Honderd verhalen in honderd dagen, 10. Het privékamertje

General Idea, Cigarette burn


Vier mannen zitten aan de soep rond een tafeltje in een duistere ruimte, je ziet dat ze het koud hebben, de stoom komt uit hun mondholte en neusgaten, je ziet dat ze zich proberen kleiner te maken, zichzelf dieper proberen te begraven in hun jas. Man 1 hangt recht boven zijn soep en eet heel langzaam, niet alleen om zo lang mogelijk te profiteren van de warmte in de mond, maar ook om de damp die afslaat van de substantie zo lang mogelijk in het gezicht te kunnen voelen. Man 2, recht tegenover man 1, heeft een andere strategie, hij probeert zoveel mogelijk te bewegen, te praten, te gesticuleren, zelfs de spieren in zijn gezicht lijkt man 2 overmatig te gebruiken. Maar tegen wie hij praat en waarover hij het heeft blijft onduidelijk. Daar gaat het hem ook niet om. Het gaat hem om de circulatie zegt hij, de circulatie moet op peil blijven, en daar heeft hij een punt als de circulatie stopt is alles voorbij, maar, zo merkt man 4 (rechts van hem) op, hij verbruikt ook veel energie met al dat theater, en zal dus eerder honger krijgen, en er is alleen maar soep, voor iedereen evenveel bovendien, dat is rechtvaardig, maar misschien toch ook niet, gezien de lichamen van de mannen, en hun metabolismen, die zijn uiteraard verschillend, – of althans, het betreft hier geen eeneiïge vierling, of klonen. Man 3 zegt niets. Hij rookt. Ongelooflijk dat iemand dat nog doet, maar hij doet het, en met verve. Maar niet voor de nicotine, de teer of een van de zeventig andere kankerverwekkende stoffen die in een sigaret schijnen te zitten volgens mensen die niet van roken houden. Nee, man 3 rookt om altijd een vuurtje bij zich te hebben, een mini-straalkacheltje, hij maakte een holletje van zijn handen en steekt de sigaret met het brandende gedeelte naar binnen. Hij verkneukelt zich bij dat kamertje dat hij gemaakt heeft, dat privékamertje waar alleen hij bij kan, en waar het gezellig is, knus, enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen; alles wat het in de ruimte waarin de mannen zich bevinden niet is, dat deze vier mannen rond een tafel zitten in een ruimte is een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor gezelligheid, er is nog iets meer nodig, behalve warmte, en een beetje licht, iets ondefinieerbaars, maar dat is er 'dus' niet, meent man 3, en hij niet alleen, ook al kan het hem weinig schelen. 'Wie-oe-wie-oe-wie-oe-wie-oe!' doet man 4 opeens. 'Wie-oe-wie-oe-wie-oe!' 'Wat doe je?' zegt man 2, 'ben je gek geworden?' 'Nee,' zegt man 4, 'bij hem gaat het rookalarm af.' Met zijn koude rode neus – zijn handen wenst hij niet tussen zijn benen vandaan te halen, die zitten daar prima – wijst hij naar man 3. 'Sinds wanneer kun jij niet tegen een beetje rook?' zegt man 3, geërgerd, het ene oog samengeknepen. 'Ik zeg niet dat ik niet tegen rook kan,' zegt man 4, 'dat heb ik nooit gezegd. Ik rook al jaren met jou mee. Daar heb ik nooit bezwaar tegen gemaakt. Als ik straks onder de zoden lig door jouw toedoen, dan nog zal ik je geen haat nadragen.' Man 1 kijkt traag als een reptiel op van zijn soep en grijnst. Hij is als enige nog aan het eten, de rest is allang klaar, maar hij heeft niet veel meer. Hij is nu overduidelijk tijd aan het rekken. Dan houdt man 2, die nog altijd in en voor zichzelf aan het praten was, drukke bewegingen makend die nergens verband mee schenen te houden, ineens stil en zucht diep. 'Dat was weer mooi, mannen.' Allen staan op en verlaten zwijgend de ruimte.