4. Een gemiddelde nachtrust


Zazi was zelf ook kunstenares, welke kunst ze beoefende was niet helemaal duidelijk, maar dat deed er niet toe. Ze toonde begrip voor Wezensteins project. Dat was een voordeel. Het nadeel was dat ze in een bedompte pijpenla woonde, en licht sliep. Van het minste geringste geluid zat ze rechtop in bed. Dit had Wezenstein vaker gehoord van zijn beoogde slachtoffers, en hij had er zijn schouders bij opgehaald. Wezenstein was heel stil, dat was een van de essentiële kenmerken van de stelende kunstenaar. Wat hem meer verontrustte, en dit was nieuw voor hem, was dat Zazi ongeveer elke 90 minuten opstond om te plassen. Poepen ook wel eens, maar vooral plassen. Dat betekende dat ze bij een gemiddelde nachtrust 5 à 6 keer aan de wandel was, maar wanneer deze sanitaire intermezzi plaatsvonden kon ze niet van te voren zeggen. Daar stond tegenover, zei ze, dat ze heel snel weer insliep. Wezenstein krabde aan zijn baard van drie dagen. Had het überhaupt nog zin Zazi te laten deelnemen aan The Big Sleep? Moest hij niet gewoon zijn kopje thee leegdrinken, haar vriendelijk bedanken voor haar gastvrijheid en haar schrappen van zijn lijst? Nee, nee, nee, geen sprake van, stampvoette Zazi, toen hij haar zijn twijfels kenbaar maakte. 'I will participate. Here are my keys. You do whatever you think is necessary.'

3. Slachtoffer


'Imagine a black woman on the sidewalk on the corner of 57th Street and Fifth Avenue this morning,' zei Wezenstein tegen Zazi, een oude vriendin en zijn beoogde eerste Big Sleep-slachtoffer, woonachtig in een donker flatje op Amsterdam Avenue. 'She's lying under a blanket made from paper. Right on the doorstep of Louis Vuitton. When I approach her, I see she is sleeping or appears to be sleeping, it's hard to tell. Her hair is a mess, and she seems to be bleeding from the mouth. I take out my camera, call it my professional deformation, aim and take a picture. Of course. It would have been strange not to take a picture – I mean given the fact that I am on a heavily subsidized trip to New York for a project on sleep. I basically owe it to the Commission to take that picture. Anyway, the woman wakes up. I figured this was going to happen, so I quickly produce a twenty dollar bill. She says she don't want my money. You know why? She says I look like an acquintance, a man she knew. Not just a little bit, the resemblance is downright scary. I say, so what, why would that mean you should not take my money? She says the man was evil. Not long ago he tried to kill her. Not only does this woman not want my money, she even insists that I delete the picture I took of her, and get the hell out of there.'

2. Clean.


Eenmaal gezeten in zijn vaste fautuil in de lounge van het Mandarin Oriental Hotel op de 36ste verdieping van het Time Warner Center aan Columbus Circle slaagde Wezenstein erin een ingehouden grijnslach op zijn gezicht te krijgen. Hier was hij niet voor gekomen, maar dit maakte hem, op een sinistere wijze gelukkig: de aanblik van de bleke vierkante woontorens rondom het rechthoekige park, die als passieve omstanders een laatste eer leken te bewijzen aan het wuivende groen in een reusachtige doodskist. Wezenstein nipte aan zijn mierzoete sake. Zo zag hij de stad het liefst: vanaf een comfortabele hoogte, ver van de penetrante lelijkheid, de terreur, het lawaai, en gezien door getint glas, waardoor het zelfs midden op een zonnige lentedag als deze, permanent leek te schemeren. Het Mandarin had als geen ander hotel begrepen dat bij deze ambiance alleen zeer zachte muziek hoorde, nee, niet eens muziek, geluid. Licht gebrom en gezoem, zonder melodie of richting. Clean. Als alles vernietigd zou worden, daar beneden, Wezenstein zou er geen last van hebben, of pas als het Time Warner Center aan de beurt was, maar dat had dan als bijkomend voordeel dat hij t.z.t. aan de subsidiecommissie niet hoefde uit te leggen waarom hij 500 in plaats van 100 dollar voor zijn kamer had betaald.

