36. Het gekerm van de zieke sinaasappel

Ferdinand Botero, Naranja


Je kon het niet meteen zien aan de buitenkant. Je kon het helemaal niet zien, aanvankelijk, want het zat aan de achterkant. Alleen iemand die alle exemplaren uit het rode netje nauwkeurig had bestudeerd, van alle kanten, bij het juiste licht, en die bovendien nog verstand had van sinaasappels, had hem eruit kunnen halen.

Hij lag er 'gewoon' tussen, in de fruitmand, een beetje rechts. Onderop, dat wel.

Maar het zat er dus wel bij hem en het werd groter.

Toen het ontdekt werd was het al te laat.

De sinaasappel werd geïsoleerd om te voorkomen dat naburige sinaasappels besmet zouden raken.

Hij werd niet meteen weggegooid, hetgeen een daad van uiterste compassie of juist uiterste wreedheid kan worden genoemd.

Heel de daarvoor nog knaloranje schil van de zieke sinaasappel nam langzaam de kleur aan van poedersuiker.

Tegelijkertijd nam het rimpelen en het krimpen een aanvang.

Overigens was er nog steeds niets te ruiken, en alleen voor de oplettende luisteraar was er gekerm hoorbaar, als van een man die opgesloten is in een diepe kelder en wiens berustende maar nog altijd niet gestopte klaagzang door alle muren en dikke deuren heen dringt.

Je zou met hem willen praten, met de zieke sinaasappel, je zou hem moed willen inspreken, hoewel je, terwijl je het deed, zou inzien dat dit leugenachtig was, dat je hem bedroog.

De zieke sinaasappel is opgegeven. Uitbehandeld. Hij weet het, jij weet het.

Ondertussen zal het meeste vocht de vrucht verlaten. Hij zal uitdrogen en daarbij verschrompelen.

De nog enigszins feestelijke poedersuikerkleur heeft dan allang plaatsgemaakt voor een gore, gelige tint met groene vlekken. De tint van de morbiditeit.

De zieke sinaasappel zal zwart worden, het eindstation van alles wat leeft.

Had hij liever willen worden opgegeten, of uitgeperst?