf op grote panelen, die wel afgeeft ('Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het is een vrouw die haar kont tegen het kruis van een man drukt'). Mijn kinderen kregen er geen genoeg van, en ik eigenlijk ook niet. Verf wint van video, anno 2019, wie had dat gedacht?

Social driver (2)



Vandaag bijna frontaal tegen een echte auto aangereden. Ik sprong op de rem en slipte over het natte asfalt. Het scheelde een haar. Gelukkig zat er geen hoogbejaarde passagier naast me. Met een pokerface schoot ik de stoep op en vervolgde mijn weg.
Dat is het mooie van het social driverschap: alles mag, want gehandicaptenvervoer.
Toch kneep ik hem. Vorig jaar reed een social driver tegen een tram: total loss. Ik durf niet te vragen of ik verzekerd ben. 
Later op de dag, ik sta vast op de Gerard Doustraat – tegen het verkeer in, uiteraard –, blijf ik haken achter een gele betonnen balk, waarmee mijn parkeerplaats is afgebakend. Dit geeft een flinke knal, maar goddank geen schade.
Hoe zou het voelen om als vrijwilliger te worden ontslagen?
Op het adres in de Rivierenbuurt waar ik normaliter Ina ophaal wordt niet open gedaan. Ik zit verkeerd, Ina is bij de tandarts op de Rooseveltlaan. Ik scheur daar in de stijl van Mr. Bean heen. Ina is verwonderd dat ik 1 minuut te laat ben, want normaal ben ik tien minuten te vroeg. Als ik haar krukken in de achterbak heb gedeponeerd en zij zich naast mij heeft vastgegespt, zegt ze: 'Niet te snel over de bobbels, anders doet het zo'n pijn aan mijn heupen.'
Ik herinner me een instructie die ik kreeg toen ik voor het eerst achter het stuur plaatsnam: 'Altijd defensief rijden.'

Melancholisch en blij



Les parapluies de Cherbourg, waarvoor Michel Legrand de muziek schreef, is bij mijn weten, maar ik ben geen kenner (wil er misschien ook geen zijn), de enige melancholische musical. De hele idee van een musical, en die idee staat me tegen, is dat hij blij moet zijn. Denk Cats, Singing in the Rain, Sound of Music etcetera. Oké, Jezus Christ Superstar is misschien een uitzondering, want niet per se blij (neem de scene waarin de heiland 39 zweepslagen ontvangt), maar Hair is dat dan weer wel, en volgens mij zijn alle Broadway musicals, inclusief de punkmusical Rent in de grond blij, en ook Soldaat van Oranje (want onze jongens doen 't toch maar weer, hoewel ik me afvraag hoe die ene martelscène op muziek is gezet).
The Umbrellas of Cherbourg (1964), regie Jacques Demy, is melancholisch, misschien zelfs tragisch, en daarom een kunstwerk. Een hopeloos verliefd stel (hij monteur, zij parapluverkoopster, iconisch gespeeld door Catherine Deneuve), wordt uiteengereten door de oorlog (in Algerije), maar zij, reeds zwanger en het wachten moe, gaat een mariage de convenance aan met een rijke diamantair. Bij terugkomst uit de oorlog bezoekt de teleurgestelde jongeman eerst de lokale prostituées, maar trouwt daarna alsnog een jeugdliefje, dat hem nooit was vergeten. Samen beginnen ze een benzinepomp. Laatste shot is onvergetelijk mooi: het nachtelijke benzinestation in de sneeuw (heb ik weer, sorry) vijf jaar later, waar zij, de Oorspronkelijke Geliefde, in haar Mercedes, bij hem komt tanken. Ze vragen elkaar of ze gelukkig zijn en antwoorden aarzelend ja.
Waarschijnlijk hebben de producenten destijds tegen Demy en Legrand gezegd: mag het de volgende keer, iets eh, excusez le mot, blijer? En dat mocht, in de vorm van Les demoiselles de Rochefort. Ook een pareltje, wat mij betreft, muzikaal allereerst, maar vooral ook qua choreografie. Er wordt gedanst, en niet zo'n beetje. Dat heb je ook nodig, als kijker, bij een blij, dus dun, verhaal.

