Honderd verhalen in honderd dagen, 20. Het pact


Meneer en mevrouw Maanwater uit Wolvega hadden in 1987 een bijzonder kerstgeschenk voor hun kinderen: hun zelfgekozen einde. Dat kwam zo, zij bleken al sinds de oorlog, toen ze in verschillende kampen hadden gezeten, en elkaar zodoende drie jaar hadden moeten missen, een pact te hebben om samen te gaan en ze vonden het dat jaar, hij was net tachtig geworden en zij vierentachtig, wel mooi geweest.

Fysiek was meneer Maanwater, Jan heette hij, nog in topconditie, maar zijn vrouw, Sylvia, had haar beste tijd gehad. Ze leed niet alleen aan beginnende dementie, maar ook aan Parkinsons en toen ze daarbovenop nog gediagnosticeerd werd met kanker (weliswaar van de behandelbare soort), zei ze: 'Het is zover. We gaan.'

Maanwater hoefde niet lang na te denken over wat dat betekende, want in het pact stond duidelijk dat als de een het tijd vond om te gaan, de ander zich daar zonder al te veel gemiezemaus bij neer diende te leggen. De methode hadden ze ook al uit en te na doorgenomen: ze zouden, na een copieuze maaltijd, een heet bad nemen en met een Stanley mes elkaars polsen doorsnijden.

De Maanwaters beseften dat deze methode een niet heel gezellige aanblik zou geven, maar ze zouden op de deur van de badkamer een briefje hangen met de tekst: 'Geen toegang voor de faint hearted en kleinkinderen.' Trouwens, de halve (eigenlijk de hele) familie bestond uit medici (Jan en Sylvia waren allebei specialist) en die konden wel wat hebben.

De kinderen wisten van niets. Ook dat stond in het pact van Jan en Sylvia Maanwater (gesloten en ondertekend, zo bleek, bij hun huwelijk in 1938). Achter de geheimhouding zat een gedachte. In de jaren tachtig was euthanasie, laat staan een dubbele euthanasie zonder uitzichtloos lijden (want ze leden geen van beiden uitzichtloos, het uitzicht dat ze hadden was zelfs nog behoorlijk goed, namelijk vanuit hun moderne boerderij op lieflijke landerijen), niet in zwang, zeg maar gerust illegaal. Als ze hun kinderen hadden ingelicht over de op handen zijnde finale, waren ze ofwel medeplichtig geworden, ofwel ze hadden geprobeerd er een stokje voor te steken.

Dochter Martine had nattigheid gevoeld toen haar moeder een dag voor kerst opbelde en van alles wilde vertellen. 'Mam, zullen we het kort houden, we zien elkaar Tweede Kerstdag, anders hebben we geen gespreksstof meer,' had Martine Maanwater gezegd. 'Zoals je wilt,' zei Sylvia, met, achteraf gezien, een nieuwe melancholie in haar stem.

Jan Maanwater had nog in de motregen gegolfd. In zijn eentje, weliswaar, en dat had een aantal golfmaatjes op de club de wenkbrauwen doen fronsen. Een van hen had gevraagd of hij mee wilde doen. Jan antwoordde: 'Ik ga een keertje in mijn eentje. Mag ik één keer in mijn eentje?'

'Zoals je wilt.'

De erfenis was niet onaanzienlijk, maar tweederde deel ging naar Amnesty International. Dat was even slikken voor Joachim, de derde zoon, muzikant, die nauwelijks inkomen uit arbeid genoot. Op de boerderij bleek een dermate hoge hypotheek te zitten, dat die weinig tot niets zou opbrengen.

Ze wilden samen gecremeerd worden, de Maanwaters, in hetzelfde vuur dus, en bovendien wilden ze dat de as zou worden vermengd en in één urn zou worden bewaard in een speciaal nisje bij dochter Martine. (Uiteindelijk besloten ze de urn bij te zetten in het familiegraf in Leeuwarden.)

Ze wilden geen toespraken bij de uitvaart, die moest plaatsvinden op de laatste dag van het jaar. Ze wilden dat Joachim een lied van Jacques Brel zong, La chanson des vieux amants, begeleid door de oudste zoon op piano en dat er na afloop vooral veel champagne vloeide, met oesters en kaviaar.

Aldus geschiedde.

Saillant detail: de autopsie wees uit dat Jan Maanwater waarschijnlijk nog minstens een uur doorleefde nadat zijn vrouw was doodgebloed. We kunnen slechts gissen naar wat zijn gedachten, if any, zouden kunnen zijn geweest.