1. Opzettelijke traagheid


De dag dat Julius Wezenstein zou vertrekken naar New York voor zijn kunstproject The Big Sleep werd hij overspoeld door een gevoel van totale zinloosheid. Niet alleen het project zelf kwam hem ineens als onzinnig, misschien zelfs potsierlijk voor, maar ook zijn levensvervulling, de fotografie, of, zoals hij zelf liever zei, de stelende kunst, had iets flets gekregen – tenminste vergeleken bij Van Gogh, zijn voorbeeld. Waarom naar New York? Wat was er in New York dat niet was in Rotterdam? Waarom eindeloos door de straten van Manhattan dolen op zoek naar iets dat er toch niet was, of niet meer was? En zijn vrienden? Natuurlijk zou hij ze opzoeken, die zogenaamde vrienden van hem in New York. Elke stelende kunstenaar van enige ambitie, of hij nu van ze stal of niet, had vrienden in New York. Hij had zelfs al een paar afspraken gemaakt. Maar wat had hij die vrienden te vertellen? En: wat hadden ze hem te vertellen? Natuurlijk, hij zou wel wat tijd kwijt zijn aan het project – al was het alleen maar om zich later tegenover zijn subsidieverschaffers te kunnen verantwoorden. 's Nachts. En overdag. Overdag zou hij foto's selecteren, en de volgende shoot plannen, wat een delicaat klusje was. Nu hij er zo over nadacht kreeg hij er wel alweer wat zin in, maar toen hij zich naar de luchthaven begaf betrapte hij zich op een opzettelijke traagheid, als miste hij liever zijn vlucht, gewoon, om van alles af te zijn, terug te keren naar zijn aftandse appartement in het Oude Noorden en zich daar op bed te laten vallen.

23. Cher Frédéric,


Re: lafheid
  
Ik wil je allereerst bedanken voor je bijdrage aan de verbetering van mijn leefomgeving. Het is een mooi ding om dezer dagen nog mensen bereid te vinden bijdragen te leveren ter verbetering van iemands leefomgeving, spontaan, en zonder dubbele agenda bovendien. Nou ja, iedereen heeft een dubbele agenda, daarvoor hoef je de agenda alleen maar om te draaien, maar in jouw geval zou ik toch willen spreken van een inherente goedaardige, ja behulpzame impuls, en zoiets moet worden toegejuicht. Natuurlijk: je had een oog op mijn huis in Caux. Meer dan een oog, je had het willen confisqueren om het cadeau te kunnen doen aan je veeleisende vriendin. Dat was de deal. Op de vrije markt lukte het je niet een bevredigende aanschaf te doen. Jij zou een bijdrage leveren aan de verbetering van mijn leefomgeving, en die van mijn vrouw, en ik zou jou in ruil voor die daad, nobel of niet, mijn huis cadeau doen. Je was er meteen verliefd op, op mijn huis. Je was ook meteen verliefd op de deal. Je zag alles ineens samenkomen: gunst, noodlot, en liefde. Ik heb je wat aanwijzingen gegeven, die heb je opgevolgd. Ook daar ben ik je dankbaar voor. Maar je begrijpt waarom ik mijn aandeel in de transactie niet kan nakomen. Halverwege heb je het gruwelijk laten afweten. Je lafheid heeft je ingehaald, Frédéric Groeninx van Zoelen. Heb je je mooie vriendin inmiddels van ons verteld? Verbaast me niets. Het hoeft al niet meer, Frédéric. Dit is het laatste wat je van me hoort, ik hef dit emailadres op, en ik stel voor dat jij hetzelfde doet. Pouff! Hartelijks, enz.'

22. Lijkenopslag


'Il faut que je fais pipi. Immédiatement.' De supermarktallochtonen kijken elkaar verbaasd aan. 'Muß pinkeln. Sofort.' Bij de vrouw uit Wuppertal verschijnt nu een heel dun spoor van begrip. 'Need to pee. Right now?' De magere man wacht niet af of Andrei hem begrijpt. Zijn vrouw uit Wuppertal mag uitleggen waarom hij plotseling wegrent, zonder behoorlijk afscheid te nemen. Voor zijn gevoel wordt hij alras door niemand meer nagekeken. Volgens de dienstregeling bij de bushalte blijkt dat de streekbus die Caux niet overslaat net vertrokken is, maar als de magere man opkijkt zweeft hij voor zijn neus. Thuis wacht hij tot de duisternis komt – de duisternis is zijn medeplichtige – en sleept dan, heel zachtjes, het opmerkelijk lichte lichaam van Frédéric Groeninx van Zoelen naar het schuurtje achter de composthoop. Daar schuift hij het met beleid op het lichaam van de vierkante vrouw, en bespuit het geheel met een gemeen goedje tegen de kadaverlucht. 'Mijn lijken,' grinnikt de magere man bij zichzelf. Hij verheugt zich op de email die hij zo direct gaat componeren. De email naar IJburg. Er moet nog een email naar IJburg worden geschreven, om het verhaal ook aan die kant goed af te hechten. Dit om toekomstig verrassingsbezoek uit IJburg en elders te voorkomen. De magere man houdt niet van verrassingsbezoek, zeker niet uit IJburg. Hij houdt überhaupt niet van bezoek. Als er sprake moet zijn van bezoek, dan wil de magere man de bezoeker zijn, niet de bezochte.

