Honderd verhalen in honderd dagen: 12. De man die nul (0) boeken in huis had

Bookopolis, Eric Drooker

De man die 0 (nul) boeken in huis had vermaakte zich doorgaans prima, althans dat zei hij. Hij zei ook dat hij een leeg huis erg op prijs stelde, dat troep hem deprimeerde, en dat een boeken toch vaak leidden tot troep, hoe goed je ze ook organiseerde. Als je ze aan het lezen was, lagen ze ergens. Op een tafeltje bij de bank, op een tafeltje bij het bed, op een plankje bij de wc. Boeken waren, hoe je ze ook wendde of keerde, bakstenen. Bakstenen van papier weliswaar, en van verschillende dikte en omvang (sommige leken meer op langwerpige tegels), maar toch: rechthoekige (zelden vierkante) objecten met een rommelig aanzien en bepaald gewicht, dat lager lag dan dat van een baksteen, maar voor het oog maakte dat geen verschil. Het oog van de man die 0 (nul) boeken in huis had zag bakstenen en bakstenen beschouwde hij als troep, hoe goed hij zijn boekenkast/bakstenenkast ook zou organiseren op kleur, titel, auteur, grootte, publicatiedatum, geslacht auteur of het Dochters Van Dijk Criterium voor Literatuur. Dat had allemaal geen enkel effect op zijn heilige overtuiging dat boeken niet thuishoorden in zijn huis.

Nu woonde deze man, laten we hem voor het gemak even Nihil Boeken noemen, opdat de lezer het overzicht behoudt, opdat de lezer weet over wie het gaat, de plot kan volgen en wat dies meer zij, in een oud huis in de Saenredamstraat met boven zich een oude man met veel, heel veel boeken. Laten we die oude bovenbuurman Legio Boeken noemen. De naam Legio Boeken doet eigenlijk geen recht aan de collectie van de man, want die viel eerder te omschrijven als mega, giga enzovoorts, maar mega noch giga is een naam voor een personage, althans niet in dit verhaal.

Overigens zij aangetekend dat we, op dit punt aanbeland, duidelijk kunnen zien dat we ons in een fictief universum bevinden en niet in een factief, omdat de tegenstelling te schematisch is, de namen te absurd (wie heet er Nihil? Hoewel, Elon Musk en zijn vrouw acht ik er toe in staat, en in Namibië is een politicus actief genaamd Adolf Hitler).

Schiet nou eens op, verzucht de lezer, je hebt een belofte in te lossen, met alleen een introductie van de personages, een expositie, zoals dat heet, ben je er nog niet. Was het maar zo makkelijk. Er moet nog meer bij. Drama. Of op zijn minst een handeling. Een motorisch moment, zo je wilt.

Welnu, welk noodlot zullen we aan deze twee mannen, so close and yet so far away, familie misschien wel, laten voltrekken?

De oplettende lezer heeft vanaf alinea 2, zin 1, zien aankomen wat er gebeurt, dus hen kan nu ophouden en iets anders gaan doen (masturberen bijvoorbeeld).

Ik maak het verhaal even 'af' voor de minder oplettende lezers – waartoe ik interessant genoeg ook mezelf reken, aangezien ik nog niet precies weet hoe en waar dit eindigt.

Midden in de herfst, op een doordeweekse dag, om vijf uur 's nachts of daaromtrent, – Legio lag te lezen omdat de kat hem met zijn klagelijke miauw had gewekt en hij niet meer in slaap kon komen; Nihil sliep de slaap der boekenlozen –, begaf de vloer het. De boel stortte in. Ja! Legio's vloer bezweek. Dat moest een keer gebeuren volgens de wetten der narratieve logica, onder het gewicht van al die bakstenen herstel boeken, misschien was het zijn laatste aanschaf geweest, die dag ervoor was bezorgd, en die hij, helemaal in zijn nopjes met zijn aankoop, bovenop de overvolle boekenwand had geplaceerd.

Het einde van het liedje? Allebei de pijp uit.