Honderd verhalen in honderd dagen: 15. Ludwig Wittgenstein schrijft aan zijn moeder

Wittgenstein's hut in Sjolden


Liebe Poldi,                                                    Østerrike, november, 1913


Er is hier net een flinke lading sneeuw gevallen, bij jullie ook? De Noren uit het dorp zeggen dat het zeven keer moet sneeuwen voordat het blijft liggen; ik ga het bijhouden, kijken wat er overblijft van deze volkswijsheid.

Ik heb slecht nagedacht over verwarming. Ik dacht dat dat in mijn hutje niet zo belangrijk zou zijn, zolang ik maar genoeg kleren had en kruikjes (ik heb drie kruikjes in totaal die ieder acht uur warm blijven), maar er zit een grens aan de hoeveelheid warme truien die je over elkaar heen kunt doen en de oppervlakte van een kruikje is beperkt. Wil je wel geloven dat ik af en toe een kruikje achter in mijn broek steek om mijn kont op te warmen? Een koude kont – dat is, merk ik, wat mij het meeste dwarszit.

Hout hakken en vuur stoken vind ik teveel werk. Bovendien heb ik geen bijl, alleen een zaagje. Wat zou Vati daarvan gevonden hebben, Mutti?

Ik droom hier veel meer en heftiger dan in Cambridge. Wat zou dat te betekenen hebben? Misschien komt het omdat ik zoveel slaap en vrijwel niemand spreek, dat mijn brein alle gelegenheid krijgt om de meest idiote scenario's op te roepen. Vannacht was het weer raak.

Ik was in een ruimte die niet van mij was. Men had mij al meerdere malen te kennen gegeven dat ik weg moest, dat ik geen recht had om mij in deze ruimte op te houden. Het was een soort kantoorruimte, goed verlicht, en vrijwel leeg. Na de zoveelste missive die ik had gekregen dat ik mij diende te verwijderen uit de ruimte, kwamen ze me uitzetten. Ik verschool me als een klein kind onder tafel. Een vrouw op hoge hakken schreed door de ruimte, ik hoorde haar naderen. Ze stopte hier en daar om kasten te inspecteren, in alle hoeken te kijken en achter alle deuren. Toen kwam ze bij mij uit. Ik keek naar haar reusachtige schoenen. Ze moet mijn hand hebben gezien, mijn haar of misschien heeft ze me geroken. Ze sleurde me aan mijn arm uit mijn verstopplek. Met een klein gilletje werd ik wakker.

Wat maak jij daarvan, Mutti? Wat zijn dromen toch vreemd. En vooral angstdromen. Ik kan me voorstellen dat de menselijke geest zich door angstdromen voorbereidt op reëel gevaar. Maar waarom droom ik dan niet van een beer, of een ander gevaarlijk dier? Dat zou toch veel logischer zijn geweest, gegeven mijn huidige omstandigheden?

Schreef ik logisch? Moedertje, ik ben zeer opgewonden, omdat ik geloof dat ik eindelijk begrijp hoe het fundament van het menselijk denken in elkaar steekt. Het is zowel heel eenvoudig, als bijna oneindig complex. Het kan allemaal in één propositie worden weergegeven, maar hoe die propositie luidt, daarmee zal ik u niet vervelen.

Denkt u nog veel aan Papi? Ik, als ik heel eerlijk ben, niet. Ik denk alleen aan hem als ik aan u denk. Maar ik weet niet zeker of u hem mist.

Maakt u zich maar geen zorgen om mij, liebe Mutti, ik kwijn hier niet weg. Integendeel, ik leef op, ik heb zelfs sterk het gevoel dat ik hier in dit desolate oord, helemaal op mezelf aangewezen, werkelijk gelukkig kan zijn. Nu nog een manier vinden om te schrijven zonder dat mijn vingers eraf vriezen.

Voor eeuwig de jouwe,


Ludwig