21. Des affaires pratiques.


En dan lijken er alleen nog zaken van praktische aard te bestaan. Des affaires pratiques. Niemand houdt van praktische zaken maar ze zijn in staat een hoop schade aan te richten als je ze veronachtzaamt. Het lichaam kan wachten, maar de huurauto moet weg ook al is het een onopvallende huurauto. De magere man besluit de auto naar de dichtstbijzijnde Carrefour te rijden, alsof hij boodschappen gaat doen. Daar parkeert hij hem keurig tussen de andere onopvallende auto's maar net als hij de parkeerplaats af loopt op zoek naar de dichtstbijzijnde halte van de streekbus die hem terug naar Caux moet brengen wordt hij staande gehouden door een levensblije man met gezichtsbeharing en een aandoenlijk accent. 'Your wife also shopping?' vraagt hij. 'I'm Andrei. I live here two year. Where you live? Parler Français?' De magere man zoekt een excuus om zich los te weken uit deze onvoorziene situatie, te ontsnappen aan deze spontane conversatie waar hij allerminst om heeft gevraagd en die heel, heel slecht uitkomt, maar het is al te laat. De vrouw van Andrei die uit Wuppertal komt en nog slechter Engels en helemaal geen Frans spreekt is ineens met een tjokvol boodschappenkarretje aan komen zetten en laat hem niet meer los. Letterlijk.

20. Halo


Maandag zal de magere man uitslapen. Hij slaapt anders nooit uit, maar op deze dag aan het begin van de week heeft hij er zin in. Hij zal uitslapen tot half acht. Voor een boer is dat uitslapen; de magere man is geen boer, maar dit is een van zijn boertige trekjes. Een ander boertig trekje is dat hij met zijn kleren aan slaapt. Sinds het verscheiden van de vierkante vrouw, heeft hij bepaalde burgerlijke gewoontes afgelegd; een daarvan is het verkleden voor het naar bed gaan en na het opstaan. De magere man zal naar de logeerkamer gaan, de pan onder het lekkende dak verwisselen, en daarna beneden voor zichzelf een homp van een stokbrood afscheuren, die hij eerst langs een stuk boter heeft gehaald. Hij zal koffie zetten, uitgebreid, en ook brood in de koffie soppen, omdat hij dat al zijn hele leven doet, boer of geen boer. Pas veel later, laten we zeggen rond het middaguur, zal de magere man de behoefte voelen om een kijkje te gaan nemen bij de open haard, waar hij Frédéric Groeninx van Zoelen heeft achtergelaten. Hij zal gefascineerd zijn hoe hij erbij ligt: dramatisch achterovergebogen over de leuning van de oude bank, de babyface open en bloot en ongeschonden ondersteboven hangend, de blonde haartjes in de vorm van een halo om zijn hoofd, de benen wijd en de ogen open. De magere man zal de ogen niet sluiten. Hij zal de ogen openlaten, zo lang mogelijk.

19. De methode


'Het moet gebeuren, dat is het punt niet,' zegt de magere man, porrend in het vuur met een zwarte pook. 'Daar zijn genoeg redenen voor, maar de vraag is hoe. De methode. Alles hangt af van de methode. Écoute. Jij bent nog jong. Betrekkelijk jong. Laten we zeggen dat als je zo doorgaat je nu ongeveer op de helft bent. Ik zit op zevenachtste, als ik geluk heb. Maak daarvan achtnegende. Het slot nadert. Het maakt me allemaal niet zo gek veel meer uit. Of het dit jaar is, deze maand, deze dag, deze avond, of een tijdstip in de afzienbare toekomst, dat is een kwestie van perspectief. Hoedanook zal het niet lang meer duren, en dan kan het maar beter meteen gebeuren, n'est çe pas? Ik weet zeker dat je dat met me eens bent. Maar de methode, daarover kunnen we van mening verschillen. Grofweg zijn er botte en minder botte methodes. Er zijn geruisloze methodes, en minder geruisloze. Er zijn schone methodes, en vuile methodes. Dat is het enige wat me interesseert, Frédéric. Ga niet voor de gemakkelijkste weg. Wees creatief. Het enige wat ik van je verlang is dat je me van te voren inlicht over de methode, en dat je na afloop je sporen uitwist, maar dat spreekt voor zich.'

18. Wee


De poort gaat langzaam open, uit zichzelf lijkt wel, maar het is de magere man die voor Groeninx van Zoelen opendoet. Hij is zo mogelijk nog magerder geworden. Vooral in zijn gezicht. Er zit geen spek meer in zijn gezicht. Alleen nog botten en pezen. Zijn rood omrande ogen staren hem uitdrukkingsloos aan in het zwakke schijnsel van zijn olielampje. Dan knikt hij naar Groeninx van Zoelen, niet ongelijk de vierkante vrouw enkele weken eerder had gedaan, toen er nog geen incisie in haar halsslagader was aangebracht, toen alles nog veelbelovend was. (Nu is niets meer veelbelovend.) Groeninx van Zoelen sluit de poort achter zich en volgt de magere man naar binnen. De haard is aan, maar het is een moeizaam vuur. 'Ik dacht dat u boven was, boven brandt licht,' zegt Groeninx van Zoelen, om de stilte te doorbreken. De magere man haalt de rug van zijn knokige hand langs zijn neus, die bijna doorzichtig is. 'Ik wist dat je zou komen, maar niet zo snel. Niet zo snel, Frédéric.' Hij gebaart dat Groeninx van Zoelen op een krukje bij het vuur moet gaan zitten, en haalt een kom non-descripte soep voor hem, waar een weeë damp vanaf slaat. Waar moet hij die laten? In het vuur misschien?