Schacht

Anish Kapoor: Descent into limbo


Haruki Murakami zou het jongetje over de rand hebben laten kijken, in de put hebben laten turen, en misschien iets hebben laten zeggen als: 'Ola?'
Haruki Murakami zou schrijven: het was geen put. Het was een schacht. Maar het idee, dat Murakami zo grenzeloos fascineert, namelijk dat van een ruimte die je wel in kan, heel makkelijk zelfs, maar niet meer uitkomt, zonder onmiddellijk te sterven (tenminste als je niet net een buiteling hebt gemaakt van 70 meter), blijft.
Murakami zou het jongetje, buiten het zicht van zijn ouders, die beiden in beslag worden genomen door hun mobiele telefoons, hebben laten knielen bij de schacht, en zijn hoofd in het gat laten steken. Hij zou hem, zoals elk kind dat de zwaartekracht ontdekt, en elke volwassene die nog graag de zwaartekracht aan het werk wil zien, enkele steentjes of papiertjes naar beneden hebben laten vallen. Hij zou hem niet hebben laten wachten op de plof of de plons, daarvoor is hij te jong, daarvoor heeft hij nog te weinig verwachtingen. Misschien dat Murakami hem daarom niet twee, wat belachelijk jong is, maar bijvoorbeeld vijf jaar maken, maar dat zou betekenen dat de schacht ook groter moet zijn om gevaarlijk te kunnen blijven, en hoe breder de schacht, hoe toepasselijker de term put.
Murakami is, net zoals zijn protagonistje, geobsedeerd door de put. Het mag geen ongeluk zijn, ook geen freak ongeluk. Er moet een intentie zijn, anders is er geen verhaal. Het jongetje wil naar beneden klimmen, omdat hij zich wil verstoppen. Voor wie? Hoe lang doet een kinderlijfje van pakweg 10 kilo erover om een afstand van 70 meter te vallen? Hoeveel miljoenen mensen hebben hun gedachten laten gaan over dit scenario, terwijl, maar dat is een cliché, elders kinderen in stilte sterven?

Goedertierenheid

1670 Jan Havicksz. Steen - zelfportret.jpg
Zelfportret Jan Steen
Ik was niet eerder, bij mijn weten, bij lichte sneeuwval op een kerkhof. We liepen achter de kist aan, die niet op de schouders werd gedragen, maar voortgeduwd, op een wagentje, over de witte paadjes van de Nieuwe Ooster. Ik mank schuifelend, omdat ik vanochtend mijn teen bezeerde na een glijpartij in de achtertuin (voor meer details stuur een email, dan zet ik u op de zere teen-lijst).
Mijn huis- en kantoorgenoot vroeg zich af of je in bevroren grond wel een graf kon graven.
'Dat denk ik wel,' zei ik, 'techiek staat voor niets, maar het blijft eigenaardig om iemand die vorige week nog bestond, nu onder de grond te stoppen.'
Een vriend van de zoon van de overledene, Jan Steen, complimenteerde me met mijn woordje tijdens de herdenkingsdienst. Dat woordje was geen overbodige luxe geweest, anders was er niet zo heel veel gesproken. Hoe je het wendt of keert, een woordloze uitvaart blijft een karige bedoening. Het gaf me bovendien de gelegenheid het woord goedertierenheid te gebruiken. Ik gebruik dit niet vaak, en niet alleen omdat er zo weinig aanleiding toe is.
Bij het familiegraf aangekomen stelde ik vast dat de familie van Jans vrouw, zoals hij ooit aan me vertelde, inderdaad een welluidende familienaam droeg: Boellaard van Tuyl. Jan beweerde trouwens van Jan Steen de schilder af te stammen. Dat zal dan ook wel waar zijn.
De begrafenisonderneemster sprak bij het familiegraf, waar Jan zou worden bijgezet, haar laatste, bijzonder spaarzame woorden – wat niet mocht verbazen, want zij bewees ook al eerder een vrouw van weinig woorden te zijn.
Wij raakten de kist even aan en begaven ons richting aula, alwaar filterkoffie en spreekwoordelijke cake.
De dochter kwam me, met betraande ogen, bedanken. Ik was blij met haar tranen.

Een duistere afvalemmer zonder deksel en ook zonder bodem

Related image
Eric Legrain

In het kielzog van vier meisjes, herstel: schrijvers, loop ik de vrieskou in van Antwerpen op zoek naar 't Fritkotje. Dit komt, we zijn op de nieuwjaarsborrel van de Bij, die nu eens niet de zuiderburen naar de noorderburen heeft gehaald, maar vice versa, maar waar de consumpties verrassend genoeg dermate Hollands blijken te zijn, dat wij ons genoopt voelen onze toevlucht te nemen tot lokale specialiteiten.
We volgen het meisje met de grote mond en de route op haar telefoon over de London Brug. Het meisje met de dikke jas loopt naast haar, erachter het meisje met de lange, ongelakte nagels en het meisje dat me deed denken aan mijn dochter maar dat al gedebuteerd is en werkt aan een tweede.
In de desolate frituur bestellen we kleine en medium friet. 'Goed doorbakken,' zeg ik er uit automatisme bij, hoewel dat zoiets is als bij de Chinees vragen om flinke porties.
Onze aandacht wordt getrokken door een duistere afvalemmer zonder deksel en ook zonder bodem. We gooien er een plastic vorkje in. Het plastic vorkje verdwijnt. 'Zoiets zou ik thuis ook wel willen hebben,' zegt iemand.
De frieten smaken. De mayonaise smaakt. Boven ons wordt een documentaire over Hitler uitgezonden.
Waar zullen we het over hebben? Ik heb het werk van de meisjes niet gelezen en zij het mijne niet, vermoed ik zo. Het meisje met de grote mond begint over het Boekenbal. 'Ik krijg geen kaartje,' zeg ik. Het klinkt sneuer dan ik het bedoel. 'Dan kun je toch nog naar het Schrijversbal in de Kring? Kost 15 euro.' Ik knik. De jeugd heeft niet alleen de toekomst, zij ziet altijd een uitweg; dit verklaart de aantrekkingskracht van de jeugd.
Is dit het hoogtepunt van de nieuwjaarsreceptie? Het heeft er alle schijn van. De drie uur durende busreis naar Antwerpen voelde anders, hoewel het besneeuwde, licht glooiende, schemerlandschap in de file bij Breda me in gedachten even transporteerde naar Siberië, of wat ik denk dat Siberië is, en dat had ik niet willen missen.

