Honderd verhalen in honderd dagen: 19. Leven en dood van Geoffrey Hackensack

Gilbert & George

Ik zie hem nog staan, Geoffrey Hackensack, op Flatbush en Atlantic. We spreken eind jaren negentig, hij was een vaste verschijning bij de ingang van de metro.

ALL YOU PEOPLE 

DISAPPOINT ME

stond er op het bord dat hij omhoog hield. Of nee, hij hield het niet omhoog, er zat een houten paal aan vast, en die stak hij in de hoek van de goot, waardoor Hackensack er zo'n beetje tegenaan kon leunen.

Uren stond hij daar. Dat weet ik niet zeker, want ik heb hem niet uren in de gaten gehouden, maar als ik de metro inging, stond hij er, en als ik er uren later weer uitkwam, stond hij er nog steeds. 

Hij droeg een labjas, een vale witte jas (nu ik erover nadenk had het ook een slagersjas kunnen zijn, maar er zaten geen bloedsporen op). Zijn haardracht was woest. Zijn schoenen waren kapot, zijn voeten staken er hier en daar uit. Aan die schoenen meende ik te kunnen aflezen dat Geoffrey Hackensack geen performance artist was, maar zeker weten deed ik het niet. Iedereen kon een performance artist zijn, sommige van mijn beste vrienden waren performance artists in die tijd (hoewel geen Gilbert & George).

Hij zei niks, Hackensack. Hij liet zijn bord het werk doen.

De uitdrukking op zijn gezicht verraadde zijn intenties evenmin. Hij was niet aan het bedelen. Hij zong geen liedjes, preekte niet, troggelde je geen geld af voor goede doelen, beweerde niet dat het einde nabij was (ook al was het dat wel). Dat alles beviel me aan Hackensack.

Natuurlijk, hij wilde aandacht, hij wilde gelezen worden, maar wie wil dat niet?

Lijdende aan een pathologische vorm van nieuwsgierigheid, kon ik het natuurlijk toch niet laten een keertje, toen het lekker weer was en iedereen in een goede bui leek te zijn (je hebt van die dagen, het was een vrijdag voor een lang weekend), om Hackensack een vraag te stellen.

Ik weet niet meer wat die vraag was, maar ik weet wel dat ik op het moment dat ik de vraag had gesteld wist dat het een domme vraag was. Vlak daarvoor, toen ik de vraag bedacht, maar nog niet had uitgesproken, dacht ik nog dat het een goede vraag was.

Hackensack antwoordde niet. Hij keek me even aan, met medelijden bijna; hij keek ook op me neer, maar dat doen er wel meer, omdat hij groter was dan ik en staarde toen weer in de verte. Soeverein.

Een jaar of wat later verscheen er een stukje over hem en zijn bord in het stadskatern van The New York Times. Hackensack was geen kunstenaar. Net wat ik dacht. Kunst vond hij flauwekul of een perverse kapitalistische bende, daar wil ik vanaf zijn. Maar dakloos was hij ook niet. Hij noemde zichzelf stand up sign holder, een epitheton waar onmogelijk aan viel te tornen, and that was all there was to it. Ja, hij kon een nieuw paar schoenen gebruiken en in de winter was een labjas misschien wat aan de koude kant, maar mensen die hem wilde helpen op dit punt (vrouwen uit de buurt natuurlijk weer), gaf hij nul op het rekest.

Aanbiedingen van galeries die hem wilde boeken, televisieprogramma's die hem wilden featuren en wat al niet, zelfs een voorstel voor een HBO-serie gebaseerd op zijn personage, had hij afgeslagen.

Geoffrey Hackensack's enige ambitie bestond eruit om elke dag weer, voorzover zijn agenda het toestond (zijn agenda bleek behoorlijk flexibel), op Flatbush en Atlantic te gaan staan met zijn bord.

Het bleef niet bij deze anekdotische premisse. De winter van 1999 was streng, aan de straatkanten veranderden de sneeuwhopen in een muur van ijs. Hackensack maakte aanstalten met zijn bord op huis aan te gaan, hij bleek nog bij zijn moeder te wonen in een flat in Gowanus, toen twee figuren op hem af kwamen. De ene, die een bivakmuts droeg, gaf hem een harde trap in zijn onderrug. Hackensack ging bijna onderuit. De andere figuur, die een sjaal zo om zijn nek had gewikkeld dat ook hij voor de veiligheidscamera's van de Metropolitan Transit Authority onherkenbaar bleef, schopte tegen de paal, waardoor Hackensack uiteindelijk, als een afgedankt standbeeld, tegen de vlakte ging. Tot teleurstelling van sommigen zou hij de nacht niet overleven.