Social driver (1)



Ik heb er weer een baan bij: social driver. Mensen die slecht ter been zijn rijd ik kleine eindjes door de Pijp en de Rivierenbuurt à 1 euro per ritje voor de Stichting HeenEnWeer.
Mijn favoriete passagier is Greet, 97. Een juf die altijd ongetrouwd en kinderloos is gebleven. Al haar vriendinnen zijn dood. Greet heeft sluik meisjesachtig cementgrijs haar, een puntige kin (waar soms nog wat sneeuwwitte sprietjes uitsteken) en een uitermate zonnig humeur.
'Ik ruik de soep nog die je net hebt gegeten,' zeg ik, als ik haar ophaal van de dagbesteding bij het woonzorgcentrum en haar van de rollator in de Max Car help, waarbij ik bijna één bil mis. 'Uit je mond.'
'Niet uit mijn neus, nee,' kaatst Greet terug.
Greets brein werkt feilloos, behalve dat ze kort van memorie is. Wat voor soep ze heeft gegeten weet ze niet meer. Niet zelden neemt ze de verkeerde jas mee. En één keer stond ze voor haar gesloten huisdeur en belde ze de politie, die, toen die was gekomen, haar wees op de huissleutels om haar hals. 'Zolang het goed gaat, gaat het goed, en als het niet meer goed gaat, ja, dan kan ik er wel uitstappen,' zegt ze ineens. 'Dat mag op mijn leeftijd. Maar voorlopig gaat het goed.'
Zwijgend zoemen we temidden van het echte verkeer over de President Kennedylaan.
In haar tropisch verwarmde woning op de 9e verdieping van de flat waar ze al vijftig jaar woont, laat ze, niet voor de eerste keer, de zwartwit foto zien van haar als kind met haar zeven broers en zussen, van groot naar klein.
Ze wijst een jongere broer aan die nog leeft. 'Die woont in Groningen.'
'Spreek je die wel eens?'
'Hij belt nooit. En als ik hem bel, zegt hij: geen tijd. Voetbal.'

Van zwerver naar accountant in twee (2) stappen, à €19,90



Stap 1. Men kijke in de spiegel en men stelle vast dat het zwerverdom is aangebroken. Niet dat men hier niet al van doordrongen was door opmerkingen van huis- en kantoorgenote als: je ziet er verlopen uit, denk maar niet dat ik met een zwerver ... vul zelf in.
Men neme de beslissing dat het zwerverdom voor zover dit tot uiting komt in de slordige baardgroei, wellicht moet worden afgesloten, ook al is het 'stoer' om 'onverschillig' over te komen, vooral op het 'schoolplein'.
Men schere. Men kijke opnieuw in de spiegel en men stelle vast dat men 'herboren' is.
Stap 2. Men wasse de haren enkele maanden niet, waarmee weliswaar shampookosten worden uitgespaard, en, alweer, een prettige fuck you her en der op het schoolplein kan worden uitgedeeld, maar waarmee tevens het accountantendom, waar wij allen naar streven, niet bepaald dichterbij wordt gebracht. Men informere bij huis- en kantoorgenote naar Koerdische kultuurkapper: te ingewikkeld (volgende keer). Dus: op pad naar de kappersketen Lobotomy op de Rijnstraat (dezelfde Rijnstraat recent ontsterfelijk gemaakt op de eerste pagina van Rob van Essens De goede zoon. Speaking of Van Essen, die mag ook best weer eens naar de kapper, maar ik ben zijn huis- en kantoorgenote niet.)
Lobotomy hanteerde ooit de alleszins geestelijk gezonde prijs van 16 euro's of daaromtrent voor wassen & knippen, maar dit is 'dus' opgelopen tot €19,90.
Moet ik hiervoor, in gestreept kappersschort, de barricaden op?
Bij thuiskomst krijgt deze accountant te horen: 'Dat kan ik ook.' 'Sexy is anders.' En: 'Nou ja, over twee weken wordt het misschien nog wel iets.' Enzovoorts, enzoverder tot in eeuwigheid amen.